20 april

Dag 111

Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe. En hij nam zich een potscherf, om zich daarmee te krabben, en hij zat neer in het midden der as. Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God, en sterf. Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.

---o--O--o---

Toen ik voorganger was, predikte ik eens zes maanden over Job. Ik had hem daar op de ashoop, zat daar, weet u, vol met builen en met een scherf krabde hij over zijn builen heen. En een dame zei: “Broeder Branham, haalt u Job ooit nog eens van die ashoop af?” Na ongeveer drie zondagen, maar ik was bezig daar iets omheen op te bouwen.

Daar zat hij. Hij was een profeet. Hij was Gods gezalfde. En het enige wat de man wist om te doen was om bij het Woord te blijven. Dat is alles. Ze kwamen en ze zeiden: “Job, je weet dat je verkeerd hebt gedaan. Kijk eens wat er met je is gebeurd. Iedereen heeft zich tegen je gekeerd. En hier zijn je vrienden en iedereen is weggegaan. Het enige wat is overgebleven, is dat je hier zit, en kijk nu eens, je bent een armzalig uitziend wrak met zweren en van alles over je uitgebroken. Kijk nu eens naar je toestand.” Maar Job zei dat hij niet had gezondigd omdat hij op Gods toebereide weg was gekomen, onder het gestorte bloed.

Dan heeft God een verplichting aan iemand die zo’n standpunt zal aannemen. Hij liet hem tot op de laatste persoon zakken, zelfs zijn vrouw kwam naar buiten en zei: “Job, waarom vervloek je God niet en sterf?” Denk daar eens aan, zijn eigen vrouw keerde zich tegen hem. Zoals iemand zich tegen ons zal keren en denken dat we vreemd en eigenaardig zijn. Al Gods kinderen zijn vreemd en eigenaardig voor de wereld. Zeker zijn ze dat. “U bent een bijzonder volk, een koninklijk priesterschap dat God offeranden brengt, de vrucht van uw lippen die Zijn Naam prijzen.”

Nu, we merken op dat zelfs Jobs vrouw zich tegen hem keerde. Keerde hem de rug toe en zei: “Waarom vervloek je God niet en sterf?” Met andere woorden: “Je ziet er miserabel uit. Waarom vervloek je God niet gewoon en sterf?”

Hij zei: “Gij spreekt als een dwaze vrouw.” Nu, hij noemde haar niet dwaas; hij zei dat ze als zodanig sprak. Hij zei helemaal niet dat ze dwaas was.

Soms heb ik het op u zusters gemunt; ik zeg niet dat u werelds bent; maar soms ziet u er zo uit. Ik zeg dus niet dat u verkeerd doet. Maar soms kleedt u zich zo dat het er op lijkt. Begrijpt u? Ik wil daar niet over beginnen.

Job zei tegen zijn vrouw, zei: “Gij spreekt als een dwaze vrouw.”

O, God is altijd getrouw als we op Gods toebereide weg komen. Job zei: “Ik heb mijn schuld beleden. Ik heb mijn brandoffer gebracht.” Dat is precies wat God vereiste. Hij aanbad God onder het gestorte bloed. En plotseling kwam de Geest op de profeet, en de donders rolden en de weerlichten flitsten en hij zei: “Ik weet dat mijn Verlosser leeft. En in het laatst der dagen zal ik, hoewel de huidwormen dit lichaam hebben vernietigd, toch in mijn vlees God zien: Die ik zien zal voor mijzelf.” Ziet u, onder het bloed.

De anderen zaten daar zover bij vandaan als wat dan ook. Maar Job bleef onder het bloed met het Woord, dat is het, onder het bloed met het Woord. Ongeacht hoe donker het wordt, blijf doorgaan. Houd vast aan Gods onveranderlijke Woord.

Aanhaling genomen uit de prediking:

  • Gemeenschap   19 mei 1962

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
E-Book
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
English (Engels)