De verworpen Koning

Door William Marrion Branham

1 ... voor de heerlijkheid van de Here om op ons te worden gebracht door de bediening van het Woord. En het is een...

2 Deze afgelopen week ben ik gewoon een beetje in de lappenmand geweest... Niet in de lappenmand, om precies te zijn; het was een test die ik moest ondergaan, een lichamelijke test; en daarom hoorde u dat ik in het ziekenhuis was. Ik ging erheen om de reden dat ik niet heen en terug zou hoeven te gaan over de rivier. Je ondergaat een maag- en een darmonderzoek en ze moeten... elke paar minuten moeten ze terugkomen voor weer een röntgenfoto. Maar wij worden geacht (als we zending overzee bedrijven) dit elke zes maanden te ondergaan. Broeder Roberts en de zijnen, geloof ik, krijgen elke zes maanden de hunne, maar ik had in vier jaar geen onderzoek gehad.

3 De moeilijkheid... ik houd gewoon niet van die Castor-olie. Dat is het enige. En zij zeggen dat er niets anders is wat zij ervoor in de plaats kunnen geven, dus ik... O, ik werd zo ziek, toen ze me dat spul gaven. Weet u, ik heb u in mijn levensgeschiedenis verteld, hoe ziek dat spul me maakt, en ik vind het gewoon verschrikkelijk om het spul in te nemen. En ik zei tegen mijn hoffelijke dokter-vriend: "Is er niet iets anders?"

     Hij zei: "Dat denk ik niet, broeder Branham."

4 O, toen die dame daar binnenkwam met, het leek wel... misschien overdrijf ik, maar het leek wel ruim een liter. Het was een... Ik heb nog nooit zoveel gezien, en ik hield gewoon m'n neus dicht en kokhalsde, maar tenslotte kreeg ik het binnen.

5 Maar nu, door de beproeving heen en alles waar ik doorheen ging, wil ik de Here danken voor een volmaakt onderzoek. En ik kwam er honderd procent door; kan overal ter wereld gaan waar ik wil. Ik vroeg de dokters, die drie van de beste specialisten waren, geloof ik, in Louisville, en ik vroeg hun; ik zei: "Ben ik tenminste voor tien procent afgekeurd?"

6 Hij zei: "U bent voor niet één procentje afgekeurd." Hij zei: "U verkeert in elk opzicht in perfecte gezondheid." Ik ben God zo dankbaar. Van Wie anders kon het komen dan van onze hemelse Vader (zie?), dat ik zo ben.

7 En hij zei: "Heel uw bloedstroom toont daarbinnen dat u jong zou zijn." Hij zei: "Uw bloedcellen zijn zelfs nog niet begonnen af te breken, of wat ook." Hij zei: "U bent in een erg goede conditie, broeder Branham."

     En ik zei: "Wel, ik ben zo blij."

8 En ik had het voorrecht te spreken, te getuigen tegen elke verpleegster in dat ziekenhuis en elke dokter over het Koninkrijk van God. Eén bepaalde dokter – ik geloof dat hij hier zou zijn deze morgen. En ik ben blij te weten dat er nog steeds goede mannen in deze wereld zijn, echte mannen. Mannen die me vijf dagen lang een lichamelijk onderzoek laten ondergaan, wat waarschijnlijk twee of driehonderd dollar voor elk zou kosten; en toen ik erdoor gekomen was, zeiden ze: "Het is onze bijdrage aan het werk van de Here dat u doet." Zelfs geen... Zeiden: "Wel, u brengt ons in verlegenheid door ons zelfs te vragen of u ons iets schuldig bent." Ze zeiden: "Slechts uw gebeden voor ons."

9 "En van binnen", zeiden ze, "vinden we een emotioneel iets wat we niet kunnen begrijpen." Ze zeiden: "Wel, het lijkt geen..." Hij zei: "Van de buitenkant bent u niet nerveus of van streek, maar", zei hij, "van binnen is er een emotie die we niet kunnen begrijpen."

10 Ik zei: "Als u hier even een ogenblikje wilt gaan zitten, zal ik het u vertellen." En ik ging spreken over visioenen. Het was een ander terrein voor hen. Ze wisten er niets over. En ik vertelde hun over de Bijbel. Toen vertelde ik hun van het visioen dat de Here me onlangs gaf en ze huilden als baby's; zaten daar gewoon en huilden. En ik... en zei... ik zei: "Ik hoop dat u mij niet beschouwt als de een of andere religieuze zonderling of de een of andere..."

11 Hij zei: "In geen geval, broeder Branham. Ik geloof dat met heel mijn hart." Hij zei: "Maar ik wil slechts één ding zeggen: die dingen leer je niet op school. Ik geloof dat ze komen van de almachtige God." En dat waren drie vooraanstaande artsen in Louisville, de besten die ze hadden. En ik was daar dus zo blij over en om te weten dat de Here me daar misschien wat zaad liet planten.

12 Elke verpleegster, sprak met hen. Zij... Op een morgen, toen ik uit de röntgenkamer kwam, zei ik tegen de... Ik keek naar een arme, oude vrouw; ze was zo ziekelijk. En ik bleef lager en lager gaan tot ik bij haar kwam. Ik dacht dat ze misschien op sterven lag en ik zei: "Ik wil u een vraag stellen, zuster."

     Ze zei: "Ja meneer?"

     Ik zei: "Bent u een Christen?"

     En ze zei: "Ik behoor tot een bepaalde kerk."

13 En ik zei: "Ik wil dat even een beetje duidelijker maken." Ik zei: "Ik wil weten of u een Christen bent, echt een Christen. Dat als u deze levenszee zou oversteken naar het andere land, houdt u dan van Hem?" Ik zei: "Zou u werkelijk gered zijn?"

     En ze zei: "Jazeker, dat zou ik."

14 En ik zei: "God zegene uw hart dan. Het geeft niet uit welke hoek de wind waait, dan bent u in orde. Zolang als het zo gaat."

15 En als wij gewoon rondgaan, zijn er zo nog vele fijne mensen over in de wereld.

16 Nu, vandaag ben ik binnengekomen met een visioen, dat ik u straks zal vertellen. En ik zou eerst over iets van het Woord willen spreken, omdat ik geloof dat het Woord erg belangrijk is – het allerbelangrijkste nu. En ik ben blij Charlie Cox te zien en broeder... mijn vriend die daar staat, samen. Broeder... ik kan niet... Jefferies (ik kan niet op zijn naam komen); velen van u, andere dierbare broeders uit Georgia, van verschillende delen van het land. Mijn oude kameraad, Bill, die hier zit (geloof ik) deze morgen, en velen. En de broeder daar uit Georgia, de mensen die mij dit pak gaven. Weet u, dat is één van de beste pakken die ik ooit droeg. Het voelt gewoon zo goed aan, werkelijk erg fijn. En u betekent zoveel voor mij. Wanneer ik u vertel wat deze laatste paar dagen met me gebeurde, zult u zien waarom ik vind dat het zoveel voor me betekent.

17 Nu, ik geloof, zo de Here wil, dat ik de strijd harder dan ooit tevoren in mijn leven wil aanbinden. Want ik ontdek nu dat het... Natuurlijk, ik zou vandaag kunnen sterven. Dat weet u niet. Mijn elektro-cardiogrammen en alles, zestien verschillende soorten röntgenfoto's, ja, een volledig lichamelijk onderzoek toonde dat ik in een... zo normaal was als welk persoon dan ook zou kunnen zijn, een menselijk wezen op aarde. Dus ik ben daar dankbaar voor. Maar alle dingen, zelfs dat alles, en zo dankbaar en vol dank aan God dat ik ben, dat ik geloof dat Hij mij nog steeds in Zijn dienst houdt, het was niet wat Hij mij slechts kort daarvoor toonde, zie, wat me gewoon zo gelukkig maakte.

18 Nu, ik denk vanavond... Vindt u het goed? [Broeder Neville zegt: "Jazeker." – Vert] Het is in orde is het niet? Onze dierbare broeder is een onzelfzuchtig mens, broeder Neville. En als iemand van u hier vorige zondag was en die geweldige boodschap hoorde die hij bracht over 'De oliekruik', het was een van de bijzonderste boodschappen die ik ooit hoorde, wat broeder Neville bracht door de Heilige Geest, afgelopen zondag, aan deze kleine kudde schapen die God heeft bijeenvergaderd.

19 En als het de Here behaagt, en in orde is met broeder Neville en de gemeente, wil ik weer spreken vanavond, en een serie beginnen van zeg maandagavond, ik bedoel zondagavond, en woensdagavond en de volgende zondag, een serie over wat ik bestudeerd heb.

20 Ik zou daar niet in het ziekenhuis hebben hoeven blijven, maar ze waren zo goed voor mij. Ze gaven me de kamer voor ongeveer een derde van de prijs. En dus nam ik gewoon mijn Bijbels, mijn boeken, en bracht het hoofdeinde van het bed omhoog tot zithouding en zat daar met mijn knieën helemaal opgetrokken en had al mijn Bijbels en dergelijke om me heen liggen. En ik had werkelijk een goede tijd, totdat ze die Castor-olie binnenbrachten. Mijn goede tijd hield daar precies op; toen was het voorbij. Maar, broeder Pat, ik was werkelijk misselijk. Dat spul kan ik gewoon niet verdragen. Maar ik had de eerste drie of vier dagen een goede tijd. Ik had een goede tijd.

21 En ik bestudeerde het boek van de Efeziërs. O, en ik geloof dat dit tezamen zetten van de gemeente, een prachtig iets is. En als u...

22 Nu, als u een gemeente hebt waar u heengaat, gaat u dan door en sta op de post van uw plicht. Maar als u geen gemeente hebt, en u zou graag vanavond terugkomen, en woensdagavond en zondagavond.

23 Ik zou vanavond het eerste hoofdstuk van Efeze willen nemen, en woensdagavond het tweede hoofdstuk van Efeze, en volgende week zondag het derde hoofdstuk van Efeze om de gemeente op orde te zetten. U weet wat ik bedoel, haar te plaatsen in haar positie, en ik geloof dat het de gemeente zal opbouwen. Ik ben niet... ik spreek dit slechts tot degenen die naar de Branham Tabernakel komen.

24 En als enigen van u dierbare broeders... ik weet dat sommigen van u, geloof ik, samenkomsten hebben. Onze kleine broeder is daar in Sellersburg, en verschillende anderen hebben samenkomsten. Nu kijk, dat zijn opwekkingssamenkomsten. Woont u die bij. Ze zijn dienstknechten van Christus, jonge mannen die op de bres staan, die eruit kwamen. Toen zelfs hun eigen kerk de Waarheid ontkende en dat soort dingen, liepen ze er regelrecht van weg. En God riep hen tot de bediening. Jazeker. Ik bewonder een man... Ik kan zelfs niet op de naam van de man komen. Maar hij is een jonge kerel; fijne, knap-uitziende man met een lieflijke vrouw en kinderen.

25 En broeder Junie Jackson heeft hier enige samenkomsten gehad, wat nog een wonderbare opmerkelijke trofee van Gods verbazingwekkende genade is. En wanneer men opwekkingsdiensten in uw kerken heeft, gaat u door met er naar toe te gaan, omdat dat uw... dat de zaak is om te doen. Want u weet het niet, er zou een zondaar naar het altaar kunnen komen, en u zou bewogen kunnen worden om die persoon tot Christus te leiden, wat voor u een grote beloning aan de andere zijde zal zijn.

26 Dit is alleen onderwijzing en de gemeente in orde stellen, hier in de Tabernakel, voorthelpend terwijl we voortgaan.

27 Nu, ik heb mijn horloge niet meegenomen, dus iemand zal voor me moeten opletten. Doc heeft me al laten zien dat hij er een heeft, dus mijn broer... [Broeder Edgar, 'Doc' Branham, zegt: "Ik zal je er niet veel voor vragen", en geeft zijn horloge aan broeder Branham. – Vert] Zul je me er niet teveel voor vragen? In orde, wel, nu, dat is goed. Welnu, ik geloof niet dat dat ding in orde is, om mee te beginnen. Dus... ["Dank je. Ik zal jou ook iets vertellen."] Nu, o, o, sh-sh-sh-sh... ["Ik hield tien penny's achter, op mijn verjaardag, vanmorgen, gewoon zodat jij je beter zou voelen."] Is dat zo? Nu, dat is... Dan is het een heel stuk beter geworden met deze klok, Doc. Hij zei dat hij tien penny's achterhield op zijn verjaardag, zodat ik me beter zou voelen, omdat er twee of drie tussen hem en mij zijn. Dus kunt u zien waar ik sta, langs de weg. Maar o, dat maakt me helemaal niets uit.

     Nu, ik zal niet erg lang spreken.

28 Nu, als er vreemdelingen in onze poorten zijn, willen we u zeker met heel ons hart welkom heten. U bent hier zeer welkom in deze kleine tabernakel. We hebben geen al te mooi gebouw. Het staat nu op het programma om voor ons te bouwen, niet een groot gebouw, maar gewoon een... Dit gebouw is tamelijk bouwvallig, en we zullen gaan proberen ons een fijne, kleine geriefelijke kerk hier te bouwen, zodra de Here ons zal toestaan om het te doen. En velen van u allen doen hier moeite voor, en we waarderen dat zeker.

29 Nu, ik wil dat u met mij opslaat deze morgen om te lezen, 1 Samuël, het achtste hoofdstuk, te beginnen met... laten we beginnen omstreeks het negentiende vers, het negentiende en twintigste vers misschien, als een kleine tekst voor het verband.

30 Terwijl u het opzoekt, en voordat we... We zullen het lezen en dan willen we gaan bidden; en zouden er vanmorgen enige verzoeken zijn, die zeggen: "Gedenk mij slechts"? In onze laatste samenkomst, twee of drie weken geleden, toen ik de samenkomst had... Zeg, wij...

31 Tussen twee haakjes, terwijl u het opslaat, de samenkomsten beginnen in Chautauqua, op de zesde. We verwachten een geweldige tijd; Middletown, Ohio. U, die uw vakantie in het vooruitzicht hebt, kom erheen. Er is een groot kamp vlak bij de rivier waar... o, alle prediking die u ooit hebt gehoord. Ze zijn overal langs de rivier, predikers, elke morgen, de hele dag en avond door. Zo hebben ze allen gezamenlijk samenkomst. Het is een groot kampeerterrein, veel groter dan 'Silver Hills', vele keren groter. En dan een grote plaats daar, waar we tussen de acht- en tienduizend mensen kunnen bergen, en het is altijd afgeladen. We hebben een geweldige tijd in Ohio.

32 En de oude broeder Kidd, voor wie ik onlangs 's morgens ging bidden. Herinnert u het zich allen dat ik het u vertelde drie weken geleden? De dokter gaf hem nog vierentwintig uur te leven. Hij is op en loopt rond. Hij haalde het Schriftgedeelte aan; een lied dat hij niet kon zingen. En toen ik binnenging en naar hem keek onlangs 's morgens en die kleine shawl over zich heen... Ik ging hier ongeveer drie of vier uur voor het daglicht weg, zodat ik bij hem kon komen. Men zei dat hij die dag zou sterven; prostaatkanker.

33 En zijn dierbare kleine, oude vrouw waste voor vijftig cent per dag. En dat betekende van voor zonsopgang tot na zonsondergang voor vijftig cent, om haar man op het veld te houden als prediker. Predikte opwekkingssamenkomsten gedurende twee weken, haalde een collecte op en kreeg tachtig cent.

34 Maar ik zag ze daar onlangs 's morgens zitten, die twee oude paartjes, een paartje, liever gezegd, daar zittend, met zijn kleine shawl over zijn schouder; en één van zijn bekeerlingen, tweeënnegentig jaar oud, en net zo helder en opgewekt en Pinksteren tot in de pit, en daar zat hij, weet u.

     En ik zei: "Weet u, waarvoor u, oude mensen, hier zit?"

     "Gewoon wachten tot de boot komt." Dat is alles. Hun werk, alles wat ze hebben bereikt; hun doel hebben ze bereikt en ze zijn nu gereed om naar hun beloning te gaan.

35 En ik zei die morgen tegen broeder Shev, of tot broeder Kidson... Kidd: "U zult op de Chautauqua samenkomst zijn."

36 Hij belde me gisteren op en zei: "Ik zal er zijn, broeder Branham." Gewoon fijn.

37 Velen van de samenkomst van mijn nieuwe bediening komen binnen. Een broeder, Baptistenbroeder, die hier stond, zijn dochter, een tiener, was een beetje weerspannig geweest. En ik vertelde hem onlangs 's morgens: "Ik geef u uw dochter voor de Here Jezus", en toen hij naar huis ging was ze gered, en de andere hier deze morgen om te worden gedoopt, en zo doorgaand.

38 En een man, meneer Sothmann, een vriend van mij uit Canada, zijn schoonmoeder in een stervende toestand; ik zei: "U zult uw schoonmoeder, wanneer u daar aankomt, gezond vinden, op weg naar haar herstel en in orde." Dat is precies zoals het was. En precies... mensen komen gewoon binnen. Het is nu nog maar in zijn kinderschoenen, in beweging. Maar o, wij verwachten het buitengewone, overvloedige boven alles. We zijn in de boze en laatste dagen, maar in een heerlijk uur.

39 Nu, hebt u uw Bijbel voor het lezen? Het achtste hoofdstuk van Samuël. En ik beloofde Gene daar achter te blijven om de rest hiervan op te nemen. We waren nog maar aan het beginnen in onze samenkomst.

     Doch het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: Neen, maar er zal een koning over ons zijn.
     En wij zullen ook zijn gelijk al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren.
     Toen Samuël al de woorden van het volk gehoord had, zo sprak hij die voor de oren des HEEREN.
     De HEERE nu zeide tot Samuël: Hoor naar hun stem, en stel hun een koning. Toen zeide Samuël tot de mannen van Israël: Gaat heen, een ieder naar zijn stad.

40 Nu, als ik zou proberen om hieruit vanmorgen te kiezen wat ik een tekst zou willen noemen voor de volgende paar minuten, zou ik graag de tekst willen kiezen van: De verworpen Koning.

41 Het was een tijd waarin de mensen, zoals in alle tijden, nooit hebben gewild dat God hen leidde. Zij willen hun eigen wijze van leiderschap. En deze geschiedenis deze morgen... en wanneer u naar uw huis gaat, zou het goed voor u zijn om het helemaal door te lezen. Het was gedurende de tijd van de dagen van Samuël, de man Gods, de profeet. En hij was een rechtvaardige man geweest en een goede man, eerbaar, met een goede reputatie, waarachtig en eerlijk met de mensen, misleidde hen nooit en vertelde hun niets dan rechtuit: "ZO SPREEKT DE HERE."

42 Maar de mensen waren tot een toestand gekomen dat ze dit programma wilden veranderen. Ze hadden gekeken naar de Filistijnen en de Amalekieten, Amorieten, Hethieten en de andere naties van de wereld. En zij hadden gezien dat zij koningen hadden die hen regeerden, hen bestuurden, hen leidden, hun krijgen vochten, enzovoort. En het scheen dat Israël zich dit ten voorbeeld nam, om te doen zoals deze koningen en zoals deze volken.

43 Maar het is nooit, in geen enkel tijdperk, Gods bedoeling voor Zijn volk geweest om te handelen zoals de mensen van de wereld, of geregeerd te worden, of geleid, zoals de volken van de wereld. Gods volk is altijd een bijzonder volk geweest, een volk dat anders is, eruitgeroepen, afgescheiden en totaal anders in hun handelen, in hun wegen, in hun manier van leven, dan de volken van de wereld. Hun smaak voor dingen en alles hoe ze in elkaar steken, is altijd tegengesteld geweest aan de dingen die de mensen van de wereld wensen.

44 En het volk van Israël kwam tot Samuël en zei: "Nu, u bent oud aan het worden en uw zonen wandelen niet in uw weg." Omdat ze niet trouw waren zoals Samuël. Ze waren corrupt en namen geld aan. En ze zeiden: "Samuël, uw zonen zijn niet zoals u, dus willen we dat u voor ons een koning gaat zoeken en hem zalft, en ons een volk maakt zoals de rest van de volken van de wereld."

45 En Samuël probeerde hun te vertellen dat dit niet zou werken. Hij zei: "Als u dat doet, zult u er spoedig achter komen dat hij al uw zonen van uw huis zal wegroepen om soldaten van hen te maken, om voor zijn strijdwagen uit te lopen en wapens en speren te dragen. Niet alleen dat, maar hij zal uw dochters oproepen om broodbaksters te zijn en ze van u wegnemen om het leger te voeden. En", zei hij, "afgezien van dat alles, zal hij bepaalde belastingen van u heffen, van uw graan, en al uw inkomen. Hij zal dat allemaal belasten terwille van bepaalde staatsschulden en dergelijke, die betaald zullen moeten worden." Hij zei: "Ik geloof dat u alles bij elkaar genomen een fout maakt." Maar wanneer...

46 Het volk zei: "Maar we willen toch zijn zoals de rest van de mensen." Er is iets met mannen en vrouwen dat ze aan elkaar gelijk willen zijn. En er is slechts één Man geweest Die ooit op aarde leefde Die ons Voorbeeld was, en dat was Degene Die voor ons allen stierf, onze Heer en Redder, Jezus Christus. Hij was het volmaakte Voorbeeld van wat wij behoorden te zijn, altijd in de dingen des Vaders en datgene doende wat juist is.

47 En ongeacht hoezeer Samuël probeerde het volk te overtuigen, voortdurend gingen ze achter hem aan, dag en nacht: "We willen een koning. We willen een man. We willen een man van wie wij kunnen zeggen: 'Dit is onze gids.'"

48 En dat is nooit de wil van God geweest. Het was nooit de wil van God, of het zal nooit de wil van God zijn, dat de mensen over elkaar heersen. God regeert over de mens. God is onze Wetgever, onze Koning.

49 En het loopt heel, heel erg parallel met vandaag, omdat de mens datzelfde idee schijnt te hebben. Ze schijnen niet in staat te zijn te vatten dat God nog steeds de mens regeert, in plaats van dat de mens de mens regeert.

50 Dus kozen ze zich een man genaamd Saul, die de zoon was van Kis. En hij was een goed bekendstaand man, een eerbaar man. Maar hij was precies wat de mensen wilden, omdat hij een grote, lange, edele mannelijke gestalte had. De Schrift zei dat hij met hoofd en schouders boven elke man in Israël uitstak. Hij zag er koninklijk uit, en hij was knap van uiterlijk. Hij was een briljant en buitengewoon man.

51 Nu, dat is het soort man dat de mensen vandaag graag kiezen. De mensen schijnen niet bevredigd te zijn met de wijze waarop God Zijn gemeente instelde, om te worden bestuurd en geleid door de Heilige Geest. Zij willen iemand, de een of andere man, het een of andere kerkgenootschap, een paar bepaalde mensen, om de kerk te besturen, omdat ze niet in staat zijn om zich volledig in Gods handen te werpen om geestelijk te zijn, om te worden geleid door de Heilige Geest. Zij willen iemand die hun godsdienst voor hen doet, iemand die hun precies zal vertellen hoe het moet en alles erover.

52 Dus deze man scheen precies op de plaats te passen, omdat hij een erg intellectuele man was.

53 En dat lijkt een heleboel op vandaag. Wij houden er ook van om zulke mensen te kiezen, om onze kerken te leiden, om de kerk van God te leiden. Niets wat ik er tegen heb te zeggen, maar slechts enkel en alleen om vast te stellen, dat het niet is, het niet was, en het nooit de wil van God zal zijn dat zoiets er is. God behoort Zijn volk te besturen, om ieder persoonlijk te leiden.

54 Dan ontdekken we dat deze zoon van Kis – groot man, en zijn gestalte, en zijn... Hij scheen het volk aan te staan, dat zijn mantel om hem groots zou lijken, en dat de kroon op zijn hoofd, ver boven al de andere mensen als hij liep, een werkelijke aanwinst zou zijn voor het koninkrijk van Israël. Want de andere koningen van de andere naties zouden denken: "Kijk, wat een man!" Hoe zouden ze met hun vinger kunnen wijzen en zeggen: "Kijk eens hier wat een groot koning wij hebben! Kijk wat een groot man boven ons staat!"

55 Het is droevig om te zeggen, maar hoe waar is dit vandaag met de kerk. Zij houden ervan om te zeggen: "Onze herder is geen bekrompen man; hij is een groot man. Hij is een afgestuurde van Hartford of een of andere grote theologische school. Hij heeft vier graden uit zus-en-zo'n plaats, en hij kan zich erg goed onder de mensen begeven." Dat alles mag in orde zijn en z'n plaats hebben, maar Gods manier voor Zijn gemeente is om te worden geleid door de Heilige Geest en door Zijn Geest.

56 Maar zij houden ervan te zeggen: "Wij hebben dit grote kerkgenootschap waartoe we behoren. We zijn destijds in de vroege pioniersdagen begonnen, toen we in de minderheid waren, met slechts erg weinig mensen en klein. En nu zijn we uitgegroeid tot het punt dat we bij de grootste kerkgenootschappen behoren die er zijn. Wij hebben de beste scholen en de best opgeleide predikers. We hebben de best-geklede groepen, en de meest intellectuele mensen van de stad gaan naar ons kerkgenootschap. En we geven aan liefdadigheid, en we doen goede daden en al zulke dingen." En helemaal niets – God verhoede het dat ik één woord daar tegen zou spreken, want dat is allemaal goed.

57 Maar toch is het niet de wil van God dat de mens zou heersen over de mens. God zond op de dag van Pinksteren de Heilige Geest om te heersen in de harten der mensen en te regeren in hun leven. Het was niet de bedoeling dat de mens over de mens zou heersen.

58 Maar wij houden ervan dat te zeggen. Het is iets heel bijzonders wanneer we kunnen zeggen dat we tot zo'n grote organisatie behoren.

59 "Bent u een Christen?" Zo kwam ik op deze tekst terecht, toen ik in het ziekenhuis was. En ik vroeg iemand: "Bent u een Christen?"

     "Ik hoor daar-en-daar bij."

     "Bent u een Christen?"

     "Ik hoor daar-en-daar bij."

60 En een verpleegstertje kwam naar het bed waar ik de Bijbel aan het lezen was, en zij was een nieuwe verpleegster op de zaal, en ze vroeg: "Hoe maakt u het?" Ze zei: "Ik geloof dat u de eerwaarde heer Branham bent, die hier is voor een lichamelijke controle."

     Ik zei: "Dat ben ik."

61 En ze zei: "Mag ik uw rug inwrijven met alcohol om u zich een beetje beter te laten voelen?"

     En ik zei: "U kunt dat doen."

62 En terwijl ze op mijn rug aan het wrijven was, zei ze: "Tot welke kerkdenominatie behoort u?"

63 En ik zei: "O, ik behoor tot de oudste denominatie die er is."

     En ze zei: "Welke denominatie is dat?"

64 Ik zei: "Diegene, die werd georganiseerd voordat de wereld ooit werd georganiseerd."

65 En... "O," zei ze, "wat? Ik geloof niet dat ik die ken." Ze zei: "Ik hoor bij die-en-die kerk. Is het die organisatie?"

66 Ik zei: "Nee, mevrouw. Dat was pas ongeveer tweehonderd jaar geleden, die organisatie. Maar deze organisatie begon toen de morgensterren samen zongen en de zonen Gods jubelden van vreugde, toen zij de komst van de Redder zagen om het mensdom te verlossen."

67 En ze hield gewoon op met mijn rug te wrijven, en ik was een beetje deze kant opgeleund, zodat de dame kon wrijven (en ze kwam van vlakbij Corydon, hier ten zuiden) en we kwamen aan de praat en ze zei: "Meneer, ik heb altijd geloofd dat als God ooit God was, dat Hij nog steeds God is vandaag net zoals Hij was in de dagen van ouds." Ze zei: "Hoewel mijn kerk dat ronduit ontkent, geloof ik echter dat het de Waarheid is."

68 En ik zei: "U bent niet ver van het Koninkrijk Gods, jonge vrouw."

     Ze zei: "Als Hij ooit een Genezer was, is Hij niet nog steeds een Genezer?"

     Ik zei: "Dat is Hij zo zeker als het maar kan, mijn zuster."

69 Maar de mens wil besturen en regeren over de mens, en de mens wil dat de mens over hem heerst. Hij wil God niet laten regeren.

70 Dus deze zoon van Kis (Saul geheten), was precies het antwoord op wat ze hadden gewenst, de grote statige man. En de... o, hij kon ze gewoon leiden naar hun veldslagen, enzovoort. Toch was het niet Gods wijze om de dingen te doen. God wilde dat Zijn getrouwe, oude profeet hen leidde en Zijn Woorden tot hen sprak.

71 Nu, vandaag, in ons geweldige gemeentetijdperk waar we in leven, zijn we, denk ik en ik geloof dit met mijn hele hart, precies de tegenovergestelde kant opgegaan van wat God ons opdroeg te doen. De laatste woorden van onze Verlosser waren in Markus 16, waar staat:

     ... Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.
     Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
     En hen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.
     Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.

72 Er is geen mens; er is geen zoon van Kis, of iemand anders die dit kan voortbrengen buiten het leiderschap van de Heilige Geest. Maar wij hebben scholen gemaakt; we hebben seminaries opgericht en organisaties gemaakt om ons te bevredigen en eruit te zien als de rest van de wereld.

73 Nu, de Heilige Geest was vroeger de Leider in dit land. Dit land werd aanvankelijk geregeerd, destijds, toen men de onafhankelijkheidsverklaring opschreef... En er stond daar een extra stoel. Er is geen spoor van twijfel in mijn gedachten dan dat de Zoon van God aan die tafel zat, toen dit land werd gesticht op de principes van vrijheid van godsdienst, en vrijheid voor allen, en op de basis van Gods eeuwige Woord.

74 Maar wij hebben dat bedorven – politiek. Wij hebben daar mannen in gekozen met omkoperij en valse beloften, totdat ons land en onze politiek, en onze democratie zo bedorven is, dat het verweven is met communisme en allerlei 'ismen'.

75 En vaak vragen we bij de opening van de zittingen om gebed, wanneer de Volkenbond daarbinnen samenkomt om besprekingen te voeren. En op een bepaald belangrijk moment onlangs, werd er zelfs niet één keer om gebed gevraagd! Hoe zullen we ooit geschillen oplossen zonder gebed? Hoe kunnen we ooit ter wereld verwachten ooit iets te doen zonder het leiderschap van de Heilige Geest?

76 Maar laat me dit zeggen met liefde en respect voor ons land en voor haar vlag, en voor de republiek waarvoor ze staat: we hebben onze Leider verworpen, de Heilige Geest, en hebben door bedorven politiek mannen met een bedorven geest binnengebracht. En als u niet oplet, zullen ze een van de fataalste fouten gaan maken op ditzelfde ogenblik die ze ooit hebben gemaakt: omdat de mensen willen dat de mens regeert.

77 Wat wij nodig hebben in de hoofdstad van deze Verenigde Staten als president, wat wij nodig hebben in het congres; wat wij nodig hebben in onze rechtbanken, zijn mannen die hun leven aan God hebben toegewijd en vervuld zijn met de Heilige Geest en worden geleid door Zijn Goddelijke leiding. Maar in plaats daarvan kiezen we intellectuele mensen, mensen die vormen van godsvrucht hebben en de kracht van God ontkennen; mannen die atheïsten zijn en soms zelfs slechter dan dat, hebben we in onze politieke kringen van ons land gebracht.

78 Niet alleen dat, maar in onze kerken. Onze kerken zijn bedorven op grond waarvan we, bij het kiezen van de herders om ons te leiden, naar de bijbelscholen zijn gegaan, en mannen hebben uitgekozen die grote intellectuele reuzen zijn; mannen die erg briljant van verstand zijn, mannen die geleerd zijn en geweldig met de mensen kunnen omgaan en grote mannen zijn in de omgeving, waar ik niets op tegen heb; mannen die vriendelijk zijn in hun manier van optreden, zorgvuldig in hun levenswijze en in hoe ze zichzelf gedragen onder andere mannen en onder de mensen; grote mannen op hun gebied, waar ik geen kwaad van spreek. God verhoede dat mijn geest ooit zo slecht zou zijn. Maar toch is dat niet wat God voor ons koos!

79 Het is het leiderschap van de Heilige Geest – Christus in het hart van de mens. Veel van die intellectuele mannen die op onze preekstoel staan ontkennen het werkelijke bestaan van de Heilige Geest. Velen van hen ontkennen het bestaan van Goddelijke genezing en de kracht van de Geest.

80 Ik was een artikel aan het lezen (gisteren was het geloof ik), een serie krantenknipsels van Jack Coe, wijlen Jack Coe, een van mijn bekeerlingen tot de Here Jezus, die een machtig en moedig man was in zijn dagen, en hij werd ter verantwoording geroepen in Florida, vanwege het vragen aan een jong kind om zijn beugels van zijn benen af te doen en over het podium te lopen. En dit zo doende, liep het kind normaal dwars over het podium en viel toen het bij zijn moeder kwam – dit was alles opgezet door de vijand van Christus. Deze jonge vrouw en haar man brachten onze dappere broeder voor de rechtbanken van het land.

81 En terwijl elke kerk broeder Jack terzijde had behoren te staan, terwijl elk kerkmens die de Naam van Jezus Christus noemt moedig aan zijn zijde had behoren te staan; elk mens die de Naam van de Here Jezus aanroept zou op de knieën gevallen moeten zijn in gebed, maar in plaats daarvan stond in de krantenkoppen, zei een van onze grote denominaties, dat ze de handen ineen sloegen met de atheïsten om broeder Jack Coe te veroordelen en op te sluiten. Zou u zich een kerk kunnen voorstellen die zichzelf noemt met de Naam van Christus, die de handen ineen zou slaan met een atheïst om een godvrezend man te veroordelen, die probeerde om met heel zijn hart stand te houden voor de Bijbel? Maar ze deden het. En toen kwam broeder Gordon Lindsay te hulp.

82 En toen de ongelovige rechter zei: "Deze man is een bedrieger, omdat hij de beugels van dat kind afnam en hem dwars over het podium liet lopen en zei dat hij genezen was, en hij loog en hij deed iets wat tegen de voorschriften van de dokter was; daarom wordt er een aanklacht wegens bedrog tegen hem ingediend."

83 En meneer Coe stond op en hij zei: "Meneer, ik vecht die bewering aan. God genas de jongen."

84 En de rechter zei: "Ik wil iedereen in deze rechtszaal vragen of die bewering waar zou kunnen zijn dat God die jongen aan het ene eind van het podium zou kunnen genezen, om hem aan het andere eind weer ziek te laten zijn. Als die bewering kan worden bewezen door de Bijbel, dan zeg ik dat meneer Coe het recht heeft op zijn verklaring."

85 En een prediker stak zijn hand op en zei: "Edelachtbare, mag ik het bevestigen?"

     En de rechter zei: "Bevestig maar."

86 En de prediker ging staan en zei: "Op een nacht op een woelige zee, toen een klein schip op het punt stond naar de bodem te zinken; alle hoop om gered te worden was verloren, zagen ze Jezus, de Zoon van God, komen aanlopen op het water. En een van de apostelen, Petrus genaamd, zei: 'Indien Gij het zijt, Here, vraag mij tot U te komen op het water.' De Here zei tot de apostel Petrus: 'Kom.' En hij stapte uit de boot, meneer, en wandelde net zo goed op het water als Jezus. Maar toen hij bang werd, begon hij te zinken vóór hij bij Jezus kwam."

     Toen zei de rechter: "De zaak is afgewezen."

     Wij hebben Heilige Geest leiderschap nodig, niet intellectuele mannen.

87 Saul, de zoon van Kis, werd toen leidsman over het volk gemaakt. En hij nam tweeduizend man en Jonathan nam er duizend. En Jonathan ging naar een garnizoen en versloeg een stel Amorieten, Ammonieten liever gezegd. En toen hij hen had verslagen liet Saul een bazuin klinken en zei: "U ziet wat Saul heeft gedaan." En hij begon opgeblazen te worden.

88 Zo gauw als een mens ertoe komt de een of andere grote doctor in de Godgeleerdheid te zijn of een klein iets achter zijn naam krijgt, wordt hij min of meer een 'weet-al'.

89 Gods mannen zijn nederige mannen. Gods mensen zijn nederige mensen. Wanneer u iemand ziet die zegt dat ze de Heilige Geest hebben ontvangen en ze beginnen zichzelf af te scheiden, schijnbaar het geloof niet hebbend, rondgaand, proberend iets te zijn wat ze niet zijn, bedenk dan slechts dat zij de Here Jezus niet hebben ontvangen.

90 Dan zien we dat de vijand binnenkwam, en hij zou komen bij een kleine groep van Gods volk om het rechteroog van elke man uit te rukken.

91 Dat is wat de vijand altijd probeert te doen, om u beide ogen uit te rukken als hij kan, zodat de mensen niet kunnen zien wat ze aan het doen zijn. Dat is wat Satan vandaag probeert te doen bij elke Christen: zijn geestelijk gezichtsvermogen uitrukken, zodat hij alleen de intellectuele zin van de dingen kan volgen en niet het besef heeft dat de Heilige Geest hem leidt.

92 Dus toen ze dat deden, toen de grote nederlaag kwam, toen slachtte Saul twee grote ossen en zond die tot heel het volk. En ik wil dat u hier opmerkt, dat toen Saul de stukken van de os naar heel Israël stuurde, hij zei: "Laat elke man die niet Samuël en Saul wil volgen, laat hem zijn als deze os." Ziet u hoe misleidend hij probeerde zichzelf voor te stellen met de man Gods? Wat was het onchristelijk. De vreze van het volk was vanwege Samuël. Maar Saul kreeg ze er allen toe om hem te volgen, omdat de mensen Samuël vreesden. "Laat ze achter Samuël en Saul komen."

93 En hoevele keren hebben we het vandaag gehoord: "Wij zijn de grote kerk"; "Wij zijn de kerk van Christus"; "Wij zijn de kerk van God"; "Wij zijn de zus-en-zo." Het maakt dat de mensen een vrees krijgen en denken dat dit werkelijk is waar God werkt. En ze willen het leiderschap van de Heilige Geest niet; ze volgen liever dat soort mensen omdat ze graag hun eigen individuele leven leven. Zij houden ervan te geloven wat ze wensen te geloven.

94 Ziet u het? De Heilige Geest is onze Rechter! God gaf ons nooit een paus, of een bisschop, of iemand om rechter te zijn. De Heilige Geest, de Persoon van God in de vorm van de Heilige Geest is onze Rechter en onze Gids. Nu, waarom is dat?

95 Vergeeft u mij alstublieft deze ruwe en rauwe uitdrukking. Ik bedoel niet gemeen te zijn; ik zeg het uit liefde.

96 Maar de Heilige Geest zegt dat het verkeerd is dat onze vrouwen hun haar knippen, en het is fout als onze vrouwen kleine korte broekjes dragen en lange broeken en hun lippen en gezicht opmaken met verf; de Heilige Geest zegt dat het fout is.

97 Maar wij willen mannen die ons vertellen dat het in orde is! "Zolang we maar mij en Samuël volgen." Ze houden ervan om zes dagen lang te leven op elke manier die ze maar willen, en op zondagmorgen naar de kerk te gaan. En een fijne intellectuele afgestudeerde van de universiteit met meer dan genoeg graden kan een kleine prediking tot ze spreken met een paar grappen die hun oren zullen strelen en hun wat amusement geeft, zoals het een of andere film- of televisie-programma, en men spreekt een klein gebed over hen uit, en zendt ze naar huis met een soort zelfgenoegzame zekerheid dat ze hun godsdienst hebben gedaan. Dat is niet de wil van de Heilige Geest.

98 De Heilige Geest wil dat u godvruchtig leeft, elke dag en elke nacht in de week, uzelf afscheidend van de dingen van de wereld.

99 Maar de kerk wil dat niet. Zij willen iemand die de Bijbel kan uitleggen op de manier waarop zij het willen horen. Zij willen niet luisteren naar de stem van de Heilige Geest, die spreekt door de Bijbel. Velen van hen willen zeggen: "De dagen van wonderen zijn voorbij." Dat is wat de mensen streelt. Ze willen zeggen: "Er bestaat geen doop van de Heilige Geest." De mensen willen helemaal niet anders handelen dan de rest van de wereld. Zij willen niet de straat opgaan met hun gezicht gewassen, en de mannen met een net voorkomen en geen sigaretten in hun mond, en sigaren, en pijpen, en de dingen die mannen doen; en de vrouwen willen hun haar heel kort geknipt hebben en korte jurkjes aan, die hun vormen tonen en zo, wat zij willen... Ze willen mannen die hun zeggen dat dit in orde is.

100 Onlangs 's avonds kwam hier een man mij vertellen dat, omdat ik tegen zoiets had gepredikt, een groot kerkgenootschap, ongeveer vijf, zeiden: "We zullen broeder Branham laten vallen en niets meer met hem te maken hebben. U zult òf die geluidsbanden herroepen en uw verontschuldigingen daarvoor aanbieden, òf we zullen u laten vallen."

101 Ik zei: "Ik zal standhouden bij Gods Woord. Al neemt u alles wat in mijn leven is, ik zal bij het Woord blijven. En ik..."

     Ze zeiden: "Wel, zou u niet die-en-die geluidsband behoren te herroepen?"

102 Ik zei: "Ik heb nooit iets in mijn leven gepredikt waarvoor ik me schaamde. Ik zal geen banden herroepen, of opnamen. Ik zal blijven bij wat de Heilige Geest zegt. Daar zal ik bij leven en bij sterven." Ik probeer niet over mijzelf te spreken nu, maar ik probeer u gewoon een illustratie te geven van wat er gaande is, zodat u het zult zien en begrijpen. Het is dat de mensen willen worden geleid door de mens.

103 Zij wilden Samuël niet. Toen voor de gezalfde koning Samuël, of koning Saul, neemt u mij niet kwalijk. Samuël kwam weer tot hen. En ik zal precies in een taal spreken zoals hij het vandaag zou hebben gezegd. U mag het lezen.

     Hij zei: "Wat is er mee aan de hand, dat God uw Koning is?"

     "Wel, we zien God niet."

104 "Wel, ik ben Zijn vertegenwoordiger." Samuël zei: "Heb ik ooit iets verkeerds verteld? Heb ik ooit iets geprofeteerd, dat niet precies kwam te gebeuren zoals ik zei dat het zou gebeuren? Heb ik u niet het Woord des Heren gezegd? En ik zal u dit vragen: Ben ik ooit tot u gekomen en heb ik om iets van uw geld gevraagd? Heb ik ooit iets van u genomen? Heb ik u ooit iets anders gebracht dan rechtstreeks: 'ZO SPREEKT DE HERE'? En God heeft elke keer betuigd dat het de Waarheid was." En Hij zond een onweersbui en regen (u kent het Schriftgedeelte daar precies), om te bewijzen dat Samuël Gods spreekbuis was.

105 En zoals Samuël volmaakt de Heilige Geest vandaag voorstelde. De Heilige Geest is Gods spreekbuis, Die helemaal precies spreekt wat de Bijbel zei, Die precies gelooft wat de Bijbel zei, en er niet één stukje van zal afwijken.

106 Maar ze wilden iemand die het hun anders kon vertellen. En de mensen konden niet zeggen dat de profetie van Samuël niet volmaakt was. Ze antwoordden en zeiden: "Samuël, alles wat gij hebt gesproken in de Naam van de Here, heeft de Here doen geschieden precies zoals u zei. Er is niet één zwakke plek. U bent nooit tot ons gekomen om geld van ons te bedelen. U hebt uzelf onderhouden. U hebt ons nooit gevraagd om enig groot buitengewoon iets voor u te doen. U hebt op uw God vertrouwd en Hij heeft u uit alle dingen bevrijd. En uw woorden zijn waar. Alles wat u sprak in de Naam van de Here is precies geweest zoals u zei, maar toch willen we een koning!"

107 Kunt u de tegenstrijdigheid zien? Kunt u zien hoe de sluwheid van de duivel kan werken aan een menselijk wezen? In plaats van zichzelf toe te wijden, hij of zij, aan de Heilige Geest en te luisteren naar wat 'ZO SPREEKT DE HERE' is, voor een zuiver leven, een onbesmet karakter, voor een ander leven, een uitzonderlijk volk, een heilige natie, een vreemd handelend volk, wilden ze liever overeenstemming met de wereld, wilden ze handelen als de wereld en naar de een of andere kerk gaan die zegt: "Dat is in orde; handel gewoon zo en ga door."

108 Kunt u zien wat het is? Ze zeggen: "Er bestaat niet zoiets als genezing. O, de doop van de Heilige Geest was het steigerwerk voor de kerk." Met andere woorden, God heeft de mens genomen, nam de Heilige Geest uit de kerk weg en liet het kerkgenootschap het opbouwen. Nooit, nooit. Er bestaat niet zoiets. De Heilige Geest, het Woord der Waarheid, moest u leiden tot Jezus komt. Maar dat is de kant die het is opgegaan.

109 Saul kwam aan de macht. Hij kreeg een grote aanhang. O, hij had prachtige wapenrustingen; hij had zangers, hij had schilden; en hij had speren. O, hij stelde heel de rest van de naties in de schaduw. En hij bracht hen in een democratie die boven alles uitstak waar iemand ooit van had gehoord.

110 En dat is precies wat onze kerkgenootschappen en kerken vandaag hebben gedaan. Wij hebben de grootste kerkgebouwen ter wereld. Wij hebben de best geklede mensen ter wereld. Wij hebben de hoogste geleerdheid die gebracht kon worden.

111 Zoals de getrainde mannen van Saul, die die speer konden nemen en konden hanteren en manoeuvreren tot de naties hen vreesden. Ze waren een getraind volk en alles. Maar op een dag kwam er een tijd dat er een uitdager verscheen. En het bracht het hele Israëlische leger in zo'n opwinding, dat ze stonden te trillen op hun benen. Goliath daagde hen uit: "Als uw God is wat u zegt dat Hij is; u bent de best getrainden", en hij daagde hen uit. Ze wisten niet wat te doen. Hun fijne opgepoetste wapenrustingen zouden niet werken. Hun speren zouden niet werken. Er was iets waarvan ze tevoren niet gehoord hadden, wat er plaats vond.

112 En met alle eerbied en goddelijk respect en eer en waardigheid en liefde, en Christelijke gemeenschap, zeg ik dit. Ik las onlangs in een Afrikaanse krant, waar onze zoon van Kis, onze Evangelie-uitdager, toen een Mohammedaan hem uitdaagde, Billy Graham, en zei: "Als uw god God is, laat Hem de zieken genezen zoals Hij zei dat Hij zou doen!" En de zoon van Kis, met de rest van het leger, hielden zich stil en verlieten verslagen het land. Het is een schande. Onze God is God!

113 Wij hebben onze goede kerken; wij hebben onze fijne evangelisatie; wij hebben onze betaalde zangers; wij hebben de beste koren, de hoogste kerktorens in het land; wij hebben de fijnste mannen, sommigen met het meeste geld. Wij hebben het intellectuele; wij hebben theologie tot in de puntjes; wij kunnen het prediken; wij kunnen het vertellen; wij kunnen evangeliseren en mensen binnenbrengen en elk jaar miljoenen bekeerlingen de kerk binnenhalen. [Leeg gedeelte op de band – Vert] Onze betaalde zangers, onze intellectuele evangelisatie weet niet hoe men op zo'n uitdaging in moet gaan. Ze weten er niets over. Ze weten niets van Zijn genezende kracht, van de doop van de Heilige Geest, van een kracht die een schim van een man kan nemen, die stervende is aan kanker, en hem vrijmaken. Zij weten er niets over. Zij zijn niet getraind op dat gebied, zoals Saul en zijn mensengemaakte groep.

114 Maar laat mij tot het volk van God en tot u kinderen zeggen, opdat u zou mogen weten dat God u nooit zonder een getuige laat.

115 Het was Saul niet bekend; Saul wist er niets over. Maar God had een kleine David achter de hand, over de heuvels ergens, die de schapen niet met kerkelijk onkruid voedde. Hij leidde ze langs stille wateren en in groene weiden! Hij lette op zijn vaders schapen, en als er iets op in kwam lopen (een vijand) om een van zijn vaders schapen te grijpen, dan kende hij de kracht van God om dat schaap te bevrijden!

116 God heeft nog steeds ergens een David, die weet wat het betekent om een van Gods schapen te bevrijden door de kracht van God. Hij weet er nog steeds alles van.

117 Hij had vertrouwd... Hij wist niets over Sauls wapenrusting en evenmin wilde hij er iets van. Hij wilde geen van hun kerkgenootschappen, hij wilde die oude wapenrusting niet op zich hebben. Hij zei: "Ik weet er niets vanaf! Maar laat mij gaan in de kracht die ik ken." Hij had zijn vaders schapen gevoed. Hij had voor de weiden gezorgd. Hij had hun het juiste soort voedsel gegeven, en ze leefden en gedijden.

118 "De mens zal niet leven bij brood alleen, maar bij elk Woord dat de mond Gods uitgaat zal de mens leven." De trouwe herder voedt ze: "Jezus Christus, Dezelfde, gisteren, heden en in eeuwigheid." En als de vijand er een grijpt in ziekte, kent hij de kracht van God.

119 Kijk de kleine David daar staan. Hij zei: "Die kerel is een krijger van zijn geboorte af. En van zijn jeugd af heeft hij niets gekend dan een speer en een wapenrusting. Hij is goed getraind. Hij is theoloog. En jij weet er niets van."

120 Hij zei: "Dat is waar, meneer. Ik weet niets over zijn theologische training, maar er is één ding dat ik wel weet: toen er een vijand kwam om een van mijn vaders schapen te nemen, ging ik erop af met de kracht van God. Ik bevrijdde hem! Ik bracht hem veilig weer terug tot goede gezondheid. Ik bracht hem terug naar de schaduwrijke groene weiden en de stille wateren. En de God, Die de leeuw in mijn handen overleverde, die ik doodsloeg toen hij een van de lammeren nam, en Hij liet mij de beer verslaan; die God des hemels zal met mij gaan om deze onbesneden Filistijn te verslaan!" Wij hebben leiderschap van de Heilige Geest nodig. Ik ken mijn dagen niet. Niemand weet dat.

121 Onlangs 's morgens lag ik in mijn bed en ik had geslapen en ik droomde dat Jozef ziek was en ik had hem opgenomen om voor hem te bidden. En toen ik wakker werd was ik erg ontsteld. Ik zei: "Wel, misschien zal Jozef ziek gaan worden."

122 En ik keek, voor mij uitgaande, in een kleine, donkere schaduw, liever gezegd van een bruinachtige kleur, en het scheen alsof ik het was. En ik lette erop. En er achteraan kwam Iemand in het wit en dat was Hij. Ik keek in de richting van mijn vrouw om te zien of ze wakker was zodat ik het haar kon laten zien; zodat zij het visioen kon zien. Maar ze sliep.

123 Ik zei: "O, het spijt mij, Here, maar dat is mijn leven geweest. U moest mij voortdrijven tot alles wat ik heb gedaan. Elke keer dat er iets zou gebeuren, geloof ik dat U het was Die het deed, en ik besef dat het Satan was die probeerde me ervan weg te houden." Ik zei: "Als U mij slechts kon leiden." En toen ik keek zag ik het innemendste gelaat dat ik ooit van een mens zag. Hij stond voor mij en keek om. Hij hief Zijn hand op en pakte de mijne vast en begon deze kant op te gaan. Het visioen verliet mij. Afgelopen zondagochtend werd ik vroeg wakker. Dat was op zaterdag, dit visioen.

124 Ik ben altijd bezorgd geweest. Ik heb altijd aan sterven gedacht. Ik, die vijftig ben, mijn tijd is niet – dacht ik – niet al te lang. En ik vroeg mij af wat ik in deze theofanie, het hemelse lichaam, zou zijn. Zou het zijn dat ik mijn dierbare vrienden zou zien en, zeg, dat er een kleine witte nevel voorbij zou gaan, en ik zou zeggen: "Daar gaat broeder Neville", of hij zou niet kunnen zeggen: "Hallo, broeder Branham"? En wanneer Jezus kwam, dan zou ik weer mens zijn? Ik dacht dat dikwijls.

125 Ik droomde dat ik ginds in het westen was en ik... naar beneden komend door een kleine plek met salie-struiken, en mijn vrouw was bij mij, en we waren aan het vissen geweest op forel. Ik stopte en opende het hek, en de lucht was zo prachtig. Hij zag er niet zo uit als hier boven de vallei. Hij was blauw en mooie witte wolken. En ik zei tot mijn vrouw: "We hadden hier al een lange tijd geleden heen moeten gaan, lieveling."

     Ze zei: "Omwille van de kinderen hadden we het moeten doen, Billy."

     Ik zei: "Dat is zo..." En ik werd wakker.

126 Ik zei: "Ik droom zo veel. Ik vraag mij af waarom." En ik keek omlaag en zij lag naast mij.

127 En ik ging omhoog op mijn kussen, zoals veel van u mensen hebben gedaan. Legde mijn hoofd op de plank aan het hoofdeinde van het bed en legde mijn handen achter mij. En ik lag daar zo op deze manier en ik zei: "Wel, ik vraag me gewoon af hoe het zal zijn aan de andere zijde. Ik ben al vijftig, en ik heb nog niets gedaan. Als ik slechts iets kon doen om de Heer te helpen. Want ik weet dat ik niet sterfelijk zal zijn. Minstens de helft van mijn tijd is voorbij, of meer dan de helft. Als ik net zo oud word als mijn familie, is toch de helft van mijn tijd voorbij." En ik keek rond en ik lag daar, op het punt om op te staan. Het was omstreeks zeven uur. Ik zei: "Ik geloof dat ik naar de gemeente zal gaan vanmorgen. Als ik schor ben, zou ik graag broeder Neville horen prediken."

128 Dus ik zei: "Ben je wakker, lieveling?" En ze sliep erg vast.

129 En ik wil dat u dit niet mist. Het heeft mij veranderd. Ik kan niet dezelfde broeder Branham zijn die ik was.

130 En ik keek, en ik hoorde iets wat bleef zeggen: "U begint nog slechts. Bind de strijd aan. Blijf gewoon aanhouden."

131 Ik schudde mijn hoofd een ogenblik. Ik dacht: "Wel, ik ben waarschijnlijk zo aan het denken." Weet u, iemand kan zich wat dingen verbeelden. En ik zei: "Ik heb me dat waarschijnlijk gewoon verbeeld."

     Het zei: "Bind de strijd aan! Blijf doorgaan! Blijf doorgaan!"

132 Ik zei: "Misschien zei ìk het." En ik deed mijn lippen over mijn tanden, en deed mijn hand over mijn mond.

133 En daar kwam het opnieuw. Zei: "Blijf doorgaan. Als u slechts wist wat er aan het eind van de weg was."

134 En het scheen alsof ik Graham Snelling kon horen of iemand die dat lied zong op deze manier; ze zingen het hier, Anna Mae en u allen:

Ik heb heimwee en ben weemoedig en ik wens Jezus te zien.
Ik zou graag die lieflijke havenklokken horen luiden;
Het zou mijn pad verlichten en zou alle vrees doen verdwijnen;
Here laat mij voorbij het gordijn van de tijd kijken.

     U hebt het hier in de gemeente horen zingen.

135 En ik hoorde Iets zeggen: "Zou je graag even achter het gordijn willen kijken?"

     Ik zei: "Het zou me zoveel helpen."

136 En ik keek, en in een ogenblik, een zucht, was ik gekomen op een kleine glooiende plaats. Ik keek om en daar lag ik in het bed. En ik zei: "Dit is iets vreemds."

137 Nu, ik zou niet willen dat u dit navertelt. Dit is voor mijn gemeente, of mijn schapen waarover ik de herder ben. Of het was dat ik in dit lichaam was of erbuiten, of het een verandering was... Het was niet zoals enig visioen dat ik ooit had. Ik kon daar kijken en ik kon hier kijken.

138 En toen ik op die kleine plaats kwam; ik heb nog nooit zoveel mensen aan zien komen lopen, die schreeuwden: "O, onze dierbare broeder."

139 En ik keek, en jonge vrouwen, misschien voor in de twintig, achttien tot twintig, sloegen hun armen om me heen en riepen: "Onze dierbare broeder!"

140 Hier kwamen jonge mannen, in de schittering van jonge mannelijkheid, en hun ogen glinsterden en zagen eruit als sterren op een donkere avond, hun tanden wit als een parel en ze riepen en grepen me vast en riepen: "O, onze dierbare broeder!"

141 En ik stopte en ik keek, en ik was jong. Ik keek terug naar mijn oude lichaam dat daar lag met mijn handen achter mijn hoofd. En ik zei: "Ik begrijp dit niet."

142 En deze jonge vrouwen sloegen hun armen om me heen. Nu, ik besef dat dit een gemengd gehoor is, en ik zeg dit met de lieflijkheid en met de zachtheid van de Geest. Mannen kunnen hun arm niet om vrouwen heenslaan zonder een menselijk gevoel. Maar het was daar niet zo. Er was geen gisteren noch morgen. Ze werden niet moe. Ze waren... Ik heb nog nooit zulke mooie vrouwen gezien in heel mijn leven. Ze hadden haar, tot ver over hun middel, lange rokken tot hun voeten. En ze omhelsden me gewoon. Het was geen omhelzing zoals zelfs mijn eigen zuster die daar zit me zou omhelzen. Ze kusten mij niet, en ik kuste hen niet. Het was iets waarvoor ik de woordenschat niet heb; ik heb de woorden niet om het te zeggen. 'Volmaaktheid' zou het niet beschrijven. 'Verheven' zou er zelfs nergens aan kunnen tippen. Het was iets wat ik nooit... U moet daar gewoon zijn.

143 En ik keek deze kant op en die kant en ze kwamen bij duizenden. En ik zei: "Ik begrijp dit niet." Ik zei: "Wel, ze..."

144 En hier kwam Hope. Dat was mijn eerste vrouw. Zij liep naar mij toe en zei nooit: "Mijn man." Zij zei: "Mijn dierbare broeder." En toen ze me omhelsde, was er nog een vrouw die daar stond die mij omhelsd had, en toen omhelsde Hope deze vrouw; en iedereen... En ik dacht: "O, dit moet iets anders zijn, het kan niet... Er is iets..." Ik dacht: "O, zou ik ooit weer terug willen naar dat oude karkas?"

145 Ik keek daar rond en ik dacht: "Wat is dit?" En ik keek heel goed en ik zei: "Ik kan dit niet begrijpen." Maar Hope scheen te zijn als een... o, een eregast. Ze was niet anders, maar gewoon als een eregast.

146 En toen hoorde ik een stem die tot mij sprak die in de kamer was en zei: "Dit is wat u predikte dat de Heilige Geest was. Dit is volmaakte liefde. En niets kan hier binnenkomen zonder dat."

147 Ik ben meer vastbesloten dan ooit in mijn leven, dat er volmaakte liefde nodig is om daar binnen te gaan. Daar was geen jaloezie. Daar was geen vermoeidheid. Daar was geen dood. Ziekte kon daar nooit binnenkomen. Sterfelijkheid kon u nooit oud maken, en ze konden niet huilen. Het was gewoon een en al vreugde.

148 "O, mijn dierbare broeder." En ze namen mij op en zetten mij op een heel grote hoge plaats.

149 Ik dacht: "Ik droom niet. Ik kijk terug naar mijn lichaam dat daar op het bed ligt."

150 En men zette me daar op en ik zei: "O, ik hoorde hier niet op te zitten."

151 En hier kwamen vrouwen en mannen van beide kanten, gewoonweg in de bloei van hun jeugd, roepend. En één vrouw stond daar en ze schreeuwde: "O, mijn dierbare broeder. O, we zijn zo gelukkig u hier te zien."

     Ik zei: "Ik begrijp dit niet."

152 En toen zei die stem, die van boven mij sprak: "U weet dat er in de Bijbel geschreven staat, dat de profeten werden vergaderd met hun volk."

     En ik zei: "Ja, ik herinner me dat in de Schriften."

     Zei: "Wel, dit is wanneer u zult samenkomen met uw volk."

     Ik zei: "Dan zullen ze werkelijk zijn, en kan ik hen voelen."

     "O ja."

153 Ik zei: "Maar er zijn er miljoenen. Er zijn niet zovele Branhams."

154 En die stem zei: "Zij zijn geen Branhams, zij zijn uw bekeerlingen. Dit zijn degenen die u tot de Here hebt geleid." En zei: "Sommige van die vrouwen daar van wie u vindt dat ze zo mooi zijn, waren meer dan negentig jaar oud toen u hen tot de Heer leidde. Geen wonder dat ze roepen: 'Onze dierbare broeder.'"

155 En zij riepen allen plotseling: "Als u niet was gegaan, zouden wij hier niet zijn."

     Ik keek rond en ik dacht: "Wel, ik begrijp het niet." Ik zei: "O, waar is Jezus? Ik wil Hem zo graag zien."

156 Ze zeiden: "Nu, Hij is net wat hoger, recht omhoog, die kant op." Zei: "Op een dag zal Hij tot u komen." Zie? Zei: "U werd gezonden als leider. En God zal komen, en als Hij komt, zal Hij u eerst oordelen betreffende dat wat u hun leerde; of ze binnengaan of niet. Wij zullen binnengaan in overeenstemming met uw onderwijzing."

157 Ik zei: "O, ik ben zo blij! Moet Paulus staan op deze wijze? Moet Petrus op deze manier staan?"

     "Ja."

158 Ik zei: "Dan heb ik elk woord gepredikt dat zij predikten. Ik heb er nooit van verschild, naar geen enkele kant. Waar zij doopten in de Naam van Jezus Christus, deed ik het ook. Waar zij de doop van de Heilige Geest leerden, deed ik het ook. Wat zij ook leerden, leerde ik eveneens."

159 En die mensen riepen en zeiden: "Wij weten dat, en we weten dat we op een dag met u terug naar de aarde zullen gaan. Jezus zal komen, en u zult worden geoordeeld volgens het Woord dat u ons predikte. En dan, als u wordt aanvaard op dat moment, wat u zult worden, dan zult u ons aan Hem voorstellen als uw zegetekenen van uw bediening." Zeiden: "U zult ons naar Hem toe leiden en allemaal samen zullen we teruggaan naar de aarde om voor altijd te leven."

     Ik zei: "Moet ik nu terugkeren?"

     "Ja, maar blijf doorzetten."

160 Ik keek en ik kon de mensen zien; zover als ik maar kon kijken, nog steeds komend, die mij wilden omarmen, roepend: "Onze dierbare broeder!"

161 Op dat moment zei een stem: "Allen die u ooit hebt liefgehad en allen die u ooit liefhadden, heeft God u hier gegeven." En ik keek en hier kwam mijn oude hond aanlopen. Hier kwam mijn paard en legde zijn hoofd op mijn schouder en hinnikte. Zei: "Allen die u ooit liefhad en allen die u ooit liefhadden, God heeft hen in uw hand gegeven door uw bediening."

     En ik voelde mijzelf weggaan van die prachtige plaats.

162 En ik keek rond. Ik zei: "Ben je wakker, lieveling?" Ze sliep nog steeds.

163 En ik dacht: "O God, o help me, o God. Laat mij nooit over één woord een compromis sluiten. Laat me helemaal precies bij dat Woord blijven en het prediken. Het maakt me niet uit wat komt of gaat, wat iemand, wie dan ook, doet, hoevele Sauls of zonen van Kis er opstaan, hoeveel dit, dat, en nog wat, laat mij, Here, doordrukken tot die plaats." Alle vrees voor de dood...

164 Ik zeg dit met mijn Bijbel voor mij deze morgen. Ik heb daar een kleine jongen, vier jaar oud, die moet worden opgevoed. Ik heb een dochter van negen jaar; en een tiener waarvoor ik dankbaar ben, die de weg van de Here is opgegaan. God, laat mij leven om hen op te voeden in de vreze van God.

165 Behalve dat, schijnt de hele wereld tot me te roepen. Negentig jaar oude vrouwen en mannen en alle soorten: "Als u niet was gegaan, zouden wij hier niet zijn geweest."

166 En God, laat mij doorgaan met de strijd. Maar als het komt tot sterven, ben ik niet meer... Het zou een vreugde zijn, het zou een genoegen zijn om binnen te gaan vanuit dit bederf en deze schande.

167 Als ik ginds boven, een honderd miljard mijlen hoog, een vierkant blok kon maken, en dat is volmaakte liefde; elke stap deze kant op, wordt het smaller, totdat we komen tot waar we nu zijn. Het zou enkel een schaduw van bederf zijn. Dat kleine iets dat wij kunnen bespeuren en voelen dat er ergens iets is; we weten niet wat het is.

168 O, mijn dierbare vriend, mijn geliefden, mijn lievelingen van het Evangelie, mijn verkregen kinderen tot God, luister naar mij, uw herder. U... Ik wilde dat er een manier was waarop ik het aan u kon uitleggen. Er zijn geen woorden. Ik zou ze niet kunnen vinden. Het wordt nergens gevonden. Maar vlak achter deze laatste ademtocht ligt het allerheerlijkste wat u ooit... Er is geen wijze om het uit te leggen. Er is geen manier voor; ik kan het gewoon niet. Maar wat u ook doet, vrienden, leg al het andere opzij, totdat u volmaakte liefde krijgt. Kom tot een plek dat u iedereen kunt liefhebben, elke vijand, al het andere.

169 Dat ene bezoek daar, voor mij, heeft me tot een ander mens gemaakt. Ik kan nooit, nooit, nooit meer dezelfde broeder Branham zijn als die ik was. Of de vliegtuigen schudden, of het weerlicht flitst, of de spion een geweer op me heeft gericht, wat het ook is, het maakt niet uit. Ik zal de strijd aanbinden door de genade van God. Want ik heb het Evangelie gepredikt aan elk schepsel en tot iedere persoon die ik kan, hen overhalend naar dat prachtige land ginds.

170 Het mag moeilijk schijnen; het mag misschien een heleboel kracht kosten. Ik weet niet hoeveel langer nog. We weten het niet, lichamelijk gesproken. De... Vanuit mijn onderzoek onlangs, zei hij: "U hebt vijfentwintig jaren van hard, goed leven gehad. U bent solide." Dat hielp mij. Maar o, dat was het niet. Dat is het niet. Het is iets hier van binnen. Deze vergankelijkheid moet onvergankelijkheid aandoen; dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.

171 Zonen van Kis mogen opstaan. Ik... Alle goede dingen die ze doen, ik heb er niets verkeerds tegen te zeggen; ze geven aan de armen en aan liefdadigheid. En bedenk wel, Samuël zei tot Saul: "Gij zult evenzo profeteren." En velen van deze mannen zijn grote, machtige predikers, kunnen het Woord prediken als aartsengelen, maar toch was het niet Gods wil. God zou hun Koning zijn. Broeder, zuster, laat de Heilige Geest u leiden.

     Laten we onze hoofden even een ogenblik buigen.

Ik heb zo'n heimwee, ben zo weemoedig, en ik wil Jezus zien,
Ik zou graag die lieflijke havenklokken horen klinken.
Het zou mijn pad verlichten en zou alle vrees doen verdwijnen.
Here, laat ons voorbij het gordijn van de tijd kijken.

Here, laat mij voorbij het gordijn van zorgen en vrees kijken;
Laat mij dat zonnige, heldere klimaat zien,
Het zou ons geloof versterken en alle vrees doen verdwijnen.
Here, laat hen kijken voorbij het gordijn van de tijd.

172 Ik ben er zeker van, Here, als deze kleine gemeente deze morgen even voorbij het gordijn zou kunnen kijken. Geen droefenis onder hen, het zou er nooit kunnen zijn. Geen enkele ziekte, niets dan volmaaktheid. En het is slechts één ademtocht tussen hier en daar, van ouderdom tot jeugd, van tijd tot eeuwigheid. Van een moeite van morgen en een zorg van gisteren tot een tegenwoordige tijd van eeuwigheid, in volmaaktheid.

173 Ik bid, God, dat U elk persoon hier wilt zegenen. Als hier zulken zijn, Here, die U niet kennen op die wijze van liefde. En waarlijk Vader, niets zou ooit die heilige plaats kunnen binnengaan zonder dat soort liefde; de nieuwe geboorte, om wedergeboren te zijn. De Heilige Geest, God, is liefde, en we weten dat dit waar is. Ongeacht of we bergen verzetten door ons geloof, of we grote dingen deden, toch zonder dat daar zouden we nooit die grote ladder ginds kunnen beklimmen. Maar met dat, zal het ons opheffen boven deze aardse zorgen. Ik bid Vader, dat Gij de mensen hier zult zegenen.

174 En moge voor elke persoon die mij deze morgen deze Waarheid heeft horen vertellen... Wilt Gij mijn getuige zijn, Here. Zoals Samuël vanouds: "Heb ik hun ooit iets in Uw Naam verteld, dan dat het waar was?" Zij zijn de rechters. En ik vertel ze nu, Here, dat U mij hebt meegenomen naar dat land. Gij weet dat het waar is.

175 En nu Vader, als er enigen zijn die U niet kennen, moge dit het uur zijn dat ze zeggen: "Here, leg binnenin mij de wil om Uw wil te doen." Sta het toe, Vader.

176 En nu, u met uw hoofden gebogen, zou u uw handen willen opheffen en zeggen: "Bid voor mij, broeder Branham. Gods wil binnen in mij."

177 Nu, terwijl u daar bent waar u bent, gewoon heel lieflijk, waarom zegt u niet gewoon tot Vader: "God, binnen in mijn hart verzaak ik vandaag alle dingen van de wereld. Ik zweer alles af om U lief te hebben en U heel mijn leven te dienen. En ik wil, van deze dag af aan, U volgen in elk Schriftgedeelte van Uw Bijbel"? Als u niet bent gedoopt in de Christelijke doop: "Ik wil het, Here."

178 "Als ik nog niet de Heilige Geest ontvangen heb..." U zult weten wanneer u het hebt ontvangen. Het zal aan u geven... Het zal u de zekerheid en de liefde geven die u nodig hebt. O, u mag anders hebben gedaan, sensaties gehad hebben, zodat u mag hebben gejubeld of in tongen gesproken, wat fijn is. Maar als die Goddelijke liefde daar niet is... geloof me nu. Zeg: "Here, leg binnen in mijn hart en in mijn ziel het zich uitstrekken van Uw Geest, opdat ik zou mogen liefhebben en eren en die Goddelijke liefde in mijn hart zou mogen hebben vandaag, die me mee zou nemen naar dat land, wanneer mijn laatste ademtocht mij verlaat." Terwijl we bidden, bidt u zelf nu. Op uw eigen manier, bidt u. Vraag God om dat voor u te doen.

179 Ik heb u lief. Ik heb u lief. U dierbare grijsharige mannen die hier zit, die hard hebt gewerkt en kleine kinderen hebt gevoed. U arme, oude mamma's die de tranen van hun ogen wiste. Laat me u dit verzekeren, dierbare zuster, zo is het niet voorbij de andere ademtocht ginds. Ik geloof dat het absoluut in de zaal is. Het is gewoon een dimensie waar we naar binnen leven; dit is slechts een bederf waar we nu in leven.

180 "Maar wil in mij, Here, dat Uw wil er zij." Bidt u terwijl we samen bidden.

181 Eerbiedig Here, op grond van Uw Woord en Uw Heilige Geest, wij zijn zo blij dat we weten waar onze geboorte vandaan komt. Wij zijn blij dat we werden geboren, niet uit de wil van de mens, noch uit de wil van het vlees, maar uit de wil van God.

182 En we bidden vandaag, Vader, voor dezen die nu vragen om vergevende genade, dat Uw Geest dat werk zal doen, Here. Er is geen manier voor mij om het te doen. Ik ben slechts een man; een andere zoon van Kis. Maar wij hebben U nodig, de Heilige Geest.

183 God, laat mij zijn als Samuël, een die de Waarheid van het Woord vertelt. En U hebt het tot zover betuigd, en ik geloof dat U zult doorgaan zolang als ik trouw blijf aan U.

184 Mogen zij allen nu eeuwig leven ontvangen, Vader. Moge deze dag nooit van hen wijken. En wanneer het uur komt dat ze deze wereld moeten verlaten, moge dit, wat ik zojuist tot hen heb gezegd, een werkelijkheid voor hen worden. En zoals wij hier zitten, sterfelijk, vandaag, kijkend op ons horloge, denkend aan ons middageten, aan het werk morgen, aan de zorgen en inspanningen van het leven, die zullen er dan niet zijn. Dat zal allemaal verdwijnen. Er zullen geen zorgen zijn; en één grote vreugde van eeuwigheid. Geef hun dat soort leven, Vader, iedereen. En moge...

185 Ik vraag u dit, Vader, dat iedereen die hier vanmorgen is, die me dit visioen heeft horen vertellen, moge ik elk van hen aan de andere zijde ontmoeten. Hoewel hier mannen mogen zijn die het niet met mij eens zouden zijn, en vrouwen evenzo, maar Vader, laat dat ons nooit in de weg staan. Mogen wij hen daarginds ontmoeten wanneer ook zij aan komen lopen en we elkaar vastgrijpen, roepend: "Onze dierbare broeder." Laat het zijn zoals het daar werd getoond, Here, voor iedereen. Allen die ik liefhad en allen die mij liefhadden. Ik bid dat het op die wijze zal zijn, Here. En ik heb hen allen lief. Laat ze verschijnen, Vader. Ik bied hun nu eeuwig leven aan. Mogen zij hun deel doen om het te aanvaarden. Want ik vraag het in Jezus' Naam. Amen.

186 We hebben maar een paar ogenblikken om voor de zieken te bidden. Ik zie dat we hier een ziek meisje hebben en de dame in een stoel.

187 Nu, tot mijn allerdierbaarste broeders en zusters. Alstublieft, begrijp mij niet verkeerd. Ik weet niet wat er gebeurde. Ik weet niet wat er gebeurde. Maar God, wanneer ik sterf, laat mij daarheen teruggaan. Laat me gewoon terugkeren naar die plaats; daar wil ik zijn, waar het ook was. Ik probeer niet een Paulus te zijn die werd opgenomen in de derde hemel. Ik zeg dat niet. Ik geloof dat Hij gewoon probeerde om mij te bemoedigen, proberend mij iets te geven om me een duwtje te geven in mijn nieuwe bediening die opkomt.

     Zou het oneerbiedig schijnen als ik hier even een ogenblik iets voorlas? Zou dat in orde zijn? [Samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

188 Een van de vooraanstaande tijdschriften in het land, Billy Graham: [Broeder Branham leest uit een artikel – Vert]

189 Dr. Billy Graham, uitgenodigd bij de Islam. Op de voorpagina van de 'Afrikaans Times', 15 februari 1960. De schrijver van het artikel, die een moslim was (een Mohammedaan) gelooft dat wonderen de prediking van het Evangelie van Christus, Dezelfde, gisteren, heden en in eeuwigheid, behoorden te volgen. Wij citeren:

     "Dit is wat Christus Zijn volgelingen beloofde, toen Hij zei: 'Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen; zelfs grotere dan deze zal hij doen.' Heeft de kerk ooit de werken gedaan die... de attributen van Christus in de Bijbel? Kan het vandaag? Kan iemand van de kerk zich onderscheiden door zelfs maar de helft van de wonderen te doen die Christus deed? Om niet te spreken over grotere werken? Kunt u als vermaard persoonlijkheid, verdediger van het christendom, opstaan om de doden op te wekken tot lichamelijk leven? Kunt u op de zeeën lopen? Kunt u de zieken genezen en de blinden het gezicht geven? Is dit niet, overeenkomstig de bovengenoemde dwaling, vermeld van de Mohammedanen? Of gesteld... of de test door Christus,...?... die volgt als de bevestigingen van ergens in uw geloof? Veel betreffende het artikel van de Moslim is duidelijk de ene onjuiste verklaring na de andere."

190 Zij gaan tegen deze Moslim in, maar hij had gelijk. Maar hier is wat men erop had te zeggen: [Broeder Branham leest het volgende uit een artikel – Vert]

191 "Het beste antwoord erop: de Bijbel te lezen en de Koran te kennen. De Koran gaat mank door de vergelijking. De claim van het Mohammedanisme is buitengewoon en streeft het christendom voorbij, is puur b-o-m-b-a-s-t-i-s-c-h-e (bombastische, veronderstel ik) inbeelding. De schrijver heeft desalniettemin een belangrijk punt aangeroerd met betrekking tot wonderen behorend aan de kerk. Maar hier opnieuw twijfelen we aan de oprechtheid van de schrijver. Want wie zou er op kunnen wijzen en zou de wonderen kunnen betwisten gedaan door de eerwaarde William Branham voor de Moslims in Zuid-Afrika, toen tienduizend Christus als Redder ontvingen? Onder de bediening van William Branham in Durban, Zuid Afrika en elders door de hele wereld, of van T.L. Osborn in Oost-Afrika. Natuurlijk staan we honderd procent in voor Billy Graham. We hebben de vraag waarover het ging besproken. Deze kwestie is van geen belang."

192 Maar temidden van dit alles vertelde hij mij en zei dat wij fanatiekelingen waren; we wisten niet wat we deden. Ze moesten het echter getuigen in hun eigen krant dat God het deed, hoe dan ook. God is vandaag net zozeer God als dat Hij ooit was. U zou niet mogen denken dat ze het niet geloven; ze zien het niet. Het is niet verborgen; het is niet in een uithoek geschied. En honderdduizenden mensen die daar zaten zagen dat toen ze die gebrekkige aangevochten jongen daar zagen komen, en de Heilige Geest hem over zijn leven en zo vertelde, en wat er daar plaats vond. En ze zagen tienduizend Moslims zichzelf plat op de grond werpen om Jezus Christus te aanvaarden als persoonlijke Verlosser.

193 We hebben nog steeds T.L. Osborns, enzovoort, die nog steeds schapenvoedsel geven. Ik veronderstel dat broeder Osborn nog niet onder de Moslims is geweest. Men beweert dat ze zo overheersend zijn. Maar we hebben nog steeds een God Die het schaap van de leeuw kan bevrijden; het schaap van de beer kan bevrijden.

194 Het deed me goed te weten dat ze het moesten schrijven en het erkennen. Nee, ze denken dat ze het niet doen; ze lopen weg en keren hun rug toe en zeggen: "O, die dagen zijn voorbij."

195 De Moslims zeggen: "Zijn ze dat? Dan is de hele Bijbel verleden tijd. U bent helemaal verkeerd. U aanbidt een Man. Een Man Die stierf en Zijn Naam was Jezus, en Hij stierf lange jaren geleden, en er bestaat niet zoiets als dat Hij opgestaan is."

196 Maar ze konden dat niet zeggen in de Durban samenkomst. Daar stond Hij, dezelfde dingen doende als die Hij deed en bewees het aan hen. Nu, zelfs de denominaties moeten erop terugkomen... Dezelfde persoon die schreef en me zei dat ik mijn lering over de Bijbel zou moeten herzien, was degene die dat in hun krant moest schrijven. God zal Zich toch door hen laten prijzen, hoe dan ook. Zo is het. Hij zal Zich hoe dan ook door hen laten prijzen.

197 Heb hier een klein ziek meisje zitten. Is dat uw kind? Wat is haar kwaal, zuster? [De zuster zegt: "Het is een hersenbloeding." – Vert] Mevrouw? ["Hersenbloeding."] Hersenbloeding ["Ik schreef u enige jaren geleden over haar hersenbloeding."] O, ja... ["Ze is nu ziek geweest, in augustus was het vier jaar."] Vier jaar in augustus. ["Broeder Neville is gekomen om haar te zien."] O, is het van Marengo, of ergens daar? ["Paoli."] Paoli. Is dit dan het meisje? Er is slechts één ding, moeder, dat het kind kan redden. Dat is God, Die haar kent. ["Het gaat nu veel beter met haar dan eerst."] Daar ben ik erg blij om.

198 Bent u erheen geweest om voor haar te bidden, broeder Neville? [Broeder Neville zegt: "Jazeker."] Sinds broeder Neville erheen ging en voor haar bad, is het beter met haar geworden. We hebben nog steeds herders die schapenvoedsel kennen.

199 Wat is uw kwaal, dierbare zuster, die daar in de stoel zit? De uwe? [Een zuster zegt: "Ze heeft kanker." – Vert] Kanker.

200 Wel, als ik u even iets vraag, misschien op dit moment. Hoevelen hierbinnen zijn genezen van kanker, steek uw hand op. Kijk eens hier, zuster. ["Ze is praktisch doof en kan niet horen wat u zegt." – Vert]

201 God is de Genezer. Dat weten we. Als ik u zei dat ik daar naar beneden kon gaan en die bloeding van dat meisje afnemen en haar gezond maken, dan zou ik u iets verkeerds zeggen. Of dat ik de kanker van de vrouw weg kon nemen. Maar ik weet één ding: er was een beer, een kanker, een tumor, een blindheid, en zelfs de dood greep op een dag een van Gods schapen. En ik ging heen met de kracht van God, en ik versloeg hem en bracht dat schaap terug. Zo is het. En we gaan vandaag voorwaarts, niet met enig groot zus-en-zo iets. Ik ga heen met de eenvoudige kleine slinger van gebed. Hij zal haar terugbrengen.

202 U gelooft dat, is het niet, zuster? U gelooft ook, is het niet, zuster? Hoevelen van u geloven er nu met uw hele hart? [Samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

203 Nu, buigt u uw hoofden terwijl ik ga bidden. [Broeder Branham verlaat dan het podium om voor de zieken te bidden – Vert]

204 Dierbare Vader, een knappe jonge vrouw ligt hier, die nooit meer kan lopen of ergens heen kan gaan tenzij U haar helpt. De vijand heeft haar te pakken. Ze is buiten het bereik van doktoren. De vijand heeft haar zo ver de ruimte in gerukt dat de doktoren helemaal niets kunnen doen. Maar ze is niet buiten Uw bereik, Vader. Ze is precies waar U Uw hand op haar kunt leggen. Op basis van het Woord van God leg ik mijn handen op deze jonge vrouw en bestraf ik deze hersenbloeding. In de Naam van Jezus Christus roep ik haar terug tot een normale vrouw. Ze zal leven tot de glorie van God. Moge ze in orde zijn, deze kerk in en uit lopend, net als anderen die gekomen zijn op vergelijkbare wijze. Prijs de Here. Zo zal het zijn, door Jezus Christus.

205 Als de rijp van haar haar. Gewoon nog een paar ronden, en ze zal in dat land ginds zijn, waar ik geen oud meer zag, maar jong. Maar haar geliefden zitten hier huilend en hebben haar lief. Een grote vijand heeft haar te pakken en gerukt buiten het bereik van de dokter. Een angstwekkende leeuw van kanker. God, ik kom achter haar aan. Ik kom om haar terug te brengen. Ik versla de leeuw van deze kanker in de Naam van de ongeslagen Christus, van Wie ik een ambassadeur ben. Moge het haar verlaten en moge ze gezond zijn en nog vele jaren leven tot de eer en glorie van God, door Jezus Christus, onze Heer.

206 Nu, hemelse Vader, niet in een groot leger, niet de opgepoetste speer, taal- en woordenschat van een redenaar, maar met een gewone kleine slinger van geloof, kom ik voor deze ziel, en dit lichaam dat de vijand van kanker gerukt heeft tot buiten het bereik van de dokter. Maar ik kom deze ochtend, Here, haar terugbrengen naar de groene weiden en stille wateren. In de Naam van de triomferende Jezus, Wiens ambassadeur ik ben. Met ongeveinsd geloof, geloof ik dat zij zal worden teruggebracht door de kracht van dit gebed dat wij hebben gedaan. Zo zij het.

207 [Broeder Branham spreekt met iemand en keert dan terug naar de preekstoelmicrofoon – Vert]

208 [Broeder Branham spreekt tot broeder Neville – Vert] Ik geloof dat er een doopdienst is. Is dat zo? [Broeder Neville zegt: "Jazeker. Twee predikers hebben nog een paar mensen om te dopen." ]

209 Zou u uw hoofd even een ogenblik willen opheffen? De herder heeft me net verteld...

210 Deze mensen zijn erg, erg ziek. Ze zullen in orde zijn. Het is okay. Gods belofte faalt nooit. We gaan achter hen aan.

211 Ze hebben een doopdienst. Er zijn enige mensen die moeten gaan. We zullen vanavond weer dienst hebben.

212 Is er iemand hier, die vanavond niet zou kunnen komen en zou willen dat we nu voor u bidden? Die hier vanavond niet kan zijn? Zou u dan direct hier willen komen? U die vanavond niet kan komen? Ik zal vanavond meer tijd hebben voor een gebedsrij. Ze moeten deze mensen gaan dopen.

213 U hebt een kleine jongen daar, in orde. [Een broeder loopt naar voren en zegt tegen broeder Branham: "Is het goed als ik u dit geef?" – Vert] Ja, broeder. Dank u wel. Is het goed als ik het straks lees? Of nu meteen? Dank u wel, meneer.

214 Nu, als u ons nog een paar minuten langer geeft, zullen we daarna de dienst hebben voor de doop. Ik weet dat u het zult willen zien. En diegenen die de doop wensen deze morgen, wel u... De dames gaan hierheen om zich om te kleden, en de mannen gaan naar deze kant. En dan, terwijl ik voor deze zieke mensen bid, kunt u zich misschien gereed maken voor de doopdienst. En diegenen nu die...

215 Nu, vanavond zal ik proberen een kleine gebedsrij te hebben, vanavond. Direct, zo gauw ze binnenkomen. En we zullen beginnen in het eerste boek van Efeze vanavond. En we zullen erg blij zijn om u hier te hebben als u geen kerk hebt om heen te gaan. Maar als u uw eigen herder en gemeente hebt, gaat u dan naar uw dierbare gemeente waar u uw steun aan geeft.

216 Indien u, die moet gaan, op dit moment wilt weggaan, God zegene u. Kom opnieuw bij ons wanneer u kunt. We zullen u graag hebben.

217 Moet er ook voor u gebeden worden, broeder? Wat is uw probleem? Hoge bloeddruk.

218 Nu, de rest van u, terwijl u uw hoofd een ogenblik buigt; we willen bidden.

219 Vader, ik dank U vandaag voor de kleine herdersslinger, het gebed, dat de leeuw op zijn knieën bracht, en het kleine lam werd bij hem weggerukt en teruggebracht naar zijn mama en papa. Ik bid voor onze broeder. Ik vraag dat U hem ook veilig binnenbrengt, Here. Mogen de bloeddruk en de kwalen van zijn lichaam stoppen. Ik ga hem achterna, Here, breng hem terug. In de Naam van Jezus Christus; zo zij het. Amen.

     God zegene u, broeder.

     Naar beneden gaande zie ik u een kleine, blinde jongen vasthouden.

220 Nog één ding meer zou ik willen zeggen. Ik was erg ziek en gaf over. En ik dacht... Ik wil niet dat u dit mist als u kunt. Ik dacht: "God, wat zou ik ervoor geven als ik buiten iemand kon horen stilhouden. Mijn vrouw zou zeggen: 'Billy, daar is een oude heer hier om je te bezoeken.'"

221 "En hier komt een kleine, kaalhoofdige man binnen, met grijze bakkebaarden hangend langs zijn gezicht. Hij zou binnenlopen en zeggen: 'Bent u broeder Branham?'"

     "Ik zou zeggen: 'Ja, meneer, dat ben ik.'"

222 "'Mijn naam is Simon.' Legt zijn hand op mij en kijkt me een ogenblik aan. Zegt: 'U bent een gelovige, broeder Branham.'"

     "'Ja.'"

223 "'Het zal in orde komen.' Simon Petrus van de Bijbel. Wat zou ik dat waarderen! Hij zou niet veel hoeven te zeggen. Gewoon zijn hand op mij leggen. Het zou in orde zijn."

224 En wat toen tot mij kwam: door Gods hulp en door Gods genade zijn er tienduizenden mensen die hetzelfde zouden geloven als ik tot hen kwam.

225 En ik dacht: "Here, laat me dan naar iedereen gaan waarheen ik kan. Laat me gewoon..." Ik dacht: "Als Simon of Paulus, een van hen, gewoon binnen zou komen en zeggen: 'Bent u broeder Branham?'"

     "'Ja.'"

226 "Ze zouden hun handen op mij leggen en me aankijken en zeggen: 'In orde, broeder Branham', en gewoon naar buiten gaan."

227 "Ik zou gezond worden. Ik zou in orde zijn. Zeker. Ik zei... Jongen, mijn moed zou op datzelfde moment terug zijn. Ik zou zeggen: 'Ik zal in orde gaan zijn.'" Jazeker.

228 En er zijn mensen die datzelfde vandaag geloven. En dat is waarvoor ik hier naar beneden kom om te doen: u de handen opleggen, en God vragen.

229 [Broeder Branham verlaat de preekstoelmicrofoon en bidt voor de zieken – Vert]

230 Ik wil naar deze kleine jongen gaan, zuster, slechts een ogenblik. Hij is een kleine blinde jongen. Hoelang is hij blind geweest? [Een zuster zegt: "Al vanaf zijn geboorte." – Vert] Vanaf zijn geboorte. Hallo, kleine jongen! O, je ben een geweldig fijn jongetje. [Broeder Branham spreekt met iemand.] Even een momentje.

231 O genadige God, buiten het bereik van doktoren. Bij de geboorte van deze kleine jongen die blind geboren werd en hij kan niet zien. Deze mooie lieflijke kleine jongen. En de vijand, voordat de kleine jongen een kans had in het leven, rukte hem buiten het bereik van de dokter. Dus ik kom hem achterna deze morgen, Here! Deze eenvoudige kleine slinger van het gebed. Laat me hem terugbrengen, God. Ik ontmoet de vijand, de duivel, in de Naam van Jezus Christus. En ik eis deze jongen op voor God. En ik eis zijn gezichtsvermogen op voor God, dat hem teruggegeven wordt waar Satan hem van beroofde. Moge hij het hebben. In de Naam van Jezus Christus zal het zo zijn. Ik heb het gesproken.

232 Nu, geliefde zuster, heb er nu geen zweem van twijfel over, dat de kleine jongen in orde zal zijn. Ik wil dat u hem hier terugbrengt naar de gemeente, om de mensen te tonen dat hij kan zien. Geef hem zijn gezichtsvermogen in de Naam van Jezus Christus.

     [Broeder Branham spreekt met iemand – Vert]

233 Here Jezus, om op te leggen... Deze kleine, waar wij zoveel gebeden voor hebben opgezonden, maar deze ochtend kom ik terug in de Naam van de Here Jezus, en neem deze kleine slinger die U mij gegeven hebt: U hebt mij hiermee geholpen, Here, door Uw kracht om het te nemen uit de muil van kanker, uit de muil van de dood zelf, doden op te wekken nadat ze dood waren verklaard en stijf en koud lagen. Ik kom achter deze vijand aan in de Naam van Jezus Christus. Dus breng haar terug tot goede gezondheid, Here. Sta het toe. Zo geschiede het voor de glorie van God.

234 En moet er voor u gebeden worden? [Een zuster spreekt met broeder Branham – Vert] Bent u een gelovige? ["Ja!...?..."] Here ik breng haar in het bereik van deze kleine slinger. In de Naam van de Here Jezus Christus, moge het haar verlaten en nooit terug keren.

235 [Een zuster spreekt met broeder Branham – Vert] Wel, diezelfde kleine slinger die uitging en broeder Harley kreeg... en voor uw dochter en uzelf.

236 Nu, hemelse Vader, ik kom achter de vijand aan en gebruik deze kleine slinger die U mij heeft gegeven. Want U zei: "Als u de mensen ertoe kan krijgen om te geloven, en oprecht bent als u bidt", dan zal die kleine steen dat dodelijke punt raken. Moge hij nu gaan, als ik hem werp op haar verzoek. In de Naam van Jezus Christus. Moge het zo zijn. Amen. [De zuster zegt: "En mijn vingers voelen echt goed." – Vert]

237 [Een zuster spreekt met broeder Branham – Vert] In orde zuster. Nu, we zijn... Nervositeit is buiten het bereik van de doktoren. Ze kunnen u iets geven om u enigszins te kalmeren, maar u zou er daarna alleen slechter van worden. Nu kijk, we gaan er deze morgen achteraan. We gaan uit; brengen u terug. [Leeg gedeelte op de band. ]

238 Here Jezus... [Leeg gedeelte op de band – Vert] vijf kleine stenen, g-e-l-oo-f, en de slinger van gebed. En ik breng mijn zuster terug van de klauwen van die nervositeit...?... ginds. Ik breng haar terug tot vrede en schaduwrijke goede weiden en stille wateren. Ik doe dit in de Naam van Jezus Christus. Amen. [Een zuster spreekt met broeder Branham.] In orde. Het is geen spierdystrofie.

239 Vader God, dit klein meisje, we zijn zo blij dat het geen spierdystrofie was; maar ongeacht van wat het is, het is nog steeds binnen Uw bereik, Here, en ik kom met een kleine slinger van geloof, en deze steen. En ik werp deze steen met alle kracht waarmee ik hem kan gooien. In de Naam van Jezus Christus, moge het de plek raken. Moge onze zuster gezond zijn. Ik doe dit in de Naam van Jezus Christus. [Een zuster spreekt met broeder Branham – Vert]

240 Als deze jonge moeder en haar kleine nakomeling, de kleine die ze weer wil ontmoeten daarginds aan de andere kant in dat glorierijke land, waar ik net over heb gesproken. En moge... De moeder zal niet leven om nog een kleine groot te brengen, noch kan de kleine lang leven zonder Uw hulp. Maar ik kom met de slinger, met alle kracht en de bedoeling om de vijand te nemen. En in de Naam van Jezus Christus, slinger ik dit. Ze zullen gezond zijn voor de glorie van God, in de Naam van Jezus. Amen. [Een zuster spreekt met broeder Branham – Vert]

241 Oh, dat is zo fijn. Ik ben blij. Nou die bediening was dan de grootste bediening van het uitroepen van mensen. Het wees op werken...

242 Onze hemelse Vader, Satan heeft deze kleine moeder weggerukt buiten het bereik van de doktoren daarginds. Ze kunnen alleen medicatie uitslingeren, Here, die haar alleen maar zal verscheuren, zo in het rond dat ze nauwelijks weet waar ze is. En wanneer ze bijkomt, gaat het slechter met haar. Maar ik kom met deze slinger van geloof, met een steen gericht met een direct doel, om te richten op het doelwit. In de Naam van Jezus Christus neem ik deze nervositeit van haar, voor de glorie van God. Amen.

243 Dierbare God, broeder George lag daarginds stervende, niet lang geleden. Ik heb gezien wat het geloof voor hem deed. Nu heeft hij reuma, Here. Wij beseffen dat ze hem wat Cortison kunnen geven of iets wat de pijn wat zal verzachten, maar het zal de zaak niet wegnemen. Dus wij richten dit gebed in de Naam van Jezus Christus. Moge de reuma gaan. Moge hij genezen naar huis gaan. Dank u, broeder.

244 Hoe gaat het met u, geliefde? [Een zuster spreekt met broeder Branham – Vert] O my! Doof. Kunt u helemaal niet horen? Uh-huh. Buiten het bereik van menselijk kunnen. Bent u een gelovige in de Here Jezus? [De zuster zegt: "Amen."] Ik zie daarginds een knappe dame, een dezer dagen. U zult voor altijd jong zijn. Ik weet dat u nu wilt leven voor Zijn glorie. Teruggaan naar een...

245 [De zuster zegt: "Nee, ik treur over mijn zoon." – Vert] Uw zoon. ["Die twee jaar geleden is heengegaan."] Kunt u hem niet vinden? ["Hij is in Gods hand."] O, is hij heengegaan? ["Uh-huh. Door de vallei van de dood."] O, dat. ["En mijn verdriet."] Getroffen door verdriet. Ja. ["Ik ben getroffen door verdriet. En ik voel me alsof ik, als het Zijn wil is, zou willen dat Hij mij nam. Er is geen droefheid in Hem." ]

246 Dierbare zuster. Ik wil dat u gaat waar u zich goed voelt. Heeft ze het visioen gehoord vanochtend? [De andere zuster zegt: "Ze kan goed horen." – Vert] Wel, vertel het haar.

247 Wel, ze zal u vertellen wat er gebeurde. Slechts een ademtocht hier vandaan wacht die dierbare jongen op u. U zult jong zijn zoals hij. Liefde, gewoon liefde voor... [De zuster zegt: "Ik wil niet blijven. Ik wil naar hem toegaan, als het Gods wil is." – Vert]

248 Dierbare hemelse Vader, de loopbaan van het leven is gelopen. Er is niet veel meer over. En haar dierbare jongen is net aan de andere kant van de rivier. Als hij slechts terug kon kijken zou hij zeggen: "Nog enkele dagen." Ze wacht op de boot, Here, die haar door de mist naar dat heerlijke land zal brengen. Zegen haar, Vader, en troost haar hart. Moge het een grote hereniging zijn aan de andere kant van de rivier.

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
E-BookPrint
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
English (Engels)