Gemanifesteerde zonen Gods, deel 2

Door William Marrion Branham

1 We buigen onze hoofden vanavond als gemeente, als een groep eruit geroepen gelovigen, om te luisteren naar de onderwijzing van Uw Woord, wat ons op onze plaats zet in het lichaam waartoe we behoren. Zodat we nauw aaneen gesloten kunnen werken als leden van het lichaam van Christus.

2 En nu wordt er een beroep op ons gedaan om onmiddellijk tot God te gaan. En ieder van ons vaders, denkt eraan wat het zou zijn geweest als dat ons dochtertje zou zijn. Wat zouden onze harten branden en pijn doen in ons binnenste. We zouden opbellen naar onze gemeente opdat er onmiddellijk zou worden gebeden. Er is hier zo'n vaderhart dat brand; dat lijdt! O Here, moge die grote Persoon van de Heilige Geest nu komen tot het hart van die vader om elke zweem van twijfel weg te nemen en elke pijn. Laat hem weten dat Gij God zijt en dat geen enkele ziekte stand kan houden in Uw tegenwoordigheid, wanneer Uw Goddelijke opdracht is uitgevoerd door Uw gemeente, Uw volk.

3 De afgelopen week, waarin ik sinds verleden zondag veel heb gebeden, heb ik nagedacht over dit soort of deze manier van bidden. We hebben niet zo'n echt wapen, voor zover het de maatstaven van de wereld betreft, maar deze kleine slinger is dodelijk wanneer hij wordt vastgehouden door geloofsvingers.

     O Here, mogen onze gebeden doel treffen, mogen ze die dood treffen die daar boven dat kind hangt. Mogen de sombere wolken bij dat bedje van dat meisje uiteen geslagen worden en moge dat grote licht van Gods tegenwoordigheid op haar schijnen. Moge ze uit dat ziekenhuis komen als een gezond kind.

4 God, we weten dat vlak over de rivier onze geliefden wachten en dat is heerlijk. Maar wij hebben onze kinderen lief en bidden Here, tot Uw eer, dat U het leven van dat kind zult sparen. Wij, als Uw gemeente, bestraffen die dood en zeggen: "Sta stil, je kunt dat kind niet nemen, omdat we haar leven opeisen terwille van het Koninkrijk van God."

     Sta deze dingen toe, Here, dat het rechtstreeks doel zal treffen, zoals we het uitspraken, in de Naam van Jezus Christus, onze Redder. Amen.

5 Hebben we geloof? Ik zou niet weten wat ik moest als ik geen Christen zou zijn. Dan zou ik hier gewoon niet langer willen blijven. Er is niets meer waard om voor te leven, dan dat anderen gered worden; dat is het beste wat ik weet.

6 Nu, vanavond willen we beginnen met een kleine terugblik op onze voorgaande les, en ik zou willen proberen om, als het me lukt, vanavond nog het hele hoofdstuk uit te lezen. Dan zal ik aanstaande zondag misschien zowel de zondagmorgen als de zondagavond moeten gebruiken, als dat in orde is, om te proberen dat wat ik de gemeente wil laten zien, af te ronden. O, het is heerlijk om te ontdekken wat je plaats is. Er is niemand die ook maar iets goed kan uitvoeren, tenzij hij precies weet wàt hij doet.

7 Wat als u een operatie zou moeten ondergaan en er kwam een jonge dokter die pas van school kwam en die nooit eerder een operatie had verricht; al was hij jong en knap en was z'n haar keurig gekamd, al was hij netjes gekleed en wel gemanierd en al het andere... En hij zou zeggen: "Ik heb de messen gescherpt, al de instrumenten zijn gesteriliseerd", dan zou u zich toch ergens niet zo prettig voelen. Ik zou liever een oude dokter hebben, die die operatie al vele keren had verricht, voordat ik zou willen dat erin me gesneden werd. Ik wil weten of zo iemand niet alleen de school heeft doorlopen, maar of hij iemand is met een beetje ervaring!

8 En de meest ervaren dokter die ik ken om er vanavond bij te halen, is de Heilige Geest; Hij is Gods grote Heelmeester en de grote Leraar.

9 Als achtergrond voor mijn boodschap van vanavond wil ik nog even teruggaan naar de prediking van zondag: hoe Israël Samuël verwierp, die het Woord van de Here had, en Saul accepteerde, de zoon van Kis. Ze verwierpen de profeet Samuël, de man die in wezen de Heilige Geest vertegenwoordigde, omdat hij alleen sprak als de Geest hem leidde om te spreken. Hij vestigde daar ook hun aandacht op, door dit te zeggen: "Bedenk toch, ik heb nooit iets tot u gesproken in de Naam des Heren, dan dat de Here het liet geschieden. Evenmin heb ik mij verkeerd gedragen, tijdens mijn wandel onder u; niemand kan mij van zonde beschuldigen."

     Zoals Jezus zei: "Wie kan Mij veroordelen van zonde?" Ziet u?

10 Hij sprak: "Ik ben tot u gekomen, maar heb u nooit om geld gevraagd. Ik heb niets van u weggenomen. Alles wat ik heb gezegd is voor uw bestwil geweest, alles wat ik tot u gebracht heb uit de mond des Heren."

11 En heel het volk betuigde: "Dat is de waarheid; dat is allemaal waar, maar tòch willen we een koning. We willen net zo zijn als de rest van de wereld."

12 Nu, vanavond gaat ons Schriftgedeelte erover, dat de brief aan de Efeziërs te beschouwen is al het boek Jozua van het Nieuwe Testament. Dit Bijbelboek zet de overwinnaars apart en brengt hen op orde. Nu, dit is gewoon even om een achtergrond te krijgen en om het ons weer voor de geest te halen voor we beginnen te lezen, te beginnen met het derde vers. Zondagavond ontdekten we dat God in het Oude Testament Israël een land der rust beloofde, omdat zij pelgrims en zwervers waren geworden. Ze waren in een land dat het hunne niet was. En God had door Abraham beloofd dat hij zou verblijven... zijn zaad vierhonderd jaar bij een vreemd volk zou wonen, en mishandeld zou worden, maar dat Hij hen door een sterke hand uit zou leiden naar een goed land dat overvloeide van melk en honing.

13 Toen de tijd van de belofte naderbij kwam, deed God iemand opstaan om hen naar dat land toe te brengen. Hoevelen onder ons vanavond weten wie dat was? Mozes. Merk op, een erg duidelijk type van Degene die ons werd gegeven om ons naar het beloofde land te brengen, Christus. Wij hebben ook zo'n belofte, alleen is onze belofte een geestelijke rust, terwijl de hunne een natuurlijke rust was. Zij kwamen naar een land waarvan ze konden zeggen: "Dit is ons land, wij zijn nu geen zwervelingen meer; wij hebben hier een vaste woonplaats, dit is ons land en hier hebben we rust. We zaaien ons koren, planten onze wijngaard en zullen ook van onze wijngaarden eten. En als we sterven dan zullen we het onze kinderen nalaten."

14 O, wat zou het fijn zijn om dat land eens in gedachten binnen te gaan, om eens naar die erfwetten te kijken, hoe het was met Naomi en Ruth en Boaz. Dan zouden we zien dat alles moest worden hersteld; hoe een broeder in Israël moest... alles wat hij kwijt was geraakt, moest worden gelost door een bloedverwant. O, dat is zoiets geweldigs! Als we daar op in zouden gaan, zou het vele, vele weken kosten; dan zouden we nooit klaar komen met dit hoofdstuk, want hier konden we de hele Bijbel mee in verband brengen, met dit ene hoofdstuk.

15 En ik houd ervan om het te bestuderen. We namen het vroeger eens een keer door en spraken er anderhalf jaar over zonder het boek ooit te verlaten. We bleven daar gewoon bij.

16 Het was een geweldig iets, dat erfdeel, hoe het was, dat een erfdeel in dat land door niemand anders kon worden vrijgekocht dan door een naaste bloedverwant. Hier wil ik even iets noemen over dat teken, waar ik het de vorige avond over had, voor u moeders: hoevelen hier hebben gebeden voor uw geliefden die niet gered zijn? Ziet u dat u het ook daar weer in tegenkomt? Het gaat over uw erfdeel, ziet u het?

17 Paulus zei tegen de Romein: "Geloof in de Here Jezus Christus en gij zult behouden worden, gij en uw huis." Als u geloof genoeg hebt voor uzelf om gered te worden, heb dan ook geloof genoeg, hoe eigenzinnig die jongen of dat meisje ook is, dat ze hoe dan ook gered zullen worden. God, op welke wijze ook! Al moet Hij ze ergens in een ziekenhuisbed leggen, stervend; ze zullen gered worden. God beloofde het; het is een erfdeel! O, Jesaja sprak dat ze daar zouden zijn en heel hun nageslacht met hen. "Ze zullen geen kwaad doen, noch verderf stichten op gans Mijn heilige berg", zegt de Here.

18 O, ik heb een klein onderwerp, waar ik vanavond nog over hoop te kunnen spreken, voor u. Het brandt gewoon in mijn hart, om daar weer op terug te komen.

19 Maar nu weer verder! Hebt u opgemerkt dat Mozes, die grote wonderdoener, die Israël door de woestijn leidde en ze naar het beloofde land bracht, hun niet hun erfdeel toewees? Hij gaf hun hun erfdeel niet; hij leidde hen tot aan het land. Het was Jozua die het land onder de mensen verdeelde. Klopt dat? En Christus bracht de gemeente tot aan die plaats waar hun bezit voor hen klaarlag en aan hen zou worden gegeven. Ze hoefden alleen nog maar de Jordaan over te steken. Maar het is de Heilige Geest die de gemeente op orde brengt. Hij is de 'Jozua' van vandaag die de gemeente op orde brengt; die aan elk gaven geeft en ieder zijn plek en positie aanwijst. Hij is de stem van God die spreekt, via de innerlijke mens van diegenen die Christus heeft gered; de Heilige Geest. Nu, hebt u het tot zover begrepen? We komen nu weer bij het boek van de Efeziërs, waar nu op dezelfde wijze de gemeente op de plaats wordt gebracht waar ze hoort. Jozua installeerde hen in het natuurlijke land; de Heilige Geest installeert nu de gemeente in het land en in de positie waarin zij behoort, haar erfdeel.

20 Nu, het eerste wat Paulus hier doet, is dat hij zijn brief adresseert; "Paulus", degene aan wie – zoals we na een poosje zullen gaan zien – heel dit geheimenis werd geopenbaard. Niet in een seminarie, niet via een theoloog, maar als een Goddelijke openbaring van de Heilige Geest die God aan Paulus gaf. Wetende, zo sprak hij, dat het geheimenis van God, dat sinds de grondlegging van de wereld verborgen was geweest aan hem werd geopenbaard door de Heilige Geest. En de Heilige Geest onder de mensen zette ieder op z'n plaats; bracht de gemeente op orde.

21 Het eerste wat Paulus de mensen hier begint te vertellen, is om alles... Bedenk, dat dit wordt gesproken tot de gemeente, niet tot de buitenstaanders, want voor hen is het een mysterie, in raadselen; ze zullen nooit in staat zijn om het te begrijpen. Het gaat ook aan hen voorbij; ze weten er niets meer over dan niets. Maar voor de gemeente is het honing in de rots, onuitsprekelijke vreugde. Voor hen is het de volle verzekering, het anker der ziel, het is onze hoop en houvast, het is de Rots der eeuwen; o, het is alles wat goed is. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Gods Woord zal nooit voorbijgaan.

22 Maar de man die buiten Kanaän is heeft er geen weet van. Hij zwerft nog steeds. Niet zeggende dat hij geen goed mens is; dat zeg ik niet. Ik zeg zelfs niet dat de man die nog in 'Egypte' is, geen goed mens is. Maar totdat hij in dit erfdeel is gekomen, en tot de bezitting die...

23 De belofte die aan de gemeente werd gegeven is niet een natuurlijk land maar een geestelijk land, want wij zijn een koninklijk priesterschap, een heilige natie. Bij dit koninklijke priesterschap, deze heilige natie, dit bijzondere volk, deze uitgeroepenen, uitverkorenen die zijn afgezonderd, is heel de buitenwereld dood. We worden geleid door de Geest. Zonen en dochters van God worden geleid door de Geest van God; niet door de mens, maar door de Geest.

24 Allen in liefde. Alles is nu vast bijeen gebonden. Nu, het is al vaak geprobeerd om hierover te onderwijzen, en ongetwijfeld zijn grote theologen er heel wat dieper op ingegaan dan ik zou kunnen, maar de zaak die ik bij u wil proberen te laten overkomen is dit: dat een mens die in Christus is, die de Heilige Geest heeft, iemand anders kan verdragen wanneer hij fout is. Dat hij lankmoedig is, vriendelijk en geduldig. Dat hij lieflijk is, nederig, trouw, vervuld met de Geest, nooit negatief, altijd positief. Hij is een ander iemand geworden.

25 Het is niet gewoon iemand die zegt: "Dat hadden wij vroeger ook. Als wij jubelden dan hadden wij het – wij Methodisten. O, toen we jubelden, toen waren wij in het land." Dat is goed, dat is in orde, ik geloof dat ook.

26 Toen kwamen de Pinkstermensen: sprekend in tongen. Zij hadden het, zeiden ze, want iedereen die in tongen had gesproken had het. Ook dat geloof ik. Maar toch... we ontdekten dat velen het toch níet hadden, ziet u? Zie? Nu, zij...

27 We komen nu tot dit geweldige, verborgen geheimenis, dat verborgen is geweest sinds de grondlegging van de wereld en dat nu wordt geopenbaard in de laatste dagen aan de zonen Gods. U gelooft toch dat dat waar is, dat de zonen Gods worden gemanifesteerd? Laten we daarvoor even een ogenblik, voor we een ander onderwerp nemen, Romeinen, het achtste hoofdstuk, opslaan en laat me even iets voor u lezen. Kijk of dit dit opkomen is, waar ik hier over ga spreken. Nu, we zullen Romeinen 8:19 nemen. Romeinen 8:

     Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods.

28 Met reikhalzend verlangen wacht de hele schepping op dit openbaar worden. Ziet u, de manifestatie. Wat is de manifestatie? Het bekendmaken!

29 De hele wereld. De Mohammedanen ginds; zij zien er naar uit. Ja overal om ons heen, ziet men ernaar uit, en vraagt men zich af: "Waar zijn deze mensen?" We hebben een machtig ruisende wind gehad; we hebben donderslagen en bliksem gehad; we hebben meegemaakt dat men olie en bloed als tekenen toonde. Al deze dingen hebben we gehad, maar we zijn in gebreke gebleven om die hele stille, zachte stem te horen, die de aandacht van de profeet trok, zodat hij zijn mantel omsloeg, naar buiten liep en zei: "Hier ben ik, Here..." Ziet u?

30 Nu zucht de hele schepping; ze wacht op de manifestatie van de zonen Gods. Nu, eerst begint Paulus de gemeente precies op de plaats te zetten waar ze hoort. Laten we het als achtergrond nog eens lezen:

     Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen... (dat zijn de 'geheiligden') en gelovigen in Christus Jezus, die te Efeze zijn;

31 Nu, opdat niemand het zal vergeten: hoe komen we in Christus? Worden we lid van de kerk om in Christus te komen? Leggen we een belijdenis af om in Christus te komen? Worden we ondergedompeld in water om in Christus te komen? Hoe komen we in Christus? I Corinthiërs, hoofdstuk 12, zegt: "Want door één Geest", één hoofdletter-G-e-e-s-t, namelijk de Heilige Geest, "zijn we allen het beloofde land 'binnen-gedoopt'."

32 In dit beloofde land... alles behoort aan ons in het beloofde land. Ziet u dat, broeder Collins? Zie, alles in het beloofde land! Toen Israël deze Jordaan overstak, het beloofde land binnen, vochten ze tot alles door de knieën was gegaan.

33 Nu, bedenk wel, het in dit beloofde land zijn betekent niet dat u immuun bent voor ziekte; dat betekent niet dat u immuun bent voor moeite. Maar het spelt dit uit (o, laat dit goed doordringen!), het zegt dit: dat het het uwe is! U hoeft slechts te gaan staan en het te nemen! Ziet u? Wanneer...

34 Laat het goed tot u doordringen, dat de enige reden dat Israël ooit een man kon verliezen in de strijd, was, dat er zonde in het kamp kwam. En dat is ook de enige manier waarop wij ooit een overwinning konden mislopen: omdat er zonde in het kamp kwam, iets wat ergens niet in orde was. Toen Achan die staaf goud en dat Babylonische kledingstuk stal, was er zonde in het kamp gekomen en liep de strijd fout.

35 Als u mij vanavond deze vlekkeloze gemeente geeft, deze groep mensen die volkomen, ja, volmaakt bij de belofte van God blijven, bij de Heilige Geest, die wandelen in de Geest, dan daag ik elke ziekte uit, elke aanvechting of wat er ook maar is; elke Joe Lewis die er maar in het land is, met al z'n ongeloof, en alle ongelovigen die er maar zijn, om vandaag welke ziekte of aanvechting die er ook is, binnen te brengen: ze zullen hier dan volmaakt gezond weggaan. Jazeker! God gaf de belofte; alleen de zonde van het ongeloof kan het tegenhouden. Nu, over een poosje zullen we er op komen wat deze kleine zonde is.

     ... nu, die in Christus Jezus zijn.

     Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.

     Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.

36 Nu, als wij in Christus zijn hebben wij geestelijke zegeningen. Buiten Christus hebben we sensaties; in Christus hebben we positieve zegeningen. Het is geen schijngeloof, geen namaak, of iets wat u zichzelf aanmeet... Want zolang u probeert te zeggen dat u in het beloofde land bent, terwijl u het niet bent, dan zullen uw zonden u bekendmaken. Al heel gauw zult u ontdekken dat u maar wat doorploetert en dat u zich – zoals we dat in de wereld noemen – "in de nesten" hebt gewerkt. U zult ontdekken dat u dat niet bezit waar u over spreekt. Maar, wanneer u in Christus Jezus bent, dan is alles het uwe. Hij heeft u hemelse vrede beloofd, hemelse zegeningen en een hemelse Geest. U bent in het beloofde land en u hebt volledig de beschikking over alles. Amen. O, wat prachtig! Laten we het bestuderen:

     Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren...

37 Nu, hier is het waar de gemeente zozeer aan het wankelen gaat.

     Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren... (In Wie? In Christus!)

38 We ontdekken nu, zowel in het begin van de Bijbel in Genesis als in de Openbaring, Openbaring 17:8, dat hij ons in Christus koos vanaf de grondlegging der wereld. Nu, het woord... Laat ik de volgende regel lezen:

     ... vóór de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht...

     In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd...

39 Nu, ik wil even stoppen bij dat woord 'voorbestemd'. Voorbestemd, dat wil niet zeggen: Ik zal broeder Neville wel kiezen en Ik zal broeder Beeler niet kiezen. Dat is het niet; het is voorkennis van God. Hij wist wie er goed zou zijn en wie er niet goed was. Door deze voorkennis, doordat God wist wat Hij zou gaan doen, bestemde Hij alle dingen voor, om ze te laten medewerken ten goede voor hen die God liefhebben, opdat Hij in de bedeling van de volheid der tijden alles onder één Hoofd zou vergaderen en dat is Christus Jezus.

40 Laat ik u hier een kleine illustratie geven. Het is goed. Daarvoor gaan we terug – ik geloof dat ik er onlangs al even over heb gesproken – naar Genesis het eerste hoofdstuk, 1:26 [Genesis 2:4 – Vert], waar God Zijn Naam noemde: 'Here God', wat komt van het woord 'El – Elah – Elohim', wat 'De in Zichzelf Bestaande' betekent. Er bestond niets anders dan Hij. Er was geen lucht, er was geen licht, er waren geen sterren, er was geen wereld, er was helemaal niets anders. God was er en God alleen: El – Elah – Elohim. Nu, Hij maakte alles dat.

41 Daar in Hem waren eigenschappen, wat betekent dat... Hij was een... In deze grote El – Elah – Elohim lag een attribuut of een... Weet u wat een attribuut is? Laat ik het zo zeggen: in Hem was een 'natuur' [of: 'eigenschap' – Vert]. Dat is opdat ook de kleinen het zullen begrijpen. Ik ben één van die kleine makkers, die het op die manier moeten begrijpen. In Hem lag de natuur om Vader te zijn, maar Hij was 'De in Zichzelf Bestaande'; er was niets waardoor Hij Vader kon zijn. En, nu, daarbinnen lag nog iets anders, namelijk dat Hij God was; en een god is een voorwerp van aanbidding. Maar omdat Hij 'De in Zichzelf Bestaande' was, El – Elohim, Elah – Elohim, was er niets om Hem te aanbidden. Daarbinnen was Hij een Redder, terwijl er niets verloren was dat gered moest worden, ziet u? Daarbinnen was Hij een Heelmeester, maar er was niets ziek dat genezen kon worden; er was zelfs niets dat ziek kon worden. Begrijpt u het beeld nu? Zijn eigenschappen, Zijn natuur heeft alles voortgebracht wat er vandaag is.

42 Sommige mensen zeggen: "Wel, waarom heeft God het gewoon in het begin al niet gestopt?" "Hij is een wreedaardige bruut", zei Joe Lewis, de man die Jack Coe veroordeelde. Hij zei dat God gewoon een kwaadaardige bruut was, dat er helemaal niet zoiets als een God bestond, en als er zoiets wel bestond, dan was Hij voor hem gewoon een... O, hij noemde Hem gewoon van alles, ziet u.

     Het is gewoon omdat hij dan misschien wel hierboven een heleboel kennis heeft, maar hier diep binnen in heeft hij niets.

43 Nu, dat is waar het aan ligt. Dit Woord zegt het hier en Hij heeft het verborgen. Deze geheimenissen zijn verborgen geweest. Maar bedenk dat de Bijbel zei: "Sinds de grondlegging der wereld, wachtend op het openbaar worden van de zonen Gods", om hen te tonen aan de gemeente. O! Begrijpt u het?

44 Ik zal nu even stoppen met mijn verhaal en overgaan op mijn volgende gedachte, om dit te verduidelijken. U zult zich herinneren dat er door alle tijdperken heen – in de tijd van Mozes, in de tijdperken van de profeten en door alle tijdperken – is gewacht op deze laatste dag, dat deze dingen zouden worden getoond, overeenkomstig de Schrift; dat is waar, dat het zal worden geopenbaard aan de zonen Gods. Waarom? Vanaf de verloren... Tot het zo wordt als bij de piramide, zoals ik heb aangehaald, die tijdens het bouwen steeds smaller en smaller wordt.

45 Ik heb dikwijls deze opmerking gemaakt, en gezegd dat God drie Bijbels maakte. De eerste schreef Hij in de hemel: de dierenriem. Hebt u ooit de dierenriem gezien? Wat is het eerste sterrenbeeld in de dierenriem? De maagd. Wat is het laatste beeld in de dierenriem? De leeuw. De eerste keer dat Hij kwam, kwam Hij tot de maagd en de tweede keer komt Hij als de leeuw van de stam Juda.

46 De volgende Bijbel legde Hij vast in de piramide, vroeger, in de dagen van Henoch, toen ze de piramide bouwden. Ze hebben er de maten van opgenomen; voor mij is dat niet te begrijpen, maar naar de afstanden waar ze moesten bukken en zo, en bepaalde afstanden die ze zelfs op de knieën verder moesten afleggen in de piramide, daaraan kunnen ze de duur van de oorlogen vaststellen. Weet u waar ze uitmeten dat we ons nu bevinden? Precies door de koningskamer heen. Zoals deze piramide werd opgetrokken, zo zouden wij haar niet kunnen bouwen. Met alles wat we vandaag hebben, zouden we haar niet kunnen bouwen.

47 De piramide werd zo omhoog gebouwd, uitlopend op een punt. Maar de bovenste steen, de deksteen, werd nooit gevonden. Ze hebben nooit een hoeksteen op de piramide gehad. Ik weet niet of u dat weet of niet, maar de grote piramide in Egypte heeft nooit een topsteen gehad. En waarom niet? De deksteen werd verworpen! Christus, de hoofdsteen (ziet u), werd verworpen.

48 En naarmate wij groeiden, vanuit het Lutherse tijdperk, via het Baptistentijdperk, het Methodistentijdperk en het Pinkstertijdperk, zijn ook wij nu precies bij de hoeksteen gekomen, ziet u, we zijn wachtend nu, verlangend naar het aanbrengen van die hoeksteen; dan is het gebouw voltooid. Hebt u het niet gelezen in de Schrift over de hoeksteen die werd verworpen? Natuurlijk beseffen we dat dat sprak van de tempel van Salomo, maar de verworpen steen is 'een hoofd des hoeks' geworden. Ik vertel u dit alleen, opdat u zich een beeld kunt vormen.

49 In Bijbelse termen leven we op dit moment in de laatste dag, bij de top van de piramide, in de dierenriem is dat bij de kreeft van het kankertijdperk, vlakbij de tijd van het komen van de leeuw, in de tijd van de Hoeksteen; de dagen van het openbaar worden van de zonen Gods, van Elia. Ziet u het? Ziet u waar we aan toe zijn? We zijn in de eindtijd.

50 Hoevelen hebben deze week de krant gelezen wat Chroestsjov en die anderen zeiden? O, ze zijn gereed. En wij zijn het ook! Amen. Het is in orde. O, wat een voorrecht, wat een dag! Als de Christenen zich slechts zouden kunnen realiseren in welke dag ze leven. Oh!

51 Kunt u zich indenken wat de schrijver van dit Boek heeft gezien? Hij zag dat het zou worden gemanifesteerd in de laatste dagen; hij zag dat er een wachten en een reikhalzend verlangen zou zijn naar deze zonen van God, dat ze in de laatste dagen, aan het eind van het tijdperk, zouden opstaan met de kracht van de Heilige Geest, om de geheimenissen te openbaren en naar voren te brengen, die vanaf de grondlegging der wereld verborgen waren.

52 Maar laten we teruggaan naar de grondlegging van de wereld, om daar openbaring over te ontvangen. Laten we zien of we het goed hebben of niet. (Ik hoop dat ik mezelf niet heiligschennend gedraag als ik God "Papa" noem, maar ik wil het op die wijze zeggen, opdat u het zult begrijpen.) Papa! Papa wilde een paar kinderen, dus wat deed Hij? Hij zei: "Laat er engelen zijn!" En ze kwamen rond Hem staan. O, dat was fijn! Ze aanbaden Hem en toen was Hij 'God', die eigenschap van Hem. U herinnert zich, dat Hij El (E-l) – Elah – Elohim, "de in Zichzelf bestaande" was. Er was niets buiten Hemzelf. De eersten die er bij kwamen waren de engelen. Maar de engelen konden niet meer doen dan gewoon Hem aanbidden. Ze konden niet verloren gaan. Ze konden niet ziek worden, het waren onsterfelijke wezens. Dus Hij kon Zijn genezende kracht niet tonen, en ook Zijn reddende kracht kon Hij niet tonen. Dus voordat... Nu, laten we...

53 Toen zei Hij "We zullen iets tastbaars maken." Zo maakte Hij een aarde, en toen Hij de aarde gemaakt had, maakte Hij al de schepselen van de aarde en ook de mens. Van alles kwam er op uit de aarde: beginnend met een kikkervisje of een kwal (niet meer dan een vorm van vlees die op het water dreef). Het begon met die dingen; van daaruit kwam de kikker, wat naar men beweert de laagste soort van leven is die we kennen; een kikker. De hoogste vorm is het menselijk wezen. Van de kikker kwam het tot een hagedis, van een hagedis steeds verder door, en elke keer dat de Heilige Geest begon te ademen: "Sssj...", kwam er opnieuw leven. "Sssj...": een nog hoger leven, en zo kwam er al gauw iets in het beeld van God: een mens. Niets is er ooit geweest en nooit zal er ook maar iets worden geschapen dat hoger staat dan een mens, omdat een mens in het beeld van God is, ziet u? Dus de mens...

54 Toen maakte Hij Zijn eerste mens. Nu, toen Hij Zijn engelachtige wezens had gemaakt... Hij schiep de mens; "man en vrouw schiep Hij ze", samen in hetzelfde lichaam. Hij was zowel man als vrouw, zowel vrouwelijk als mannelijk. Hij schiep Adam en plaatste hem in het vlees. Herinner u dat Hij in Genesis 1 de man en de vrouw maakte, maar dat er in Genesis 2 nog geen mens was om de aarde te bewerken. Er was nog geen mens in het vlees, geen mens die iets kon vastpakken om de grond te bewerken, maar tòch was er een mens naar Zijn beeld. "God is een..." [Samenkomst zegt: "Geest." – Vert] Dat is juist. Zie? Hij maakte de eerste mens, "man en vrouw schiep Hij ze", toen Hij de eerste mens maakte!

55 Bedenk, dat Hij het alles reeds in Zijn gedachten had. Zondagavond nam ik dat al door: dat een woord een gedachte is die wordt uitgedrukt. God dacht eraan hoe Hij God kon zijn; hoe Hij aanbeden kon worden, hoe Hij een Heelmeester kon zijn en een Redder. En zo gauw Hij Zijn Woord uitsprak, was het voor altijd klaar. O, als deze zonen van God ook eens zoveel vat konden krijgen op dat Woord. Wanneer God een Woord spreekt, is het klaar, absoluut! Hij kan misschien gewacht hebben... In hun tijdsberekeningen beweren archeologen en dat soort mensen, dat de wereld misschien al miljoenen en miljoenen jaren oud was. Ik weet het niet; misschien waren het wel triljoenen en triljoenen jaren. Ik weet niet hoe lang het duurde. God bestaat niet in tijd. Hij heeft nog geen minuut minder tijd dan toen Hij haar in bestaan sprak. Hij is nog steeds God. Er bestaat bij Hem geen tijd.

56 Ik heb dat nooit op die manier geweten, tot onlangs, op een morgen. Eeuwigheid: geen gisteren, geen morgen, alles is: nu. Hebt u ooit gelet op dat woord 'IK BEN'? Niet 'Ik was' of 'Ik zal zijn'. Het is iets eeuwigs: 'IK BEN'! Ziet u? "Ik Ben", altijd!

57 Hij wilde de dingen in de tijd plaatsen. Hij moest iets maken dat Hem aanbad, dus formeerden Zijn eigenschappen dit. Hij maakte de mens. Toen zag Hij in deze mens dat hij eenzaam was. Dus nam Hij niet een ander stuk klei en maakte daaruit de vrouw, maar Hij nam een rib uit de zijde van Adam, nam van de geest van Adam het vrouwelijke weg en legde dat in deze rib; daarmee tonend wat Hij in Zijn grote gedachten voorhad met Christus en Zijn gemeente. Als u een man ziet die zich gedraagt als een moederskindje, dan is er iets fout. En als u een vrouw ziet die zich wil gedragen als een man, dan is er ook iets niet in orde. Kijk, het zijn twee totaal verschillende geesten. Maar samen vormen ze een eenheid: 'deze twee zijn één'. Hij formeerde dus de vrouw en de man en ze zouden nooit oud worden; nooit zouden ze sterven, nooit grijs worden, nimmer. Ze aten, ze dronken, ze sliepen precies zoals wij, maar ze wisten nooit wat zonde was.

58 Ik zal hier nu iets laten liggen voor een les een andere keer, over het zaad van de slang; wat ze me vroegen te herroepen. Maar dan wil ik wel eens iemand zien die me iets anders aantoont. Dat wil ik dan wel weten, ziet u.

59 Nu, maar na dit alles, toen de zonde binnenkwam; wat gebeurde er toen?

60 Heel ver weg, een miljoen, nee, honderden miljoenen mijlen hoog, is een ruimte die zo groot is en dat is perfecte agape-liefde. En elke keer dat u daar vandaan een stap deze kant op doet, wordt het een centimeter kleiner. Dan weet u hoe klein het zou zijn tegen de tijd dat het op aarde kwam. Het is een schaduw van de schaduw van de schaduw. Nu, dat is wat ú hebt. Dat is wat ik heb: een afschaduwing van de afschaduwing van de schaduw van agape-liefde.

61 Er is iets in u – in elke vrouw hier binnen die de twintig is gepasseerd, en in elke man hier die de twintig is gepasseerd – dat u zou willen vasthouden. U hebt maar ongeveer vijf jaar, dat is van uw vijftiende tot uw twintigste. Na uw twintigste begint u te sterven. En vóór u vijftien bent, bent u nog maar een opgroeiend kind. Daarna wordt u volwassen tot u twintig bent. En na uw twintigste... "O," zegt u, "dan ben ik nog even goed als tevoren." U zegt dat wel, maar u bent het niet. U bent stervende en u bent aan het opbranden, ongeacht wat u doet. God vormde u tot die leeftijd en dan begint u te sterven. Nu, wat is er gebeurd? U begint te sterven. Maar dan is daar binnenin u iets, dat zegt: "Ik wil weer achttien zijn."

62 Nu wil ik u iets vragen. Wat zou het zijn als u vijfhonderd jaar geleden werd geboren en u bleef maar achttien jaar oud tot op vandaag toe? Zou u dan geen antiquiteit zijn geworden met uw ideeën van vijfhonderd jaar geleden? Voordat de 'Pilgrimfathers' hier ooit kwamen, en u zou een jongedame zijn met dat soort ideeën; wel, u zou gewoon veel beter af zijn, als u gewoon oud was geworden en zo vijfhonderd jaar had geleefd. Ziet u, er is iets fout.

63 U zegt: "Wel, ik voel me nu tamelijk goed, broeder Branham. O, ik ben achttien, of zestien, ik voel me goed." Lieveling, ik zal je eens wat zeggen. Hoe weet je dat je moeder op dit moment nog in leven is, als zij hier niet in deze samenkomst zit? Hoe weet je of je vriend of vriendin niet een paar minuten geleden werd gedood? Hoe weet je of je morgenvroeg niet als een stoffelijk overschot ergens in je huis ligt? En u, hoe weet u, dat u vanavond de kerk levend verlaat? Het is zo'n onzekerheid. Er is niets zeker. Of u nu vijftien, twaalf, negentien of dat u nu vijfentwintig of negentig bent; alles is onzeker. U weet niet waar u staat. Maar toch verlangt u ernaar om terug te gaan en vijftien of achttien jaar te zijn. Wat maakt toch dat u dat wilt?

64 Nu, als u weer opnieuw achttien jaar wordt en daar blijft en u zou nooit ziek worden en nooit... dan zou u andere mensen bij u moeten hebben, anders zou u hen ontgroeien, ziet u. Mensen zouden verder gaan in andere tijden, maar u zou ouderwets worden. U zou het erger hebben dan wanneer u gelijk met hen op had geleefd. Maar toch is er iets in u dat verlangt om zo te zijn. Dat is dat beetje agape-liefde; die kleine schaduw die in u werkt van iets dat hier boven is.

65 Nu, onlangs 's avonds, of, om zeven uur in de ochtend, nam de Heilige Geest in Zijn goedheid en genade mij op. Buiten dit lichaam, geloof ik. Ik geloof dat dat het was. Of het al dan niet zo is, ik zeg het niet. Maar ik ging dat land binnen en zag die mensen en ze waren allen jong. Ik zag de mooiste mensen die ik ooit in mijn leven heb gezien. Hij sprak tot mij: "Sommigen van hen waren negentig jaar oud. Het zijn uw bekeerlingen. Geen wonder dat ze roepen: 'Mijn broeder! Mijn broeder!'"

66 Nu, dat is een hemels lichaam. Als wij sterven worden we geen mythe: we krijgen een lichaam. Als ieder van ons ditzelfde moment zou sterven, als er een atoombom zou vallen, die ons op dit moment zou wegvagen, dan zouden we binnen vijf minuten elkaar de hand schudden, elkaar om de hals vallen, roepen en ons verheugen, en God verheerlijken. Jazeker! En broeder en zuster Spencer die hier zitten, die vermoed ik één van de oudste echtparen zijn hierbinnen, zullen zo'n achttien – twintig jaar oud zijn. Broeder Neville zal gewoon een jonge kerel zijn, en ik zou zelf een jonge knaap zijn, en zo zouden we allemaal zijn... Dat is precies de waarheid. "Als deze aardse tent waarin wij wonen wordt afgebroken, hebben we er één die al op ons wacht."

67 Wanneer een kleine baby de moeder verlaat, bij een natuurlijke geboorte, dan draait z'n lichaampje zich en schoppen zijn beentjes. Vergeeft u me dit gezegde, u jonge vrouwen. Als hij dat doet, dan zijn het levende spieren die trekken. Maar zodra hij ter wereld komt gaat hij ademen en op dat zelfde moment komt er een geestelijk lichaam – een natuur – in die baby. En uit zichzelf zal hij met z'n hoofdje tegen de borst van de moeder aankruipen en beginnen te drinken. En als hij dat niet zou doen, dan zou de melk zelfs niet komen.

68 Hebt u ooit gelet op een kalfje dat pas geboren is? Dat het, zo gauw het kracht genoeg heeft om op z'n pootjes te staan (en wie vertelt hem dat?), regelrecht naar z'n moeder loopt, begint te zoeken en begint te drinken? O ja!

69 Wanneer dit aardse lichaam hier wordt gebracht, dan is er al een geestelijk lichaam voor gereed. En zodra dit... O, halleluja! "En wanneer deze aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wacht ons ginds een ander." Zodra we uit dit lichaam stappen, gaan we binnen in dat andere. Het is een lichaam dat geen koele dronk water verlangt, dat het drinken van water niet nodig heeft en dat niet eet. Het is niet gemaakt uit het stof der aarde. Maar toch is het precies zo werkelijk en kan voelen en handen schudden en liefhebben; alles is volmaakt. Dat lichaam wacht ginds op u. Het is één van de drie die er zijn.

70 U begint uw eeuwig leven hier bij het altaar. Hier begint u de eeuwigheid. O! U begint het eeuwig leven hier. Dan bent u wederom geboren: een zoon van God. En dan wanneer u sterft, dan begint u... Als de dood u treft in dit lichaam en uw hart klopt niet meer en de sterfelijke raderen beginnen stil te staan, dan wordt die kleine schaduw – die een schaduw was van de schaduw – in één seconde een schaduw van de schaduw. In de volgende wordt ze de schaduw; in de volgende seconde wordt ze een kleine beroering, in de volgende wordt het een kreek, dan wordt het een rivier, dan een oceaan en na een poosje staat u in de tegenwoordigheid van uw geliefden ginds, gekleed in de kledij van een hemels lichaam, waar u elkaar kent en elkaar liefhebt; u bent teruggekeerd tot een jonge man en een jonge vrouw. Zo is het. Het wacht daar dan tot het komen van de Here Jezus. En eens zal dat verheerlijkte lichaam van Zijn... Onthoudt u wel, dat dit een hemels lichaam is, geen verheerlijkt lichaam; een hemels lichaam. Op een dag zal dat hemelse lichaam de hemel verlaten met Jezus...

71 "Want wij willen u niet onkundig laten..." 2 Thessalonicensen, het vijfde hoofdstuk, of 1 Thessalonicensen 5 of daar ergens [1 Thessalonicensen 4 – Vert] ... "wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt zoals de andere mensen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is op de derde dag, zal God ook zó hen die ontslapen zijn in Christus wederbrengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een Woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan," (of: 'hinderen', dat is een beter woord), "want de bazuin des Heren zal klinken en zij die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan." Deze hemelse lichamen komen naar beneden en doen aardse, verheerlijkte lichamen aan. "Daarna zullen wij levenden die achterbleven veranderd worden in een oogwenk en zullen samen opgenomen worden met hen om de Here in de lucht te ontmoeten."

72 "Ik zal van nu aan voorzeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, noch eten, tot op die dag dat Ik het met u nieuw zal eten in het Koninkrijk Mijns Vaders" – bij het bruiloftsmaal. Want in de drieëneenhalf jaar dat de antichrist zijn heerschappij beëindigt, wordt de hele wereld vernietigd. De Joden worden eruit geroepen en Jozef maakt zich aan de heidenen, of nee, aan de Joden bekend. Bedenk, dat toen Jozef zich bekendmaakte aan zijn broeders, er geen heidenen bij aanwezig waren. Toen hij hen liet... U kent de geschiedenis van Jozef, de man die in elk opzicht het volmaakte type van Christus was. Toen Jozef zijn broeders had laten halen en ze gekomen waren en hij keek en ook de kleine Benjamin zag; hij zag hen daar, en toen hij... Ze zeiden: "Wel, deze man...! We hadden onze broeder Jozef niet moeten doden." Straks zien de Joden dat ze een fout hebben gemaakt, als Christus Zich aan hen bekendmaakt. En Jozef was zo ontroerd; hij begon bijna te huilen. Dus stuurde hij zijn vrouw en kinderen, de lijfwachten en al de anderen weg naar het paleis. Zo gebeurde het precies! En toen, in de tegenwoordigheid van alleen de Joden, zei hij: "Ik ben Jozef, uw broeder. Ik ben uw broeder!" Toen vielen ze neer en begonnen te sidderen en zeiden: "Nu weten we dat we gestraft zullen worden, omdat we onze broeder hebben gedood. We hebben gezegd dat we onze broeder hebben gedood en nu is hij deze grote koning."

73 Hij zei: "God had er een bedoeling mee, om levens te redden." En het is om precies dezelfde reden dat God het deed, om ons heidenen te redden. Maar de heidenen waren in het paleis. Halleluja! Omdat hij verworpen was door zijn broeders – Jozef – nam hij een bruid; en het was een heidense, niet een Joodse bruid.

74 Goed, wat staat u nu te wachten? Als wij dit heerlijke lichaam hebben gekregen, als het grote tijdperk dat zal komen er is; wanneer dit hemelse lichaam tot een verheerlijkt lichaam is gemaakt (begrijpt u wat ik bedoel?), dan kan ik heengaan en zeggen: "Broeder Neville!" Laat mij u een kleine illustratie geven. Ik zeg: "Broeder Humes, laten we vanmorgen naar Papa gaan. Hij is God! We kennen Hem nu. Hij is een Redder en een Heelmeester."

75 Er heeft nooit iets plaats gevonden, wat je 'de schepping van de zonde' zou kunnen noemen. Zo'n uitdrukking is niet best te verteren, vindt u wel? Zonde is geen schepping. O nee, zonde is een verdraaiing. Er is maar één Schepper en dat is God. "Zonde" is bedorven gerechtigheid. Wat is overspel? Het is verdraaide gerechtigheid. Wat is een leugen? Het is de waarheid verkeerd voorgesteld. Zeker. Wat is een vloek? Het is Gods zegen die werd verwrongen tot een vloek, die ze dan ook kregen in plaats van een zegen. Zonde is geen schepping. Zonde is een verdraaiing. Satan kon geen zonde scheppen; hij bedierf alleen wat God reeds had geschapen. Zo is het precies. Dood is niets anders dan verdorven leven.

76 Nu let op, denk hieraan. Dan zal ik aan komen lopen en zeggen: "Broeder Humes, laten u, ik, broeder Beeler en nog een paar broeders naar Papa God gaan; en laten we zeggen dat we een kleine tocht gaan maken. Jullie jongens hielden vroeger toch zo van de bergen?"

     "Jazeker."

77 "O, ze liggen daar over een paar miljoen kilometer verspreid, daarginds op de nieuwe aarde. Ga er maar heen en maak er een paar zwerftochten."

78 "Ik moet de zon elke dag richten zodat zij hoger komt. Ik zal jullie horen. Terwijl gij nog spreken zult, zal Ik horen." Dat is Jesaja 66, en zo is het.

79 En weet u, ik wandel daar rond – wij allemaal wandelen daar – ongeveer vijfhonderd jaar lang, zomaar een kleine tocht... En al duurde het een miljoen jaar, dat maakte geen verschil, ziet u. Dat klinkt krankzinnig, maar het is de waarheid. Zie, het is de waarheid, omdat daar geen tijd bestaat; het is eeuwigheid. En als ik daar dan heen ga en daar rondloop, weet u wie ik daar ontmoet? "Wel," zeg ik, "als we daar zuster Georgia Bruce niet hebben. Wel, zuster Georgia, het is een lange tijd geleden dat ik u heb gezien." Ze ziet er nog precies hetzelfde uit. Ze zou op dat moment misschien tien miljoen jaar oud zijn geweest, maar ze is nog net zo jong als ze ooit geweest was. En wie krabt ze daar op de rug? Het is Cheeta, de leeuw.

     Ik zeg: "Hoe gaat het jou deze morgen, Cheeta?"

80 Ze miauwt als een poes. "O," zegt zuster Georgia, "ik ben even naar ginds bij die grote bloemen geweest om te praten met een paar zusters daar. We zijn er ongeveer vijfhonderd jaar gebleven om naar ze te kijken." Ja, dat klinkt krankzinnig, maar het is de waarheid. Zo is het precies. Dat is de manier waarop God het bedoelde.

81 "Wel, God zegene je, zuster Georgia." Er kan geen kwaad komen, helemaal niets. Tegen de avond zullen we naar de top van de berg gaan en zeggen: "O, Papa God! Eens was ik verloren. O, Papa God, eens lag ik in de modder van de zonde en U redde mij!"

82 Wel, er zijn mensen die hebben geprobeerd om dat tot uitdrukking te brengen die krankzinnig zijn geworden. Zoals die man die dat laatste vers schreef van het lied "De liefde Gods". Het stond geschreven op de muur van een psychiatrische inrichting. Iemand die had geprobeerd om de liefde van God uit te drukken. Hoe Hij Zich vernederde om zondaars te redden, en hoe Hij dat deed, Zijn liefde die neerkwam om u en mij te redden. Over aanbidding gesproken: engelen weten daar niets van. Wat aanbidding betreft, een engel weet alleen dat hij daar staat en met z'n vleugels heen en weer beweegt en "Halleluja! Halleluja!" roept. Maar o, dan die genade om te weten dat ik verloren was en nu gevonden; dat ik dood was en nu leef. O God, ik was zonde, ik was modder, en ik was ginds op de vuilnisbelt.

83 Het beste wat het leven u kan bieden is dit: Bent u wel eens ginds op de Colgate vuilstortplaats geweest? Het is de afschuwelijkst stinkende plek waar ik ooit ben geweest. Die vieze rook maakt me gewoon al misselijk als ik het ruik. Om te liggen in al die vieze rook, zo ziek dat je maag zich omkeert alsof je motorolie had gedronken, zo ziek als u maar zou kunnen zijn, terwijl de ratten overal om je heen springen, proberend om van je te eten... Dat is het beste wat het leven je kan bieden. Maar dan, als je al heel oud bent geworden en jezelf niet meer kunt helpen, strekt Iemand Zijn hand uit en neemt je op! Hij pakt je gewoon op en verandert je in een achttien jaar oude jongen. Dan zet Hij je boven op een berg, in de bloei van je leven, kerngezond. O, heerlijk in de frisse lucht en met een koele dronk fris water... Zou u ooit weer terug willen naar die oude vuilstortplaats? Nee broeder, nooit, nóóit meer terug naar die vuilstortplaats!

84 Nu, dat is wat het betekent, vriend. Dat is wat het was, dat visioen of die opname, of wat het ook was, dat visioen. Ik zeg: een visioen, omdat ik bang ben om iemand te kwetsen, als ik zeg 'opgenomen' te zijn geweest. Maar dat was wat het was.

     Nu, dat is wat God deed om zonen en dochters tot Hem te brengen. Wie zijn deze mensen? Wat deden deze mensen om dit te verdienen? Hoe hebben ze het ooit klaargespeeld?

     Nu, God was er in den beginne, voordat er ook maar een engel werd geschapen. (Hoevelen weten dat Hij oneindig is?)

85 Even tot u, drieëenheidsbroeders: ik wil u niet kwetsen, maar ik vraag u in de naam van het goede Woord Gods, hoe u ooit Jezus als een afzonderlijk persoon kon voorstellen apart van God Zelf? Als Jezus iemand anders kon nemen en hem kon laten gaan om te gaan sterven voor deze mens hier, teneinde hem te redden, dan zou Hij onrechtvaardig zijn. Er is slechts één manier waarop God het ooit zou kunnen doen en dat zou zijn dat Hij Zèlf die plaats innam! En God werd vlees, opdat Hij de smarten des doods zou mogen ondergaan, om van ons de angel van de dood weg te nemen, opdat wij verlost zouden worden door Hemzelf. Dat is de reden dat Hij zo aanbeden zal worden! Jezus was een mens; zeker was Hij dat. Hij was een mens, een m-e-n-s, geboren uit de maagd Maria. Maar de Geest die ìn Hem was, was God zonder mate: in Hem woonde de volheid van de Godheid lichamelijk. (Colossenzen 2:9.) Hij was Jehova-Jireh. Hij was Jehova-Rapha. Hij was Jehova-Manasse. Hij was Jehova-ons Schild, Hij was ons Schild, onze Heelmeester, de Alpha en Omega, het Begin en het Einde. Hij was de Eerste en de Laatste. Hij is het Die is, Die was en Die komen zal; de Wortel en Spruit van David, de Morgenster, Hij was gewoon Alles-in-allen. In Hem woonde de ganse volheid der Godheid lichamelijk!

86 Altijd had de dood een angel gehad, zodat hij de mensen kon steken. "Aha!" zegt de duivel, "Ik heb je, omdat je naar mij luisterde. Ik steek je! Ik zal je in het graf brengen! Dat schapenbloed helpt je helemaal niets. Dat is maar gewoon dierenbloed." Maar God, in Zijn wijsheid, wist dat er een Lam zou komen, dat geslacht is sedert de grondlegging van de wereld. Jazeker. Hij wachtte op het moment, dat de volheid der tijden zou komen.

87 Maar op een dag, toen dit Lam kwam – deze Mens – werd zelfs Satan bedrogen. Wel hield hij Hem goed in de gaten; hij zei: "Indien Gij de Zoon van God zijt, doe dan dit... Indien Gij de Zoon van God zijt, doe dan een wonder en laat mij U het dan zien doen. Laat mij het dan zien! Nou...? Ik zal U een vod voor de ogen binden, dan zal ik U slaan en als U dan een profeet bent, vertel ons dan maar wie U sloeg. Maar ik geloof niet dat U die Man bent. Als U het bent, zeg ons dan rechtuit wie U bent." Ziet u, al dat soort dingen. "O, vertel ons dan wie U bent!" Maar Hij deed Zijn mond niet open. O – o, kamde Hij hem toen eventjes de wol over z'n ogen!

88 Hij keek om naar de discipel en zei: "Ik zou Mijn Vader kunnen aanroepen, en Hij zou Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen." Pilatus hoorde dat niet, weet u.

89 "Indien Gij het zijt... Indien... O, dat is Hem niet. Wel, kijk eens hoe Hij bloedt. Hé, laten er eens even een paar soldaten heen gaan om Hem in het gezicht te spuwen." Ze bespogen Hem, ze bespotten Hem en trokken handen vol baardhaar uit Zijn gezicht. "O nee hoor, Hij is het niet, kom nou..., dat is Hem niet! Ik zal m'n angel in Hem jagen, jongen! Nu zal ik Hem gaan krijgen! Nou heb ik Je!!"

90 Hij was mens toen Hij het uitriep en schreeuwde: "Eli! Eli! Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"

91 In de hof van Gethsémane verliet de zalving Hem, weet u; Hij moest als zondaar sterven. Hij stierf als zondaar, u weet dat. Maar het waren niet Zíjn zonden, maar de mijne en de uwe. Daar is het waar die liefde binnenkwam, toen Hij ook de mijne nam! O, halleluja, Hij nam ook de mijne!

92 Daar hing Hij; Hij kon Zijn mond niet open doen. En Satan zei: "Weet je, ik geloof dat dat maar een heel gewone man is. Hij werd helemaal niet maagdelijk geboren, want ik heb mijn angel in Hem verankerd."

93 En daar kwam hij en priemde zijn angel in Hem... Maar dit keer was het de verkeerde! Toen werd z'n angel uitgetrokken! En sinds die tijd kan hij niet meer steken. Hij liet zijn angel daar achter!

     Op de derde dag daarna stond Jezus op uit de dood en zei: "Ik ben Hij, die dood was en weer levend ben en Ik leef voor immer; Ik heb de sleutels van dood en hel." (Jazeker, hij kon niet zien Wie dat was.) "En omdat Ik leef, zult gij ook leven..."

94 Op een dag, drie of vier dagen daarna, nadat Hij was opgevaren naar de Vader, en was teruggekeerd, zeiden sommigen: "O, dat moet een spookverschijning geweest zijn. Er moet op de een of andere manier iets spookachtigs met die Man zijn. Toen jullie Hem zagen is dat vast een visioen geweest."

     "Nee, het was echt Jezus zelf."

95 Thomas zei: "Laat mij Zijn handen maar zien, en zo, dan zal ik jullie vertellen of Hij het is."

96 Hij zei: "Hier ben Ik." Hij zei: "Hebben jullie daar nog wat vis en wat brood? Geef Mij een boterham." En ze brachten Hem een boterham en Hij stond daar en Hij at het. "Nu," zei Hij, "eet een geest zoals Ik? Heeft een geest vlees en beenderen zoals Ik?" Zie? Hij zei: "Ik ben het. Ik ben het Zelf."

97 Paulus zei: "Het is nog niet precies geopenbaard wat voor een soort lichaam we zullen hebben, maar we weten dat we een lichaam zullen hebben zoals het Zijne." Wat? Had Hij ooit dat theofanie-lichaam? Jazeker, want toen Hij stierf, zegt de Bijbel, ging Hij (en "Hij" is weer een persoonlijk voornaamwoord), ging Hij naar de hel en predikte daar tot de zielen in de gevangenis. Hoe ging Hij daarheen? Hoe deed Hij dat? Hij had zintuigen om te voelen, om te horen en Hij kon spreken; Hij predikte! Hij was daar met hetzelfde soort lichaam, als waar ik onlangs 's avonds degenen in zag die verheerlijkt waren. Hij predikte tot de zielen die in de gevangenis waren, die ongehoorzaam geweest waren toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten in de dagen van Noach.

98 Dus toen Hij opstond op Paasmorgen, was het niet mogelijk dat dat lichaam ontbinding zou zien, omdat David, de profeet, dat tevoren had gezien: "Gij zult Mijn ziel niet aan het dodenrijk overlaten, noch Uw Heilige ontbinding doen zien. Ja, ook Mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, omdat Gij Mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch Uw Heilige ontbinding zult doen zien." En tweeënzeventig uur voor de ontbinding kon intreden stond die theofanie weer op, dat lichaam dat heenging en predikte tot de zielen die in de gevangenis waren, die zich niet hadden bekeerd tijdens de lankmoedigheid in de dagen van Noach. Het sterfelijke deed onsterfelijkheid aan; daar stond Hij en at... en Hij vertelde ons dat Hij een mens was. Halleluja!

99 Dat is de wijze waarop wij Hem zullen zien, broeder Evans, wanneer Hij op de troon van David zal zitten. Halleluja! Dan zal het zijn dat we overal heen zullen wandelen en ik een uitstapje met u zal maken van een miljoen jaar, daar over de bergen. Ziet u, gewoon een paar dagen, een paar minuten hebben we nodig om erover heen te trekken, en daar eens even te gaan zitten.

100 En als het tijd wordt om te eten, weet u, dan zie ik ineens zuster Wood, en ik vraag haar: "Zuster Wood, wel, waar bent u heel die tijd geweest, ik heb u, o het lijkt me al een kwartier, niet gezien?"

     "O, dat is tweeduizend jaar geleden, broeder Branham."

101 "Ja, ja. Hoe voelt u zich nu?" O natuurlijk, u kunt zich daar niet anders voelen dan goed.

102 "Hé, kom eens hier, jongens, ik zal jullie eens wat laten zien, mijn geliefde broeders. Hier is een bron: het beste water dat u ooit hebt gedronken. We zullen er een heerlijke koele dronk uit nemen. Dan zal ik daar even zo'n hele grote tros druiven plukken en zullen we allemaal gaan zitten om te eten." Zal dat niet wonderbaar zijn? Dat is precies wat het is! Zo is het daar gewoon... Hoe verkrijgen we dit? Hoe weten we dit? Doordat God ons er vóór de grondlegging van de wereld toe voorbestemde. Wie? Hen die in dat beloofde land zijn.

     ... tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid... (Opdat wij Hem zouden prijzen, zoals Hij zei. Dat is wat Hij is: 'God', en wij willen Hem prijzen.) ... tot lof van de heerlijkheid Zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.

     In Christus zijn we begenadigd en aangenomen.

     En in Hem hebben wij de verlossing door Zijn Bloed, de vergeving van de overtredingen, de z-o-n-d-e-n...

103 Ik moet terugkomen op de 'aanneming', maar ik wil hier eerst even stoppen voor het woord: 'zonden'. Hebt u op dat woord gelet? Weet u, dat God een zondaar niet veroordeelt vanwege de zonden die hij doet? Hij veroordeelt hem vanwege het feit dat hij een zondaar is. Als een zondaar een sigaar rookt, dan veroordeelt Hij hem daar niet voor, hij is tòch een zondaar, hoe dan ook. Ziet u. Hij heeft helemaal geen zonden, de zondaar heeft ze niet; hij is gewoon een zondaar, ziet u. Hij heeft helemaal geen zonden. Maar ú hebt wel zonden, u die een Christen bent. U merkt dan ook dat Hij hier tot de gemeente spreekt; hoe Hij haar in orde houdt. Ziet u, 'vergeving van zonden': z-o-n-d-e-n. Wij zondigen, de zondaar niet; hij is gewoon een zondaar, God vergeeft hem niet.

104 "Maar", zegt u, "hij heeft hier een man doodgeschoten! Wat doet u daar dan aan?" Dat zijn mijn zaken niet. Ik ben geen hervormer, ik ben een prediker. Daar zal de justitie wel voor zorgen; zij zijn de hervormers.

105 "Wel," zegt u, "maar hij heeft overspel gepleegd." Dat is een zaak voor de rechtbank. Dat is tussen hem en de justitie. Ik ben geen hervormer. Ik verbeter de mensen niet; ik wil dat ze worden bekeerd. Ik ben prediker, ziet u; het is mijn zaak om hem tot God te brengen. Als hij zondigde, zijn dat zijn zaken. Maar hij is een zondaar, God veroordeelt hem op een hoger niveau; hij is van aanvang aan al veroordeeld. Hij is nog niet eens bij het eerste honk. Hij is nog nergens. Hij is een zondaar om mee te beginnen. Zonden heeft hij helemaal niet: hij is een zondaar.

106 U zou niet 's nachts naar buiten kunnen gaan en zeggen: "Tot zover is het nacht, maar dit hier is géén nacht." Nee, het is 's nachts allemaal nacht. Alles is nacht. Dat is wat God zei. Ik zeg u: hij is gewoon een zondaar. Dat is alles. "Wel," zegt u, "maar hij heeft dit gedaan en dat... Dit stukje is dan wel nacht, maar dit stuk is dan een heel heldere nacht hierzo." Ik weet het, maar toch is het gewoon allemaal nacht, zonder meer. Ziet u?

107 Ik zou niet kunnen zeggen: "Dit stukje hier is licht." Nee, alles is hier licht, het is alleen maar licht; u zou niet kunnen zeggen hoeveel, ziet u. Maar als het hier op een bepaalde plek helemaal donker is, dan zit dáár duisternis.

108 Wij hebben dus vergeving van onze zonden: z-o-n-d-e-n, waardoor? Door Zijn Bloed, door Zijn dierbaar Bloed.

     ... naar de rijkdom Zijner...

109 Hoe kunnen we het vergeten? Was het omdat wij waardig zijn? Omdat wij iets deden om onze zonden vergeven te krijgen? Door Zijn wat?

     ... genade,

110 O Heer, ik breng voor mijn behoud, U geen wierook, mirre of goud... Niets zou ik kunnen doen. Er is helemaal niets wat ìk zou kunnen doen. Kijk! Hij bestemde mij voor, Hij riep mij. Hij koos mij. Ik was het niet die Hem koos. Hij koos mij. Hij koos u. Hij koos ons allen! Wij kozen Hem niet. Jezus zei: "Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen" en: "Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke; ... alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen... en niemand uit hen is verloren gegaan dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd." Ziet u? Hij heeft het gezegd: "Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen!"

111 O, ik maak het te laat, nietwaar? En ik ben hier nog niet eens mee klaar; ik ben hier nog maar nauwelijks mee begonnen. Laat ik voortmaken. Ik moet nog even een ogenblik terugkomen op die 'aanneming'. Wilt u mij vergeven, dat ik nog even een ogenblikje verder ga? Sommigen komen helemaal uit Georgia naar hier, voor alleen vanavond – de Here zegene hen. Nu, broeder uit Georgia en uit Texas, of waar u maar vandaan komt, luister naar dit vijfde vers. Laten we er nog een paar ogenblikken bij stilstaan.

     Hij heeft ons tevoren ertoe bestemd...

112 Waar duidt het woord 'ertoe' op? Waarop duidt het? Dat woord 'ertoe' duidt op iets waar we naartoe gaan. Zoals in: "Ik ga naar de bron toe. Ik ga ergens naartoe. Ik loop naar de lessenaar toe." Begrijpt u dat, broeder Humes?

     Hij heeft ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen, door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil.

113 Hoeveel welbehagen? Wiens welbehagen was het? Wiens goedheid? Zijn Eigen welbehagen, van Zijn Eigen wil.

114 Nu, wat is dan dat aangenomen worden? Laat ik dit nu nemen, al weet ik niet of ik nog tijd zal hebben om er helemaal doorheen te komen; anders zal ik er later nog op komen. Als er een vraag is, dan kunt u mij die daarna nog stellen.

     Luister, uw 'aanneming' is niet uw geboorte. Uw aanneming is uw plaatsing. Als u wederomgeboren wordt – in Johannes 3:17, meen ik dat het staat – wederomgeboren uit de Geest van God, dan zijn we zonen Gods. Maar we waren reeds voorbestemd. Nu, hier is het punt wat ik u probeer te brengen, over deze zonen van de laatste dag, ziet u. Dat u ziet dat we werden voorbestemd tot aanneming.

115 Nu, hier hebben we het. Dit is wat voor Pinkstermensen een beetje hard aankomt. Zij zeggen: "Ik ben wederomgeboren! Prijs de Here, ik heb de Heilige Geest!" Fijn. U bent een kind van God. Dat is waar. Maar toch is dat niet waar ik nu met u over spreek. Ziet u, u werd voorbestemd tot aanneming: die adoptie is het pláátsen van een zoon.

116 Ik ben daar te dicht bij, want Becky zei me dat ik er te dicht bij kom en dan kun je me achterin niet horen. Dat is zo, zie.

117 Een kind. Nu, hoevelen kennen de regels van de aanneming in het Oude Testament? Natuurlijk hebt u... Kijk. Een zoon werd geboren... Ik geloof dat ik het in een andere prediking al eens doornam. Welke was het, broeder Gene; herinnert u het zich? Het staat op een band. O, wat was het. Ik heb het doorgenomen. O ja, ik heb het. "Hoort Hem." "Hoort Hem", gaat ook over aanneming van zonen.

118 Daar in het Oude Testament, als er in een gezin een kind werd geboren, dan was hij sinds hij werd geboren een kind. Omdat hij werd geboren uit zijn ouders, was hij een zoon van dat gezin en erfgenaam van alles. Deze zoon werd dan opgevoed door privé leraars. (Zie Galaten 5:17–25.) Goed, hij werd opgevoed door privé leraars, schoolmeesters en opvoeders. Stel bijvoorbeeld dat ik een zoon kreeg. Ik ben een vader en...

119 Hoevelen hebben er ooit bij nagedacht, dat er een heel eigenaardige zin in de King James-vertaling staat? Er staat: "In het Huis Mijns Vaders zijn vele woningen." Een huis, met daarin vele woningen, ziet u? In werkelijkheid was het zó, in de dagen dat de King James-vertaling werd gemaakt, dat een huis een domein voorstelde: "In Mijns Vaders domein zijn vele woningen." Niet woningen in een huis, maar Hij werd de Vader van dit domein genoemd. Ze hadden het erg Bijbels vertaald; in de Bijbel is het ook zo.

120 Als een vader dan zo'n hele grote boerderij had, van duizend hectare, dan had hij een heleboel mensen die daar woonden. Hier had hij gehuurde knechten, die daar woonden om de schapen te verzorgen. Dáár had hij er een paar wonen, die zorgden voor de koeien. Ginds had hij dan nog enigen, die daar naar die hoog gelegen schuren gingen, honderd kilometer verderop. Dan had hij er die voor de geiten zorgden, en verderop nog een paar die toezicht hadden op de muildieren en zo en nog vele andere zaken. Hij had eigenlijk een groot koninkrijk en van tijd tot tijd klom hij op z'n kleine ezel en dan reed hij rond. Hij ging naar ieder toe om te kijken hoe ze het maakten met het schapen scheren en al die andere dingen. Hij had geen tijd...

121 U kunt mij niet horen als ik hier vandaan loop. Ik zal proberen hier achter te blijven. Kunt u me nu goed horen? Let op.

122 Hij ging heen om te zorgen voor zijn koninkrijk. Het is zijn verlangen, dat straks zijn zoon erfgenaam zal zijn van al deze dingen die hij bezit, want hij is de erfgenaam.

123 Nu, wanneer wij geboren worden in het Koninkrijk van God door Jezus Christus, dan zijn wij erfgenaam van de hemel, mede-erfgenamen met Jezus, omdat Hij onze plaats innam. Hij werd ons (zonde), opdat wij Hèm mochten worden (gerechtigheid), ziet u? Hij werd mij opdat ik Hem mocht worden, begrijpt u dat? Om mede-erfgenamen te zijn met Hem. Laten we ons dat allemaal goed bewust zijn.

124 Bedenk dat God u voorbestemde – door voorkennis – dat u hier naartoe zou komen. (Iedereen die dat begrijpt, steek uw hand even op.) God bestemde u door Zijn voorkennis voor, om naar het beloofde land te komen. Wat is het beloofde land voor de Christen vandaag? Steek even uw hand op als u het weet. [Handelingen 2:39:] "Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die verre zijn." [Vers 17:] "En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; uw zonen en uw dochters..." Jesaja 28:13 zegt: "Wet op wet, wet op wet, eis op eis, hier wat, daar wat." (Houdt vast aan wat goed is.) "Want voorwaar, door mensen die een onverstaanbare taal spreken en in een vreemde tongval, zal Ik tot dit volk spreken. Hij die tot hen gezegd heeft: Dit is de Rust..." (Dit: de Rust, die ze zouden binnengaan: het sabbatsland, waar ik over sprak), "maar zij wilden niet horen. Ze schudden hun hoofd en liepen weg en wilden het niet horen." Ziet u? Precies.

125 Wat was het? Het is gewoon precies zoals die mensen die helemaal uit Egypte waren gekomen, heel de woestijn waren doorgetrokken, vlakbij kwamen, dicht genoeg om de druiven te proeven die uit het land kwamen. Broeders, er zijn mannen die willen dat ik dat herroep, over Hebreeën 6. Hoe zou ik dat kunnen?! Het zijn grensgelovigen, ze zullen nooit oversteken! Zij kunnen niet oversteken. Ze zeiden: "Onze vaderen aten het manna in de woestijn."

126 Jezus zei: "En zij zijn allen gestorven." Dat is wat hen afscheidde. Ze zijn allemaal dood. Dat is waar. Hij zei: "Ik ben het levende Brood, dat van God uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit Brood eet, hij zal in eeuwigheid leven." [Johannes 6:50–51] Zo is het. Zeker, hij heeft eeuwig leven, als hij dit eet. "Ik ben die Boom des levens uit de Hof van Eden."

127 Nu kijk, die mensen die kwamen er zó dicht bij! Ziet u, als u er op let, in Hebreeën 6, niet om daar op terug te komen, maar in Hebreeën 6 staat dat dezen eens deelgenoten zijn geweest en van de hemelse gave hebben genoten, zó dicht zijn ze ertoe genaderd. Ze hebben erbij gezeten, zagen genezingen gebeuren, zij zagen mensen in de kracht van God, ze zagen levens veranderd worden, maar ze willen er geen hand naar uitsteken. O nee. Nee, nee. "Ze hebben de krachten der toekomende eeuw geproefd en zijn daarna afgevallen. Het is onmogelijk hen opnieuw tot bekering te brengen, daar ze – wat hen betreft – de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken. Ze hebben het Bloed des Verbonds, waardoor ze geheiligd waren..."

128 Ze zeggen: "Ik hoor bij een kerk die in heiliging gelooft." Dat is goed, voor zover dat het gaat, maar u gaat niet ver genoeg. Ziet u? De woestijn heiligde hen. Inderdaad. Zij hadden daar de koperen slang en het koperen altaar en dat alles: heiliging, maar ze gingen Palestina binnen voor de rust. Ze gingen niet...

129 Kijk eens in Hebreeën 4. Sprak Hij daar niet van een 'andere rust'? God schiep de zevende dag en gaf hen rust op die zevende dag. Een andere plaats waar Hij over de rustdag sprak: "... en heden, in David..." Toen gaf Hij hen een andere rust: "Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven." Ga binnen in deze rust! ("Want wij die tot deze rust zijn ingegaan zijn ook zelf tot rust gekomen van onze werken, evenals God van de Zijne.") Op de sabbat. Zeker. Daar is uw sabbat, de rust. Daar is uw werkelijke rust in dit beloofde land.

130 De Heilige Geest is een belofte voor de mensen. Waarom willen ze bestudeerde schoolse predikers, die hun toestaan om korte broeken te dragen, hun haar te laten afknippen en lipstick te gebruiken; die toelaten dat mannen dobbelen, bier drinken, moppen vertellen, en zo maar door leven en zich dan leden van de kerk noemen. Waarom accepteren ze zulke predikers en weigeren ze het leiderschap van de Heilige Geest? Wel, de Bijbel zegt dat het Woord van God scherper is dan enig tweesnijdend zwaard en het scheidt vaneen gewrichten en merg en is zelfs een onderscheider van de gedachten in het hart. Ja, zelfs de gedachten van de geest!

131 En als wij de wereld liefhebben of de dingen van de wereld, dan is de liefde van God zelfs niet in ons. "Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren; want eng is de poort en smal de weg die ten leven leidt en weinigen zijn er die hem vinden. Velen zullen tot Mij komen in die dag", zei Jezus, "en zullen aanliggen met Abraham, Izaäk en Jakob, in het Koninkrijk; maar de kinderen van de koninkrijken zullen uitgeworpen worden en zeggen: 'Here, hebben wij niet dit gedaan in Uw Naam? En in Uw Naam gepredikt? Waren wij niet doctor zus en zo, en eerwaarde zo en zo?' Ik heb u nooit gekend. Gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid, Ik heb u niet gekend. Niet een ieder die tot Mij zegt: 'Here, Here', zal binnengaan, maar wie doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is, die zal binnengaan."

132 Daar hebt u het: het binnengaan in dit beloofde land. Hoe komen wij er binnen? We zijn ertoe voorbestemd, de gemeente is ertoe voorbestemd door de voorkennis van God. Voorbestemd voor wat? Om te zijn tot Zijn eer, door Zijn genade, tot eer en aanbidding en glorie van God. Papa, die daar vroeger in den beginne alleen was, in Zichzelf bestaande, met niets om Zich heen; Hij wilde iets wat Hem aanbad en dus bestemde Hij tevoren een gemeente voor, voor de grondlegging van de wereld, en plaatste hun namen in het levensboek van het Lam, toen zij voor de grondlegging der wereld waren geslacht, opdat zij tot Zijn eer en Zijn lof mochten verschijnen in het eind der tijden, wanneer alle dingen in die ene mens, Christus Jezus, zullen worden samengevat. Oh! Glorie! Dat is het! Daar is het, mijn broeder en zuster. Gaat u daar nooit bij vandaan!

133 God riep u, door Zijn uitverkiezende genade. God – door Zijn uitverkiezende genade – heiligde u. Door Zijn uitverkiezende genade en kracht, doopte Hij u en zette Hij u in dit land der rust. Zij die zijn binnengegaan in deze rust, zijn aan het einde gekomen van hun dwaalwegen. Ze kwamen tot rust van hun werken, zoals God van de Zijne. Ze hebben een onuitsprekelijke vreugde; zijn vol heerlijkheid!

     De Boom des Levens bloeit in hen. Ze hebben lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, door geduld gevormd geloof, lieflijkheid, vriendelijkheid, enzovoort. De Boom des Levens bloeit in hen, omdat hun hoop verankerd is in Christus Jezus. Het getuigenis van de Heilige Geest betuigt dit met de tekenen en wonderen, die de gelovigen volgen. ("Deze tekenen zullen hen volgen die geloven...") Als ze voortgaan, genezen ze de zieken, werpen ze duivelen uit, spreken ze in tongen en zien ze visioenen. Zij wandelen met God, ze spreken met God. Geen duivel kan hen van hun plaats krijgen, ze zijn standvastig, zien uit naar eeuwig leven. Vergetend hetgeen achter hen ligt, jagen ze naar het doel der roeping Gods in Christus Jezus. Daar hebt u het. Daar bent u er. Dat is die gemeente.

134 Hoe kwamen ze daar? U kunt niet zeggen: "Wel, Heer, U weet, dat ik op een dag begon met sigaren te roken, en toen viel ik en toen dacht ik dat ik wel..."

     O nee, nee, nee,...

135 Door voorbestemming! Hij riep ons. En als wij Hem volgden, dan was dat als we zeiden: "God, we waren verloren en vergaan. We hadden zelfs niet in ons om onszelf te redden. We waren van nature varkens; wij waren varkens om mee te beginnen."

136 Gaat u maar eens naar een varkenshok en zeg eens tegen een oude zeug die daar loopt: "Kijk eens hier, beste meid, ik wil je iets zeggen. Het is niet goed dat je draf drinkt."

137 Dan zal ze u niet begrijpend antwoorden: "Oink-Oink?" Ziet u? Dat is nu precies hoeveel u van uzelf hebt om uzelf te redden. Zo is het precies...

138 Als u zegt: "Dame, u behoorde niet zulke kleren te dragen, u hoorde u netjes te kleden. U behoorde dit te doen en niet naar deze kaartavondjes te gaan. U behoorde geen sigaretten te roken. U zou dit niet moeten doen. Meneer, u behoorde dat niet zo te dragen."

139 Dan antwoordt hij: "Oink-Oink. Ik hoor tot de Oink-Oink." Ja, "Oink", dat is net ongeveer alles wat ze ervan weten: "Wel, ik wil u wel even dit zeggen, dat ik net zo goed ben als u! Oink-Oink!" Ziet u, zij verwerpen de leiderschap van de Heilige Geest, want de Bijbel zei, dat als gij de wereld of de dingen van de wereld liefhebt, de liefde van God zelfs niet in u is.

140 Wat maakt ze dan zo bijzonder? U bent een heilige natie. Wat hebt u dan gedaan? U bent weggetrokken uit dat land. En u bent nu in een ander land. Hoe bent u daar gekomen? Dat is het land der belofte. Wat voor een soort belofte? "En het zal komen te geschieden in de laatste dagen, zegt God, dat Ik van Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees." Door één Geest zijn wij allen gedoopt in dit ene beloofde land. Amen. Broeders en zusters, halleluja, met reinheid van hart, geen jaloezie, geen vijandschap, niets! Het maakt me niet uit of een broeder misschien afdwaalt, ongeacht wat hij ook doet, u zult achter hem aangaan.

141 Niet lang geleden ging ik achter een broeder aan, hij was afgedwaald. Een jongeman zei tegen me: "Laat die dwaas toch gaan. Laat hem toch lopen."

142 Ik zei: "Als ik ooit zover kom, dat mijn hart niet uitgaat naar mijn broeder, dan is het tijd dat ik naar het altaar ga, omdat ik dan uit de genade ben gevallen." Ik zei: "Ik zal gaan, zolang als hij nog adem in zijn lichaam heeft, en ergens onderweg zal ik hem te pakken krijgen." Jazeker. En ik kreeg hem te pakken – halleluja! – en bracht hem terug. Jazeker. Hij is nu veilig terug in de kudde. Jazeker. Anders zou hij zijn afgevallen, zo zeker als tweemaal twee vier is.

143 Daarnet nog, toen ik die arme kleine vrouw daar zag zitten. De sheriff had me opgebeld en gezegd: "Wel, we hoorden haar in een dwangbuis te stoppen. Ze heeft een delirium, ze is haar verstand kwijt." Maar ze brachten haar in een hotel tot ik kwam. Ik zei: "Dat is in orde."

144 De sheriff zei: "Wel, Billy?" – Ik ken hem heel goed, al sinds ik een jongen was. – Hij zei: "Als er iets is wat ik voor je kan doen om je te helpen..."

     Ik zei: "Dat is in orde."

     Hij zei: "Kunt u haar helpen?"

     Ik zei: "Nee, maar Híj kan dat; breng haar maar bij mij."

145 Dus brachten ze haar. En toen ze daarnet wegging, had ze vrede. Wat was het? We zonden een gebed op, haar achterna. Amen! Ze was zo...

146 Ze vroegen: "Wilt u een dokter laten komen?" Ze vroegen haar man: "Wilt u er een dokter bij halen?"

147 Hij zei: "Een dokter kan niets voor haar doen." En dat was waar. Ze was krankzinnig; de dokter kòn niets meer voor haar doen.

     Hij zei: "Onze enige hoop is om daar te komen."

     "Billy", zei de sheriff, "ik begrijp dat niet."

     Ik zei: "Dat verwacht ik ook niet van u, ziet u. Dat verwacht ik ook niet."

148 En o, ik begrijp het al evenmin! Nee! Maar broeder, ik herinner me wel, dat toen ik eens ginds buiten liep, er iets achter mij aan kwam. Amen! Het was niet omdat ik wilde komen. Nee, iets kwam achter mij aan. Omdat God van tevoren, voor de grondlegging der wereld, bepaalde – halleluja – dat wij de Zijnen zouden zijn tot Zijn eer en glorie. Luister! Wat heeft Hij gedaan met degenen die Hij tevoren kende? Hij heeft hen geroepen. Is dat juist? Heeft Hij u geroepen? Ja! Waarom heeft Hij u geroepen? Hij kende u al tevoren. Degenen die Hij tevoren kende, heeft Hij geroepen. En die Hij heeft geroepen, heeft Hij ook gerechtvaardigd. Is dat juist? En degenen die Hij heeft gerechtvaardigd, heeft Hij verheerlijkt! Amen!

     Dat is wat de Bijbel zegt [Romeinen 8:30]:

     En die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen;... (Uit elke generatie!) En die Hij geroepen heeft... dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

     Wat...? Laten we hier een Schriftgedeelte lezen [Efeze 1:5]:

     In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid Zijner genade,

149 O, begrijpt u het? Tot lof Zijner heerlijkheid! Opdat Hij het daar tot in de tijden der eeuwigheid die zullen komen, zou kunnen horen, dat zijn kinderen zouden roepen: "Abba, Vader. Abba, Vader!"

150 En de engelen zeggen: "Waar spreken ze toch over? Waar hebben ze het over?"

151 In de gelijkenis van de verloren zoon wordt het zo prachtig getoond. "Ik was verloren." "Dit is Mijn Zoon. Hij was verloren en is nu gevonden. Hij was dood en is weer levend geworden. Haal het gemeste kalf, het beste kleed en doe hem een ring aan z'n vinger. En laten we..." O, geen wonder dat de morgensterren tezamen zongen en de zonen Gods jubelden van vreugde, toen zij het plan van de verlossing zagen, toen God al vóór de grondlegging van de wereld uw naam in het boek zette.

152 "Wel", zegt u, "Calvijn geloofde ook zoiets." Ik geloof Calvijn niet. Calvijn was een moordenaar. Calvijn bracht een man ter dood, omdat hij in Jezus' Naam doopte. Hij was een gemeen iemand die zelf van node had bekeerd te worden. Jazeker. Maar sommige dingen die hij zei waren juist. Maar wat zijn handelwijze betreft: wie een mens om die reden kan doden, dat is afschuwelijk, dat is zondig. Goed.

     Welke Hij ons overvloedig heeft bewezen...

153 Maar wacht, ik ben nog niet aan ons onderwerp, de "aanneming" toegekomen, is het niet? Ben ik te laat? Laten we even kijken wat deze klok erover zegt, hoeveel tijd we nog hebben. Goed. Wel, laten we nog even een tiental minuten nemen, terwille van de mensen die van zo ver zijn gekomen.

154 Kijk, laat ik u door een voorbeeld tonen, wat deze 'aanneming' inhield. Stel u een vader voor, die een groot koninkrijk heeft waar hij doorheen trekt. En dat hem een zoon wordt geboren. O, hij is gelukkig! (Dat is God.) Weet u wat die Vader doet? Hij zoekt de allerbeste opvoeder, de beste leraar. U weet wat een opvoeder is, is het niet? Het is een soort onderwijzer. Hij zoekt de allerbeste onderwijzer die hij in het hele land kan vinden. (En daar hebben we het nu, luister.) Hij zoekt de beste onderwijzer die hij kan vinden. Hij neemt niet zomaar zo'n apekop. Hij wil dat zijn jongen een echte kerel wordt.

155 Wilt u dat ook niet van uw kinderen? Zeker, u wilt het beste wat u ze kunt geven! Zeker. En als een natuurlijk mens al zo denkt, wat denkt u dan, hoe God over Zijn kinderen denkt. Hij geeft hen het beste wat Hij kon krijgen.

156 Hij wil iemand die eerlijk is. Niet iemand die zegt: "Wel, kijk maar waar je zin in hebt, beste jongen." "O, ja, vader, het gaat goed met hem hoor; het is een fijne jongen." Iemand die hem schouderklopjes geeft en hem een pluim op de hoed steekt. Nee, nee. Die man zou op staande voet ontslag krijgen! Zeker. Die vader wil iemand die waarachtig zal zijn. Iemand, die als het met die jongen de goede kant opgaat, het hem vertelt en als het niet zo is, hem dan ook zegt wat er verkeerd is.

157 En als een aardse vader al zo denkt... Zou u niet willen dat die onderwijzer eerlijk was tegenover u over uw kinderen? Zeker. Hoe zou u dan menen, dat God erover denkt? En Hij weet het; wij niet, maar Hij wel. Wij zijn beperkt, wij zouden het niet kunnen zeggen. Maar Hij is oneindig en Hij weet het wel.

158 Dus weet u wat de Vader deed? Hij heeft niet gezegd: "Ik zal een paus gaan aanstellen om over Mijn kinderen te waken." Evenmin zei Hij dat Hij een bisschop zou nemen. Nee, nee. Dat deed Hij niet, omdat Hij wist dat de paus verkeerd zou gaan en de bisschop evenzeer. Ziet u? Hij heeft nooit gezegd: "Ik zal een algemeen voorzitter over Mijn gemeenten aanstellen om over hen te waken." Nee, nee.

159 Hij nam de Heilige Geest. Dàt was Zijn Leraar, die Zijn kinderen zou opvoeden. Goed! Hoe zou u dan weten wat de Heilige Geest weet? Hij spreekt door menselijke lippen. Hoe weet u dan dat Hij de Waarheid vertelt? Als de Heilige Geest door lippen spreekt, die precies elke keer de Waarheid vertellen, die voorspellen en het komt precies zo te gebeuren, zoals Samuël zei, dan weet u dat het de Waarheid is. Dan komt het goed. Want God had gezegd: "Als hij spreekt en zijn woord wordt niet vervuld, luister dan niet naar hem, want Ik ben niet met hem. Maar als het wel uitkomt, hoor dan naar hem, want Ik ben met hem." Ziet u? Daar hebt u het. Op die wijze doet Hij het.

160 Nu, dan gaat hij rond. Nu, wat denkt u dat die leraar zou zeggen als hij naar de vader moest komen om te zeggen: "O, uw kinderen gedragen zich verschrikkelijk. Ik moet u eerlijk zeggen dat die jongen van u een afvallige is. Hij is een nietsnut. Ik heb nog nooit zo'n kerel meegemaakt! Als u ziet, wat hij doet... En die dochter van u! O nee... Ik weet niet wat u met haar zou moeten aanvangen. Weet u waarom? Ze ziet eruit alsof ze... Ze is helemaal beschilderd, net als die meisjes van de Filistijnen ginds. Ze wil precies doen als zij."

     "Míjn dochter?"

161 "Ja, uw dochter." Ja, dat is wat de Heilige Geest moet meedelen over de gemeente van vandaag. Geen wonder dat we geen opwekking kunnen hebben. Ziet u? Dat is waar.

     "En hoe staat het met mijn zoon?"

     "Precies hetzelfde..."

     "Wat?!"

162 "Wel, u hebt altijd gezegd, dat deze schapen gehoed moesten worden in die weiden daarboven, daar waar dat schapenvoedsel groeit. Weet u wat hij deed? Hij dreef ze daar naar die onkruidhoop, daar beneden. Hij nam ze daar gewoon mee heen, dreef ze allemaal tegelijk die kreek in en liet ze daar rondhangen bij die onkruidhoop. Ze eten daar van die oude wilgebomen, en ze zijn zo armzalig, dat ze er nog maar nauwelijks uit kunnen komen." Daar hebben we de bisschoppen, de voorgangers die de kracht daarvan verloochend hebben. [2 Timotheüs 3:5] "Ik vertel u de waarheid: ik heb nog nooit in mijn leven zulke nerveuze schapen gezien." Dat vindt hij niet fijn. O nee. "Weet u nog dat u zei dat dat vee hier moest grazen waar die heerlijke lucerne groeit om ze vet te maken?"

     "Ja."

     "Weet u wat hij ze geeft?"

     "Nee."

163 "Hij voert ze ijzeronkruid. Ja. Hij laat ze lid worden van verenigingen en dat soort dingen. Zoiets hebt u in uw hele leven nog niet meegemaakt. Weet u wat hij doet? Hij stapt daar rond met een grote sigaar in zijn mond; de punt in de lucht. Heeft z'n vrouw bij zich; ze draagt korte broeken net als die Filistijnen daar..." Ja, dat is het soort boodschap, dat de Heilige Geest moet overbrengen over de gemeente van vandaag. Nu, wat denkt u daar van?

164 We spreken nu over aanneming. Wat deed Hij? Hij bestemde ons ertoe voor om aangenomen te worden. Hij gaf ons de Heilige Geest! Maar wacht even, aanneming, daar spreken we over. Aanneming!

165 "Wel, weet U wat hij doet? Nu, de bisschop kwam onlangs voorbij, net toen hij daar een kleine genezingsdienst aan het houden was. En de bisschop kwam langs. Een of andere man, een broeder, was daar gekomen en was aan het bidden voor de zieken. En hij zei: 'Stop daarmee!'"

     "O ja, vader-bisschop, dat zal ik doen."

     "Werk daar niet aan mee!"

     "O nee, vader-bisschop, zeker niet."

166 "Wel, en toen kwam Ik eraan en vertelde hem de waarheid, regelrecht uit Uw Woord. Kijk, hier staat het. Ik las hem Uw wetten voor, precies wat hij moet doen, maar hij wilde niet naar Mij luisteren. Hij zei: 'O, dat was voor een ander tijdperk, dat werd aan een andere zoon geschreven, in vroeger dagen. Dat telt niet voor mij.'"

     Daar hebt u het. Nu, dat is de waarheid vriend. Ziet u niet waar de gemeente haar plaatsing mist; waarom we geen opwekking meer hebben, waarom deze dingen niet meer gebeuren? Dat is waar het aan ligt.

167 Jozua zei het hun: "Gad, ik wil jij... hier ligt jouw grondgebied overeenkomstig de blauwdruk. Jouw gebied ligt hier, precies hier. Jij gaat hierheen Gad en daar blijf je. Benjamin, jij gaat daarheen. En blijven jullie allemaal bij de grens met de Filistijnen vandaan!" En als Jozua dan terugkomt, zijn ze allemaal de grens overgestoken naar de Filistijnen; ze hebben weer eens een groot ouderwets bal, en maar dansen... Al de vrouwen hebben zich opgeschilderd, dansen rond en hebben een geweldige tijd. En Jozua krabt zich op z'n hoofd: "Wat nu?" Dat is nu precies wat er momenteel plaats vindt; niet allen, dank God, niet allen, maar toch te veel. Goed.

168 Nu, wat gebeurt er dan? Kijk wat er gebeurde. Kunt u zich niet indenken dat die Man, de Heilige geest, zou blozen van schaamte, als Hij de Vader dàt moet zeggen? "O, Ik houd het hem voor, maar hij wil er niet naar luisteren. Ik zei het hem en Ik liet het hem zelfs lezen, hier in het Boek. Ik liet zelfs een kleine prediker langskomen om hem te laten zien, dat Jezus Christus dezelfde was, gisteren, heden en voor immer. Maar weet U wat hij deed? Hij liet één van die oude geitenhoeders komen en die vertelde hem dat dat voor een ander tijdperk is geweest, ziet u. En hij rook zo vies, die keer dat hij daar geweest was; zo'n geitenlucht, weet U, sigaren en zo. Hij rook zo vies, toen hij daar was geweest." (Ziet u?) "Maar Ik zeg U, dat die geitenhoeder heel wat eremetaal opgespeld had, dat zeg Ik U. Als U zijn naam en zijn titels op papier zou willen zetten (z'n sterflijst), dan zou U een half blad nodig hebben, om het allemaal uit te schrijven. O zeker, ze mogen hem daar erg graag in dat land, maar Ik zeg U: hij heeft er bepaald geen weet van hoe hij schapen moet voeden."

     "Dat is nog maar één ding. Hij wil gewoon niet naar Me luisteren", zegt de Heilige Geest. "Ik probeerde hem te vertellen dat U Dezelfde bent, gisteren, heden en voor eeuwig, maar hij wil gewoon niet luisteren. Het is de grootste lafaard die Ik ooit in m'n leven heb gezien. Ja, en de gemeente heeft hem aangesteld tot voorganger, bisschop, enzovoort. Alle mensen luisteren naar hem. En weet U wat ze doen? Ze nemen die... Ze hebben zo'n klein ding daar, dat ze een televisie noemen. En dan zetten ze zo'n oud ding aan, en dan komen er van die vrouwen op, die zich misdragen en allerlei soorten half kledende jurken aan hebben. En wist U, dat een heleboel van Uw dochters dat nadoen?"

     "O, dat is toch niet waar?"

169 Hij zegt: "Ja, dat doen ze. Ze doen het! Maar sommigen roepen ook om een opwekking, Vader; sommigen willen dat werkelijk. En er zijn sommigen die werkelijk in het gareel lopen, die zo vast op Uw Woord staan als ze maar kunnen. Bij die anderen weet ik niet meer wat eraan te doen, zo ver zijn ze afgedwaald. Weet U wat die anderen doen? Ze bespotten hen en zeggen dat ze een stelletje gekken zijn."

     "Wel, dat bedroeft Mij heel erg."

170 Maar laten we nu het beeld eens veranderen. Als de zoon van die Vader nu eens een goede jongen was. Z'n Vader geeft hem de Leraar, de Heilige Geest.

     Nu, de Heilige Geest komt en zegt: "Ik ga op weg."

171 De jongen antwoordt: "Dan zal ik met U meegaan. Ik ga direct met U mee."

     "O, helemaal over de heuvels, zoon."

172 "Ik zal gewoon met U meegaan, ik heb vertrouwen in U. Als ik moe begin te worden, dan zult U mijn hand wel vastpakken en me verder omhoog helpen."

     "Maar er zitten leeuwen daarboven op de heuvel!"

173 "O, dat geeft niet, als U maar in de buurt bent, dan maakt het mij niet uit, dan loop ik er recht op af."

     "Weet je wel dat je het daarboven zwaar krijgt? Het zijn allemaal glibberige rotsen."

174 "Dat maakt mij niet uit. Zo lang U m'n hand vasthoudt, zal ik gewoon naast U blijven lopen. Ik zal vlak naast U blijven."

     "O, weet je wat? Dat deed je vader vroeger ook, zie je. Dat is prima!" Jazeker.

175 "En zo kwamen we daarboven op de top van de heuvel. Weet u wàt, Vader? Uw zoon is gewoon een spaander van datzelfde oude blok. Hij is uit hetzelfde hout gesneden. Hij is absoluut precies als U. Op elk Woord dat U zegt, zegt hij 'Amen'. Ik liet hem onlangs in de Bijbel het gedeelte opslaan waar staat: 'Jezus Christus is Dezelfde gisteren, heden en voor immer.' Weet U wat hij zei? Hij schreeuwde het uit, stak z'n handen in de lucht en riep: 'Halleluja, Amen!' O, U weet dat hier in Uw Woord geschreven staat: 'Hij die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen.'"

176 "Ja, Ik herinner me, dat Ik dat aan m'n zoon schreef. Ik weet dat Ik hem dat heb geschreven."

177 "Wel, toen hij dat zag, schreeuwde hij het gewoon uit, hij sprong op en neer en riep: 'Halleluja! Here, neem heel de wereld uit me weg en maak mij zo!' Al die dingen heeft hij gedaan!"

178 "Wel," zei de Vader, "Ik ben blij dat Ik zo'n zoon heb. Dat is een fijne jongen. Goed. Houd hem een jaar of wat in het oog en kijk hoe hij het verder doet, hoe hij opgroeit en of hij vorderingen maakt." Enkele jaren gaan voorbij. "Hoe gaat het nu met hem?"

179 "O, hij neemt zelfs toe in genade! Hij heeft zich bepaald niet in de put laten drukken, dat vertel Ik U. En hij kan met die schapen omgaan, precies zoals U dat Zelf doet. Hij zal ze bijvoorbeeld nooit zeegras geven. Hij zal ze nooit ijzeronkruid laten eten. En als ze komen en ze beginnen erover dat ze willen toetreden tot de kerken, dan zegt hij: 'Houd je kalm, dat hebben jullie niet nodig! Nee. Hier is wat jullie nodig hebben: bekeert u en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.' Dat zei hij hen."

     "O, zei hij dat werkelijk?"

     "Ja, Meneer, dat doet hij echt."

     "Wel, dat is precies wat Ik hem schreef!"

     "Dat is precies ook de wijze waarop hij het zegt."

     "Hm, ja, Meneer."

180 "Een van hen las: 'Wacht in de stad Jeruzalem totdat gij kracht zult ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt; en weest Mijn getuigen te Jeruzalem en in geheel Judéa en Samaria en tot het uiterste der aarde.' Toen hij dat las, riep hij uit: 'Halleluja, dat is wat u nodig hebt!' Weet U wat hij doet? Hij neemt ze gewoon direct mee, nadat zij het hebben ontvangen, dat is alles, en blijft meteen bij ze."

181 "En als ze beginnen te redetwisten, dan zegt hij: 'Ho, ho, ho, wacht een ogenblik, wacht eens even. Dat is zoals geiten zich gedragen, maar schapen toch niet?' Ziet u? O, soms beginnen ze wel eens een beetje op hem te mopperen, maar dan klopt hij ze eventjes zo op de rug en spreekt hij ze toe: 'Wacht maar even, stil maar, sst, sst, alles is in orde.' O, hij weet echt hoe hij die schapen moet leiden. Jazeker, dat zeg Ik U."

182 "Weet U wat er gebeurde? Ik zag dat aartsbisschop Zo-en-zo hem zei dat hij niet naar een bepaalde stad mocht gaan om er een samenkomst te houden. Maar weet U, Ik leidde hem zo'n beetje. Ik zei: 'Ga tòch.'" Ziet U, dat zijn al deze geluidsbanden. "'Laat die geluidsbanden niet worden verspreid!' Maar het gebeurde toch! En toen hij naar deze steden hier ging, zeiden ze: 'Wel, we zullen u niet steunen...'"

183 "En weet U, toen kwam de duivel daar en zei: 'Ik wed met U, dat ik hem uit de stad kan houden.' Ik zei: 'Dat kun je niet. Als Ik hem zeg te gaan, dan zal hij gaan. Ik zeg je dat hij zal gaan.' 'O nee, nee, ik zal hem wel eens wat aan zijn verstand brengen! Ik zal heengaan en zeggen dat al mijn vertegenwoordigers moeten samenkomen.' En hij deed het en zei hen: 'Jullie willen toch niets van dat oude fanatisme hier binnenhalen, al dat gedoe met Goddelijke genezing en dat vreemde Heilige Geest-spul. Dat is al jaren geleden gestopt, dat eindigde met de apostelen... Weet u, het deugt daarginds niet.' Hij probeerde ze van dat oude ijzerkruid te geven en dat soort dingen."

184 "Maar weet U wat: hij ging er gewoon heen, hoe dan ook. Ging daar regelrecht heen begon alfa-alfa-gras uit te strooien. En toen hij weer terugkwam, weet u wat er gebeurd was? Die schapen waren beginnen te eten en ze werden zo vet als ze maar konden. Jazeker, en ondertussen zijn er genezingen, zijn er samenkomsten en weet u, een heleboel van die jonge kerels zijn begonnen.

     Wel, ze zorgden ervoor dat ze een hele grote berg van dat hooi, van dat alfa-alfa-gras konden krijgen. Bent u benieuwd wat ze er ermee gedaan hebben? Het was zo goed, dat ze ermee naar hun buren zijn gegaan en zeiden: 'Proef dìt eens! Neem het! Teenagers maak je gereed! Jazeker, dit wat ik hier heb; hier is het, hier is het! Ziet u? Nu, laat ieder van u zich bekeren en ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus, dan kunt u de Heilige Geest ontvangen. Elk die wil mag komen; laat hem hierheen komen en zien wat de Bijbel zei.' Ziet u? Ze hadden daar een geweldige tijd."

185 "O, dat is Mijn zoon! Dat is Mijn jongen! Wel, denkt U dat hij de mannelijke rijpheid heeft bereikt?"

186 "Jazeker heeft hij dat", zei de Heilige Geest. "Ik heb hem beproefd. Ik beproefde hem op de ene manier en op weer een andere manier. Ik heb hem geveld, zodat hij ziek werd. Ik heb hem onder druk gezet. Ik heb hem gestompt; Ik liet de duivel alles met hem doen wat hij maar kon, Hij kwam regelrecht weer omhoog. Hij kwam toch steeds evengoed weer omhoog. Ziet u, hij stond weer op. Toen maakte Ik hem ziek. Toen deed Ik dit. Ik liet hem in het ziekenhuis belanden. Ik nam hem hier vandaan, deed dit met hem en deed dat met hem. Ik zette zijn vrouw tegen hem op; Ik zette z'n buren tegen hem op. Ik liet alles tegenwerken. Maar dat maakte hem geen enkel verschil. Hij zei: 'Al slaat Hij mij, ik zal Hem vertrouwen!' Ik doodde z'n gezin. Ik nam dit en dat van hem af, ja, Ik deed dit alles; Ik deed dit, dat en nog wat, maar nog steeds stond hij pal: 'Hoewel Hij mij slaat, toch zal ik Hem dienen! Hij is mijn!'"

187 "Wel, Ik geloof dat we hem maar eens ergens naar een speciale gelegenheid moesten laten komen om de aannemingsplechtigheid te houden."

188 Nu, dat gebeurde in het Oude Testament, als de vader begreep dat zijn zoon de leeftijd had gekregen, en zover gerijpt was, dat hij als zoon kon worden aanvaard. Tot hij zover gerijpt was! Ze waren als zijn kinderen geboren, maar dan werden ze werkelijk een zoon. Ze zouden nooit meer zijn dan gewoon en kind, een normale zoon, totdat ze volwassen zijn geworden en getoond hebben wat ze waard zijn. Dan roept hij hen eruit.

189 Nu, nu zijn we er, gemeente. Bent u gereed? Het is een beetje laat. Laat ieder op z'n vinger bijten, z'n ziel wakker schudden en nog even z'n hart wat moed inpompen; dan gaan we ook de gemeente plaatsen. Nu, wanneer de gemeente tot die plaats komt, zegt Hij: "Manasse, ga jij hierheen, en Efraïm, jij hoort hier..."

190 Wel, de vader neemt zijn zoon mee naar een bepaald gebouw of een bepaalde plaats en zet hem daar op een verhoging, zoiets als dit. En terwijl ze er allemaal omheen komen staan, voltrekt hij een ceremonie aan hem en zegt: "Ik wil dat iedereen weet dat dit mijn kind is en dat ik mijn zoon aanneem. En ik wil dat iedereen weet, dat zijn naam van nu af aan... Ik heb hem gekleed, hij heeft een speciaal kleed aan. En ik wil dat u weet dat van nu af aan zijn naam, op welke cheque dan ook, evengoed is als mijn naam. Hij is mijn kind, ik neem hem aan in mijn gezin, alhoewel hij altijd mijn zoon al is geweest, sinds hij werd geboren. (Sinds hij de Heilige Geest ontving, is hij Mijn zoon geweest.) Maar nu zal ik hem z'n plaats en de autoriteit gaan geven. Wie hij zal ontslaan, is ontslagen en wat hij huurt is gehuurd."

191 "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien gij tot deze boom zult zeggen, of indien gij tot deze berg zult zeggen: 'Wordt bewogen', en niet twijfelt in uw hart, maar gelooft, dat wat gij hebt gesproken zal komen te geschieden, dan zal het u geschieden." Ziet u het? Daar hebt u het; dat is het. Ziet u? "Hij is Mijn zoon!" Hoevelen wisten al dat zij vroeger een zoon pas aannamen, nadat hij zich had bewezen? Wie heeft het ooit in de Bijbel gelezen over het plaatsen van een zoon?

192 Nu, God deed hetzelfde met Zijn Zoon, toen Hij Jezus meenam naar de Berg der Verheerlijking. Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes mee; dat zijn drie getuigen van de aarde. En dan waren daar op de berg: Jezus, Mozes en Elia, en God. Daar stonden ze op de berg. Wat gebeurde er toen? Ze keken en Jezus werd voor hun ogen verheerlijkt. Is dat juist? Hoevelen weten dat dit de Schrift is? Wat deed Hij? Hij kleedde Hem in het kleed der onsterfelijkheid. Er staat: "Zijn klederen werden zo wit als de zon." Klopt dat? En een wolk overschaduwde Hem. Petrus en Johannes en zo, vielen op hun aangezicht. Ze keken en daar stonden Mozes en Elia met Hem te spreken. Mozes was al lang gestorven. Hij was achthonderd jaar geleden begraven in een graf zonder opschrift. En Elia was vijfhonderd jaar tevoren met een wagen naar de hemel gegaan. O, maar ze waren er nog steeds! Daar stonden ze en spraken met Hem. Ziet u, Hij had Jezus daarheen opgenomen om hen te ontmoeten, om te zien waar het allemaal om ging, om dat te zien, om Hem deze dingen te tonen. En ze spraken met Hem, hadden een gesprek met Hem.

193 Toen Petrus weer opkeek – de verheerlijking was van Jezus geweken – zagen ze niemand dan Jezus alleen. En er had een stem uit die wolk geklonken, die zei: "Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, hoort Hem! Zijn Naam is nu net zo goed als de Mijne. Hoort Hem!" Dat betekent het om een aangenomen of een geplaatste zoon te zijn.

194 Nu, dat is de positie waarin God de Pinkstergemeente in het boek der Efeziërs probeert te krijgen. Begrijpt u het? (We moeten sluiten omdat het laat gaat worden, de kinderen worden slaperig.) Ik wilde op dit vers nog wat verder ingaan, tot aan het laatste deel van het dertiende vers: "Verzegeld met de Heilige Geest der belofte", maar dat lukt niet meer. We zullen dat zondag nemen, om te zien wat ons binnenbrengt en hoe we hierdoor worden bewaard.

195 Maar nu, hoe wordt u 'geplaatst'? Wel, eerst wordt u geboren in het Koninkrijk door de Heilige Geest. Hoevelen weten dat? Goed. Vervolgens bent u ergens toe voorbestemd. Tot wat? Tot de aanneming. Wat wil dat zeggen? U bent voorbestemd om uw plaats in te nemen.

196 Ik geloof dat het zuster Scott is, die daar zit. Bent u niet diegene die vandaag bij die vrouw was? Er gaat een leer rond door de wereld en door verschillende delen van het land – ik heb er al heel wat over gehoord – dat Jezus hier op aarde is, dat Hij rondwandelt in een lichaam en dat Hij binnenkomt en zus of zo doet. Dat is een leugen! Zijn Heilige Geest is het die hier is, en Hij probeert Zijn gemeente op haar plaats te brengen. Hij probeert Zijn gemeente op orde te brengen en haar te plaatsen in het beloofde land, zodat al de vijanden eruit kunnen worden gedreven.

197 Manasse kan zijn land niet nemen. Ik kan geen genezingsdienst houden wanneer de helft van de... Wanneer ik heenga en de doop predik in de Naam van Jezus Christus, zeggen de drieëenheidsbroeders: "O, dat is er één van de 'Jezus-Alleen'-kerk." En dan kan ik daar niet komen om Goddelijke genezing te prediken, want slechts de helft van hen zegt dat Goddelijke genezing juist is. En velen van hen verheugen zich in de wonderen van God, en dan zeggen ze: "Wel, ik geloof dat broeder Branham een profeet is, maar laat ik u erbij zeggen: alleen zolang de Geest op hem is en hij de onderscheiding heeft, is hij de dienstknecht des Heren. Maar Zijn lering is verrot, die deugt niet." Hebt u ooit zo'n onzin gehoord? Het is of wel van God, of het is niet van God. Dat is waar. Het is helemaal van God of helemaal niet van God. Op die wijze is het. Maar hoe zult u gaan handelen? Manasse wil niet op zijn eigen grondgebied blijven, Efraïm wil niet op zijn grond blijven. Gad wil zijn grond niet houden en ook Benjamin wil niet op zijn gebied blijven. Ze trekken hier buiten allemaal op met de Filistijnen en komen helemaal in de war. Hoe zullen we ooit worden geplaatst? Maar toch werden we geboren door de Heilige Geest, wij allen. Is dat niet waar? Waartoe zijn wij geboren? Er is een voorbestemming... Nadat wij zo geboren zijn, zijn we voorbestemd tot die aanneming om te worden geplaatst in het lichaam van Christus. Ziet u wat ik bedoel?

198 Waaruit bestaat dan het lichaam van Christus? Wel, sommigen zijn apostelen, sommigen zijn profeten, sommigen zijn leraars, evangelisten of herders; is dat waar? We worden ertoe geroepen. Anderen hebben gaven van het spreken in tongen, van uitleg van tongen, van wijsheid, kennis, wonderen en krachten. Al deze verschillende gaven zijn er. En wat deden ze nu? Ze gaan dat een klein beetje in de praktijk brengen. Wat gebeurt er? Ze laten het maar gaan zoals het komt. De een staat op en spreekt in tongen en dan begint een ander ook te spreken. [Broeder Branham imiteert dan even het geluid van een verwarring en wanorde van stemmen – Vert] Dan is de prediker misschien aan het prediken of doet een uitnodiging, waaronder ineens iemand opstaat, in tongen spreekt en uitroept: "Halleluja, God zij geprezen!" En als de prediker dan misschien toch doorgaat met z'n boodschap te brengen, omdat de zalving op hem is, dan zeggen de mensen: "Hij is teruggevallen." Ziet u, dat komt omdat ze niet zijn onderwezen.

199 De Bijbel zegt dat de geest der profeten onderworpen is aan de profeten. God is geen schepper van verwarring. Als ik hier sta, dan dien ik onder de zalving van God. Ongeacht hoeveel u in tongen wilt spreken, u houdt u rustig totdat God hier klaar is. En dan, als u in tongen spreekt, dan kan het niet gewoon maar een iets herhalen uit de Schrift zijn, omdat God zei geen ijdele herhalingen te gebruiken, maar het is een boodschap die direct tot iemand is gericht. Vraag me maar, of wijs me maar één keer aan dat de Heilige Geest ooit onder de zalving iemand iets vertelde wat alleen maar een steeds herhalen van de Schrift was. Nee, het vertelde hem iets dat verkeerd was met hem, of iets wat ze hadden gedaan en iets wat ze moesten doen, of iets wat moest gaan gebeuren of zoiets dergelijks. Is dat juist?

200 En zo is het ook met het spreken in tongen en de vertolking daarvan! Als er één in de gemeente is die in tongen spreekt en een ander die het uitlegt, laat het dan ongeveer als volgt zijn: Laten we zeggen dat broeder Neville opstaat en in tongen spreekt. Dan geeft deze broeder hier de uitleg en zegt: "Ik zeg deze man hier, dat hij hier gisteren is weggegaan en dat hij dit en dat verkeerd heeft gedaan. Vandaag zei de dokter dat u kanker had. Ga heen en maak de zaak in orde. Kom hier dan terug om in het reine te komen met God."

     Dan zegt die man: "Waarlijk, dat is de waarheid." Dan is God met u.

201 Maar hoe zullen we dat op deze wijze gaan krijgen? Ziet u? Het is gewoon: boem, bats, pats, op goed geluk; hoe dan ook, van een op z'n plaats komen is geen sprake. Ziet u? De Efeziërs proberen het, maar ziet u, ze missen dat. Dáár missen ze het. Onze voorbestemming is om als zonen te worden aangenomen! Nu, hoevelen begrijpen wat ik bedoel; steek even uw hand op. Het is de aanneming! We worden uit de Geest van God geboren, zeker, dan ontvangen we de Heilige Geest en we roepen "Abba, Vader! Halleluja! God zij geprezen!" En dat zijn we, het is waar, we zijn kinderen, maar we kunnen nergens toe geraken: we kunnen die Filistijnen er maar niet uit krijgen...

202 Kijk eens hoe Billy Graham daar stond, toen die Mohammedaan hem uitdaagde en zei: "Bewijs het dan!"

203 Of kijk eens hoe Jack Coe daar stond. En dat die 'Kerk van Christus' de handen ineen sloeg met die atheïst daar en zijn zijde koos. Zij die verondersteld werden Christen te zijn, en toch samen optrokken met een duivel als deze Joe Lewis; een vrijdenker, die God zelfs vervloekt; een man die beweert dat er om te beginnen al niet zoiets als 'God' bestaat. En dat dit soort dingen gebeuren met de gemeente, die zichzelf een 'Kerk van Christus' noemt. Dat ze zo iemand de hand schudden en zich aan zijn zijde scharen, tegen broeder Jack Coe! Hoe zult u op die manier iets gaan bereiken? En de Pinkstermensen – velen van hen – waren tegen Jack Coe, terwijl elke prediker in ons land zij aan zij met hem behoorde te hebben gestaan en het had moeten uitroepen: "God, zend Uw kracht neer!" Ziet u, daar is de toestand: we kunnen niet worden geplaatst.

204 Efraïm wil niet op zijn plaats blijven. Eén van hen trekt hier maar eens heen en vindt Manasse, daar vlakbij en zegt: "Tjonge, wat heeft de Here u toch een prachtig maïsveld gegeven!" En dan komt Gad eraan, en zegt: "Wel, wacht eens even. Er werd nu wel van mij verwacht dat ik haver zou verbouwen, maar ik wil óók maïs hebben. Halleluja!" Ziet u? U hebt niets te maken met maïs, verbouw haver, de haver is uw deel om te verbouwen. Er wordt niet verondersteld dat u schapen hoedt, wanneer er van u wordt verwacht koeien te weiden. God wil de gemeente plaatsen. Maar ieder van hen wil precies hetzelfde doen: "Halleluja!" En u kunt er bij hen geen woord over kwijt. Nee, nee. Ze hebben nog steeds die geite-natuur, u weet wel: "Maar, maar, maar, maar..." Ziet u, u kunt dat niet tot hen laten doordringen. Dat is waar. Nu, is dat niet zo? En daarom kunt u de gemeente niet op haar plaats krijgen. Ziet u?

205 De gemeente wordt verondersteld voorbestemd te zijn tot de aanneming van zonen. God kan een mens nemen en hem aannemen in Zijn gezin en hem iets geven. Nu, onderzoek dat eerst eens en bekijk of het juist is. De Bijbel zei ons om de geesten te beproeven. Deze man beweert een bepaald iets: beproef het en kijk of het juist is. En als het juist is ga er dan in mee. Dan zegt u: "Here, zend ons nog iets anders." Blijf zo doorgaan, ziet u, blijf gewoon doorgaan tot ieder z'n plaats heeft gevonden. Dan zult u zien dat de gemeente van God haar positie begint in te nemen. Dan gebeurt het dat de Filistijnen zich zullen gaan terugtrekken. De korte broeken zullen verdwijnen, haar zal groeien tot het lang is, gezichten zullen gewassen worden, sigaren zullen gaan ontbreken. Zo is het. Wanneer de gemeente in haar machtige kracht begint te komen, wanneer daar een Ananias en een Saffira zullen zijn en een paar van die mensen. Jazeker. U zult het zien wanneer die Heilige gemeente eendrachtig in haar kracht standhoudt, op haar plaats gekomen als zonen van God, aangenomen in Gods gezin: een machtige gemeente die daar staat in haar heerlijkheid. O, dáár komt Hij voor!

206 Maar ziet u hoe ver we daar nog van verwijderd zijn, broeders? U kunt het zelfs niet eens worden over de Schrift. En ieder – wie het ook zij – die in de Bijbel de waterdoop in de Naam van de Here Jezus Christus niet kan zien, die is of blind, of er is ergens geestelijk iets niet in orde met hem. En daar is het waar de grote strijd woedt.

207 Ik daag iedereen – wie dan ook – uit om één Schriftgedeelte aan te voeren waar iemand in de nieuwe gemeente ooit werd gedoopt in een andere naam dan in de Naam van Jezus Christus. Want als hij op welke andere manier ook was gedoopt, dan moest hij overgedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, om de Heilige Geest te ontvangen. Kunt u het me anders laten zien? Iets anders staat er niet. Een andere opdracht bestaat niet. Jezus zei: "Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen en doopt hen in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes." En noch 'Vader', noch 'Zoon' of 'Heilige Geest; is een naam; geen ervan is een naam. Het was Petrus, die er – tien dagen later al – een andere wending aan gaf toen hij zei: "Bekeert u en een ieder van u late zich dopen in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden." En zo staat het overal in de Bijbel.

208 Er waren daar wel sommigen die op een andere wijze gedoopt waren, door Johannes namelijk, maar dat was alleen een doop van bekering. Paulus zei: "U moet opnieuw gedoopt worden. U moet weer komen."

209 "O, maar wij zijn gedoopt door een grote heilige, door Johannes, de man die Jezus doopte."

210 "Goed, maar dit is het Evangelie. Het is de Geest van God die dit aan mij geopenbaard heeft. Ik ben een apostel van de Here en al kwam er een engel uit de hemel u iets anders verkondigen..."

211 Laat ik u dat even voorlezen. De Bijbel zegt: "Al zou een engel..." Paulus zegt: "Ook al zou een engel uit de hemel iets anders verkondigen," – laat hij een bisschop zijn, een aartsbisschop, paus, synodevoorzitter, of wat ook meer – "als hij u iets verkondigt, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!" Er is geen... Wij hebben zulke gewoonten niet. O nee. Zoiets is er gewoon niet. Maar waarom kunnen de mensen deze dingen niet zien? Waarom kunnen de mensen dat nu niet geloven? [Dan zegt iemand in de samenkomst: "Voorbestemd!"] Hoort u dat? Iemand sloeg daar de spijker op de kop. Broeder Gene. "Voorbestemd", precies. Waarom? "Alles wat de Vader Mij heeft gegeven, zal..." (wat?) "tot Mij komen." Helemaal precies! "Alles wat de Vader Mij heeft gegeven, zal tot Mij komen." Wat is er met me aan de hand? Ik weet niet waarom ik het nu niet kan vinden... Ja, hier heb ik het.

212 Goed, laat ik deze verzen even lezen, dan zal ik u vertellen wat Paulus zei over deze dingen die ik vanavond aanhaalde in de boodschap die ik predikte. Hier staat wat Paulus zei over voorbestemming, over de waterdoop in Jezus' Naam, de doop van de Heilige Geest, het aanstellen in de gemeente, enzovoort. Hier is wat hij tot deze Galaten zei [Galaten 1:6–9]:

     Het verbaast mij, dat gij u zo schielijk van degene, die u door de genade van Christus geroepen heeft, laat afbrengen... (Met andere woorden: "Ik schaam mij voor u dat u iemand binnen laat komen die u daarvan afbrengt") tot een ander evangelie, en dat is geen evangelie.

     Er zijn sommigen, die u in verwarring brengen en het Evangelie van Christus willen verdraaien.

213 Maar let nu op en bedenk dat het Paulus was, die er bij elk persoon die niet was gedoopt in de Naam van de Here Jezus Christus, op aandrong om zich te laten komen overdopen in de Naam van de Here Jezus Christus. Hoevelen weten dat dit waar is? Hoevelen weten dat het Paulus was die zei dat deze geheimen sinds de grondlegging van de wereld verborgen waren geweest, en aan hem werden geopenbaard, dat wij werden voorbestemd om zonen te zijn, om tot de aanneming tot zonen te komen. Het werd onderwezen. Kijk hier wat hij zei:

     Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!

214 Zeg niet maar gewoon: "Ik ben het hier niet met u eens, meneer." Maar laat hem gewoon vervloekt zijn. Laat ik het volgende vers lezen:

     Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, zeg ik thans nog eens: indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt!

215 Dat is juist. Nu, broeder, zuster, als het God was, pas geleden – ik zeg dat hopelijk niet oneerbiedig – als God het was die me meenam om te kijken in dat oord... Nu, ik word wat opgewonden. (Ik denk niet dat ik zozeer opgewonden word, maar ik word gewoon gezegend bij het prediken.) Ik raak buiten mijzelf en houd u hier maar vast tot ik weet dat u slaperig en vermoeid bent geworden. Maar o, als u eens kon beseffen hoe graag ik wil dat u daarginds komt! Ziet u? Ik zou dit nog eens willen zeggen, wat er gebeurde toen Hij zei: "Zou u graag willen zien wat het einde is?"

216 En ik keek om en zag mezelf daar op het bed liggen. Zeker, u kent me al lang genoeg om te weten dat ik u de waarheid vertel.

     Ik wil u net zoiets vragen zoals Samuël deed, voordat ze Saul zalfden: "Heb ik u ooit iets verteld in de Naam van de Here dan dat het waar was?" Was het niet de waarheid? Het is altijd waar geweest. Ben ik ooit gekomen om u om geld te vragen of zoiets dergelijks? Nee, ziet u, dat had hij ook nooit gedaan. Heb ik ooit iets anders gedaan dan om al mijn best te doen om u tot Christus te leiden? Zo is het.

217 Nu willen ze zeggen dat ik een geestelijke telepaat ben, weet u, overgevoelig en intuïtief. Natuurlijk, die dingen zullen moeten opkomen, aangezien de Bijbel zei dat ze er zouden zijn. Zoals Jannes en Jambres tegen Mozes ingingen – praktisch precies dezelfde dingen doende als die Mozes deed – maar tenslotte kwam het tot een ontknoping. Dat is waar. Maar herinner u dat Jannes en Jambres niet konden genezen. Ze konden niet genezen. Ze konden plagen brengen, maar ze konden ze niet wegnemen. Ziet u? Goed. God is de Heelmeester: Gods Woord blijft de waarheid.

218 Ik heb geprobeerd eerlijk tegen u te zijn. Ik heb geprobeerd u te vertellen wat de waarheid is. Ongeveer eenendertig jaar heb ik op deze preekstoel gestaan, steeds maar weer: eenendertig jaar lang, en misschien vertrek ik op een dag van naast deze preekstoel om de heerlijkheid binnen te gaan... Daar aan de overkant liggen ze allemaal begraven: mijn eerste vrouw, een dochter, vader, broer en ook dierbare vrienden. Ik heb hun kist hier zien staan met de bloemen erop. En ik weet dat op een of andere dag de mijne er ook zal staan. Nu, dat is waar. Maar oprecht, vanuit het diepst van mijn hart zeg ik u, dat ik geloof dat ik u het waarachtige Evangelie van de Here Jezus Christus heb gepredikt. Ik geloof dat u gedoopt behoorde te worden, een ieder van u, in de Naam van Jezus Christus en de doop van de Heilige Geest moet ontvangen. En wanneer dat met u gebeurt, wanneer het ook is, dan zal het u vreugde brengen, lankmoedigheid, goedheid, zachtmoedigheid, vriendelijkheid, geduld en geloof.

219 Wat er onlangs 's morgens met mij gebeurde weet ik niet. Ik kan het nog niet zeggen of ik hier ìn mijn lichaam was en gewoon een visioen zag of dat ik werd weggenomen van hier naar daarginds. Ik weet het niet, ik kan het niet zeggen. Het enige wat ik weet, is dat ik altijd bang was om te sterven: die prikkel des doods. Niet dat ik bang was dat Jezus mij niet zou komen halen, daar was ik niet bang voor, daar had ik geen angst voor. Maar ik vreesde, dat als ik u zou ontmoeten, ik gewoon een kleine mistvlaag zou zijn die daar door de lucht zweefde. Maar ik begrijp het nu. Toen ik deze mensen zag waren ze werkelijk.

220 Als er ooit een man was die als een ware apostel 'Pinksteren' vertegenwoordigde, dan was het wel F.F. Bosworth: hij predikte een zuiver rechtuit en echt Evangelie, ziet u. Dat was Bosworth. Toen ik hem in mijn armen hield, riep ik het uit: "Mijn Vader, mijn Vader, wagens en ruiters van Israël!"

221 Toen zei hij: "Zoon, blijf op het veld. Zie dat je sommige van deze jonge kerels vooruit bent die naar de zendingsvelden willen gaan, als je kunt, voordat ze daar een heleboel fanatisme brengen. Breng ze dat werkelijke Evangelie dat u hebt, ziet u." Hij zei: "Uw bediening is nog niet begonnen op de wijze dat het zal gaan zijn. Je bent een splinternieuwe Branham." Hij zei: "Je bent jong, zoon."

     Ik antwoordde: "Broeder Bosworth, ik ben achtenveertig."

222 "Je bent nog niet eens begonnen", zei hij. "Laat deze jonge Pinksterpredikers daar niet komen met een heleboel nonsens waardoor ze de Zaak vergiftigen en al de diplomaten en het hele land erop tegen maken voordat je er aankomt." "Ga door, broeder Branham", zei hij. "Ga door met het Evangelie dat u hebt." Hij zei: "Ik geloof dat u een apostel bent of een profeet van de Here, onze God."

223 Ik keek naar hem en nam hem in mijn armen. "Broeder Bosworth," zei ik, "ik wil u een vraag stellen. Wat was het gelukkigste moment van al de jaren dat u hebt gepredikt?"

     Hij zei: "Dit moment, broeder Branham."

     Ik zei: "Weet u wel dat u op sterven ligt?"

     "Ik kan niet sterven", zei hij.

     "Wel," zei ik, "waarom zou u willen zeggen dat dit de gelukkigste tijd is?"

224 Er was daar een kleine deur. Hij zei: "Ik lig hier met mijn gezicht naar die deur gekeerd. Bijna elk moment kan Hij binnenkomen Die ik heb liefgehad, Degene voor Wie ik gepredikt heb en heel mijn leven stand heb gehouden. Dan zal Hij voor mij die deur door komen en dan zal ik met Hem meegaan." Ik keek naar hem en ik dacht dat ik net zo naar hèm keek alsof ik bij Abraham, Izaäk of Jakob zou hebben gestaan.

225 Ik nam z'n hand en zei: "Broeder Bosworth, wij geloven beiden dezelfde God, we geloven hetzelfde. Door Gods genade zal ik blijven prediken totdat de laatste ademtocht mijn lichaam verlaat. Ik zal God zo trouw blijven als ik maar kan. Ik zal geen water bij de wijn doen met betrekking tot het Evangelie over wat dan ook of waar dan ook. Ik zal het zo trouw blijven als ik maar kan. Broeder Bosworth, ik zal u daarginds ontmoeten in een beter land, waar geen ouderdom meer zal zijn, waar u niet meer oud zult zijn, maar jong."

226 Hij zei: "U zult daar zijn, broeder Branham, wees niet bezorgd."

227 Eén of twee uur voor hij stierf... Het was ongeveer twee maanden later; ik dacht dat hij toen al op sterven lag en mijn vrouw was gekomen om hem te bezoeken – hij had altijd veel met haar op, mevrouw Bosworth ook. En ongeveer twee uur... Hij had geslapen. Hij kwam rechtop zitten, hij keek op, sprong uit zijn bed en zei: "Moeder, wel, ik heb u jaren niet gezien! Pa! Broeder Jim! Wel", zei hij, "laten we zien, jij was één van mijn bekeerlingen voor de Here in Joliet, Illinois." De man was al vijftig jaar geleden gestorven. Ziet u? Ja! Hij zei: "Hier is zuster Zo-en-zo. Ja, ik heb u tot de Here geleid in de Winnipegsamenkomst. O, wel, daar is zuster Die-en-die. Ik heb u niet meer gezien... Ja, laat ik eens zien, u kwam daar-en-daar tot de Here." En twee uur achtereen schudde hij mensen de hand, die hij tot de Here had geleid. Toen ging hij regelrecht terug naar zijn plaats, ging liggen, legde z'n handen over elkaar en dat was het. Ging broeder F.F. Bosworth binnen in dat land dat Jezus mij onlangs 's nachts liet zien? Als dat zo is, dan is hij daar vanavond nog, als een jonge man. God geve zijn ziel rust. En moge ik steeds zo getrouw leven, dat ik dat land zal binnengaan. Moge ik een even trouw dienstknecht van Christus zijn als hij!

228 Ik schaam mij voor mijn leven. Ik ben beschaamd. Maar ik... Als ik gezondigd heb ten opzichte van u mensen, dan bent u het mij schuldig om het mij te komen vertellen. Ik heb geprobeerd om oprecht te leven in alles wat God mij door Zijn genade liet doen. Ziet u? Maar kijk, vrienden, u bent het mij schuldig als u iets weet dat verkeerd is in mijn leven om het mij dan te zeggen. Kijk, ik ben het aan ú verschuldigd om hier te staan en u het ware Evangelie te prediken. Dat ben ik ú verschuldigd, omdat ik verwacht ieders gezicht – van jonge mannen en jonge vrouwen – daar te zien, vlak over die afsluitboom daarginds. Het is maar één ademtocht, tussen waar u nu bent en daar. Nu, dat is waar. Het is daar.

229 Moge de God van alle genade, de God des hemels, niet heiligschennend, maar met eerbied gezegd: "Papa", geven dat wij op die grote dag, wanneer we hier weer terug worden gebracht en onze aardse lichamen weer hebben, kunnen drinken en de druiven eten en de vruchten van het land... "Ze zullen huizen bouwen en een ander zal ze niet bewonen. Ze zullen wijngaarden planten en de vrucht daarvan eten." Ziet u? De ene mens plant een wijngaard en zijn zoon neemt die over en dan neemt zijn zoon hem weer over en dan diens zoon weer. Maar niet in dit geval: hij zal hem planten en er blijven. Ziet u, dat is waar. We zullen daar voor immer blijven. En moge ik daar, in dat land, ieder van u zien.

230 Ik weet dat ik hier zelfs spreek tot drieëenheidspredikers. Mijn broeders, ik zeg dit niet om te kwetsen. Ik ben ook een drieëenheidsmens. Ik geloof in de drieëenheid: de drie eigenschappen van God (Vader, Zoon en Heilige Geest), maar niet in drie goden. Ziet u? Ik geloof dat er drie eigenschappen zijn: absoluut! Ik geloof dat met heel mijn hart: 'Vader, Zoon en Heilige Geest', maar dat zijn geen drie goden. Het zijn alleen maar drie eigenschappen, of liever gezegd: de drie bedieningen van God. God leefde eens in het Vaderschap, toen in het Zoonschap en nu in de Heilige Geest. Het is dezelfde God in drie bedieningen. En men heeft...

231 'Vader, Zoon en Heilige Geest' is geen naam van God. God heeft één naam en Zijn Naam is Jezus. De Bijbel zegt: "Alle geslacht, in de hemelen en op de aarde, wordt Jezus genoemd." Dat is waar. God had dus één naam, één menselijke naam. Vroeger werd Hij ook aangeduid met namen zoals 'Jehova-Jireh', 'Jehova-Rapha'. Dat waren de titels van Zijn Godheid. Maar Hij had maar één naam: Jezus! Hij is het.

232 Waarlijk, mijn broeders, als u het niet met mij eens bent, bedenk dan dat ik u daar hoe dan ook toch zal ontmoeten. Ik zal daar bij u zijn. God zegene u. Ik heb u lief.

233 Ik zou graag hebben dat de gemeente eraan denkt dat we hier zondagmorgen opnieuw op door zullen gaan. Ik zal gaan proberen u dan niet al te lang te houden, niet langer dan tot een uur of twee, zodat u nog een middagsamenkomst kunt houden, als we dat mogelijkerwijs kunnen, en als ik het even goed doe, als ik het vanavond heb gedaan; half elf... Vergeeft u het mij, vrienden. We hebben niet veel tijd meer over, lieveling... Ik noem u lieveling, omdat u dat bent. U bent mijn geliefden. Wist u dit? Hier komt een Schriftgedeelte; Paulus zei:

     Want met een ijver Gods waak ik over u,... (Zijn gemeente) want ik heb u verbonden aan één Man,...

     Daar hebt u het. Daar staat het. Dat is het. Aan één Man uitgehuwelijkt,

     ... om u als een reine maagd voor Christus te stellen...

234 Nu, als dat toen in die dagen waar was... hij zei (zij, die mensen zeiden tegen mij): "Jezus zal tot u komen en u zult ons aan Hem voorstellen als een reine maagd, om geoordeeld te worden door het Woord dat u hen hebt gepredikt." En kijk, ik predik u precies hetzelfde als wat Paulus gepredikt heeft aan zijn gemeente. En als zijn groep binnengaat, zal de onze het ook, omdat wij precies hetzelfde hebben.

     Amen. Laten we onze hoofden nu buigen, terwijl we elkaar zeggen: "God zegene u."

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
audioE-BookPrint
AudioAudio
mp3 Download mp3mp3 is een populaire audioformaat dat op vrijwel alle mediaspelers te beluisteren is. meer info...
m4b Download m4bM4B is een Audiobook formaat voor Apple apparatuur (iPod, iPhone etc...) Uw plek wordt bewaard e.d. meer info...
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
English (Engels)