Toen hun ogen werden geopend kenden zij Hem

Door William Marrion Branham

1 Onze Hemelse Vader, wij bidden nu dat U eer zult ontvangen uit onze bijeenkomst. Wij danken U voor de gelegenheid. Zegen Uw Woord, terwijl het iedere avond uitgaat. Zegen Uw volk terwijl zij het horen. En moge de grote Heilige Geest houvast krijgen op het Woord dat in het hart valt, en het Zichzelf laten manifesteren, zodat letterlijk honderden mensen hier door het hele land gered mogen worden. Mogen honderden die lijden, die verkeren in de schaduwen van de dood, een groot licht zien opspringen en mogen zij genezen worden, en moge Uw grote Naam geëerd worden. Daarom zijn wij hier, Heer. Het is niet om eer voor onszelf, maar om Jezus Christus onder ons te eren. Want wij vragen het in Zijn Naam. Amen.

2 Nu, terwijl u voor enkele ogenblikken in uw Bijbel kijkt en... Iedere avond, nu, zal ik ongeveer twintig tot dertig minuten spreken – dat heb ik de laatste paar weken gedaan – en slechts enkele minuten spreken. En dan zullen wij een gebedsrij oproepen, bidden voor de zieken, of hoe de Heilige Geest ook leidt.

3 En hoevelen willen, u die vanavond voor het eerst gekomen bent en u allen samen, willen bidden voor de samenkomst? Wilt u dat doen? Wij zijn hier niet alleen... wij zijn hier, omdat wij proberen te helpen. Broeders, ik geloof, zo de Here ons helpt, dat wij een grote samenkomst zullen hebben om onze Heer en Redder te eren.

4 Wij geloven dat Hij direct komt. Als Hij vanavond niet hier is, kijk ik morgenochtend naar Hem uit. Als Hij hier niet tegen morgenavond is, zal ik hier zijn, zo de Here wil. En als Hij hier dan niet is, zal ik morgenavond naar Hem uitkijken. En als Hij hier dan niet is, kijk ik de volgende avond naar Hem uit. Ik wil... Ik kijk nu al drieëndertig jaar lang naar Hem uit, een groot deel van mijn leven, en ik ben niet ontmoedigd. Ik kijk dag aan dag, van uur tot uur, uit om Hem te zien verschijnen.

5 Nu, terwijl wij de Bijbel openslaan bij het boek van Lukas, het vierentwintigste hoofdstuk, te beginnen bij het dertiende vers, laat ons gaan staan en het Woord eren, terwijl we lezen. Lukas 24, te beginnen met het dertiende vers. Nu, als sommigen van u uw Bijbel hebt, sommigen houden ervan de tekst van de prediker bij te houden waarover hij spreekt. En nu wil ik dat u aandachtig luistert. Lees voor uzelf mee als u kan, terwijl we lezen.

     En zie, twee van hen gingen op diezelfde dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs.
     En zij spraken samen onder elkander over al deze dingen, die er gebeurd waren.
     En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervroegen, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.
     En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.
     En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?
     En de een, wiens naam was Kléopas, antwoordende, zeide tot Hem: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die dezer dagen daarin geschied zijn?
     En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus de Nazaréner, Die een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk.
     En hoe onze overpriesters en oversten Hem overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.
     En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn.
     Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in de morgenstond aan het graf geweest zijn;
     En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft.
     En sommigen van hen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet.
     En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!
     Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?
     En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.
     En zij kwamen nabij het vlek, waar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou.
     En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij de avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.
     En het geschiedde, toen Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en toen Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.
     En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.
     En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, toen Hij tot ons sprak op de weg, en toen Hij ons de Schriften opende?
     En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weer naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren;
     Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.
     En zij vertelden, hetgeen op de weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.

6 Laten we ons hoofd buigen. Here Jezus, we bidden dat U Zichzelf vanavond op zodanige wijze aan ons bekend wilt maken, terwijl wij op U wachten. In Jezus' Naam bidden wij. Amen.

     U kunt gaan zitten.

7 Als onderwerp daaruit zou ik graag deze woorden willen nemen: Toen hun ogen werden geopend kenden zij Hem.

8 Nu, wij spreken natuurlijk over de opstanding, wat vandaag onder alle Christelijke gelovigen wordt geloofd. Het is de hoop van de gemeente. Als Christus niet verrees, dan zijn wij verloren. En Christendom is gebaseerd op opstanding, nu, niet op vervanging. Opstanding! Bijvoorbeeld deze motelsleutel hier, als ik die op de grond laat vallen en zeg: "Wel, ik liet hem vallen, ik zal er een ander die eender is voor in de plaats nemen", is dat geen opstanding; dat is vervanging. Zie? Opstanding is 'hetzelfde omhoog brengen als wat naar beneden ging'. En God wekte Hem op de derde dag op. En wij geloven dat met heel ons hart en wij geloven het Bijbelverhaal.

9 En merk op, op deze eerste Paasmorgen is Jezus levend onder hen, van tussen de doden uit.

10 Wat een prachtig iets! Wat ben ik vanavond blij dit met een "amen" te beklemtonen, dat ik geloof dat Hij nog steeds levend onder ons is, in het voorjaar van het glorieuze Evangelie van Christus. Ik geloof dat Hij nog steeds levend is.

11 Ik geloof dat dit... Ja. Dat was het voorjaar van de opstanding, ook van leven, van de mens. Mensen hebben altijd de dood gevreesd, zij hadden geen zekerheid ooit na het sterven weer terug te keren.

12 Doch zij zagen Hem sterven op Golgotha, toen weer opgewekt worden en bij hen zijn, wandelend onder hen op deze glorieuze dag. Nadat hartzeer, verdriet, enzovoort, wat zij door hadden gemaakt, die donkere uren waarin zij Hem gekruisigd zagen worden, bespuugd en bespot en alles wat Hij in die drieëneenhalf jaar had doorgemaakt en die sloturen van duisternis die Hem lieten... Die Farizeeën, zij haatten Hem in ieder geval en zij verheugden zich, omdat zij dachten dat zij er een eind aan hadden gemaakt en hier verschijnt Hij onder hen! O, wat een dag! Ik zou...

13 Zou u niet graag een reisje hebben willen maken met Kleopas en diegenen op de weg naar Emmaüs? Ik zou graag met hen gewandeld hebben. En het is mogelijk. Ik ben blij dat ik vandaag leef, dat ik nog steeds hetzelfde kan doen; dat ik vandaag precies eender met Hem wandel als zij toen.

14 De droevige gedachte ervan was, dat Jezus uit de dood was opgestaan. Maar het droevige deel ervan was, dat sommigen van hen die Hem liefhadden het niet wisten.

15 En dat is stellig een beeld van vandaag. Er zijn veel mensen die Hem liefhebben, die nog niet beseffen dat Hij leeft. Zij... Het is een soort geschiedenis die zij in een school hebben geleerd. Het is een theologisch boek, wat ethiek, wetboek van zedenleer, dat zij ergens hebben bestudeerd en Jezus is een historische figuur voor hen. En toch, in de geschiedenis houden ze van Hem en beseffen niet dat Hij levend bij ons is, precies met ons meewandelt, zoals Hij altijd heeft gedaan. Hij is hier net eender als Hij altijd is geweest.

16 Nu, zij, de reden waarom ze... Waarom geloofden ze het niet? Omdat de opstanding te ongewoon was. Ziet u, er was... Dat was niet eerder gebeurd, dus was het iets ongewoons voor hen om zoiets dergelijks te geloven.

17 En God bevindt Zich in het ongebruikelijke. Ziet u? Christus' geboorte was ongebruikelijk. "Een maagd zal zwanger worden." God is altijd ongewoon. Hij doet ongewone dingen, maar het is altijd overeenkomstig Zijn Woord. Hij doet nooit iets buiten Zijn Woord, dus ongewoon, omdat Hij het eerst belooft en dan iemand zendt om dat Woord te manifesteren, om het waar te maken voor de mensen.

18 Toen u, Pinkstermensen, voor het eerst de doop van de Heilige Geest ontving, was dat een ongewone zaak. Maar toch beloofde God het, "stort het uit in de laatste dagen" en hier was het. Dus het geeft niet hoe ongebruikelijk het was, het was een belofte van God, die gemanifesteerd moest worden, daar God het beloofde.

19 Welnu, de opstanding was ongewoon voor veel van de Zijnen, de mensen die Hem liefhadden. Toch was het een beloofd Woord, maar te ongewoon om te geloven.

20 Goddelijke genezing is tegenwoordig zo ongebruikelijk voor de mensen, dat men het niet wil geloven en toch is het het beloofde Woord.

21 Deze zaak die wij vandaag zien geschieden, is een belofte van God, maar het is zo ongewoon voor het verstand dat er nooit op die wijze over gedacht heeft.

22 En zo was de opstanding voor veel mensen die Hem liefhadden. Er waren mensen die Hem eerden en geloofden dat Hij een profeet van God was en geloofden dat Hij de Zoon van God was, enzovoort, maar toch waren zij... was de opstanding te veel voor hen om te geloven. Het was te buitengewoon.

23 En neemt u alles wat werkelijk zover in het buitengewone ligt, check het altijd met het Woord. En als het Woord het beloofde dan is het alleen God Die weer op het toneel verschijnt. En zo werkt het met elke belofte.

24 En dat is de manier waarop zij het toen hadden moeten zien, daar God beloofde dat Hij Hem op de derde dag zou opwekken. David zei: "Ik zal Zijn ziel niet in de hel laten, noch zal Ik toelaten dat Mijn Heilige ontbinding zal zien." Jezus zei: "Vernietig dit lichaam en Ik zal het in drie dagen weer opwekken." Begrijpt u, het was een belofte.

25 En het was een fenomeen, zeer ongewoon. En velen die Hem liefhadden, konden het niet begrijpen, omdat het schokkend was voor de hele wereld. Want een Man Die gekruisigd was, een zwaard door Zijn hart had gekregen, of een speer, elke druppel bloed in Zijn lichaam was uitgestorven op het kruis en men had Hem genomen en in een graftombe verzegeld en er een rotsblok voor gewenteld, waar een legereenheid van honderd man voor nodig was om daarmee om te gaan, en met een Romeins zegel verzegeld, en dan te zeggen: "Een engel kwam neer en verbrak het zegel en rolde de steen weg en hier is Hij levend onder ons." Het was wel een vreemde zaak.

26 En vandaag is het hetzelfde soort fenomeen. Als mensen denken dat Hij stierf, staat dat vast – negentienhonderd jaar geleden; en hier is Hij vandaag na negentienhonderd jaar nog steeds onder ons, net zoveel als Hij toen was, net zo werkelijk als toen en doet dezelfde dingen als Hij toen deed. Het is een te groot fenomeen. De mensen kunnen het niet begrijpen. Het gaat hun verstand te boven. Zeker, wie kan God beredeneren? Niemand kan God beredeneren.

27 Niemand kan God verklaren. God is Zijn eigen uitlegger. God spreekt het Woord, en men zegt: "Wel, u hebt de verkeerde uitleg." God laat het geschieden, dat is de uitleg. Niemand is nodig om Hem te verklaren. Ik sprak daar pas over, een stad hierbeneden. God zei: "Er zij licht" en daar was licht. Het heeft geen enkele verklaring nodig; er was licht. God zei: "Een maagd zal zwanger worden." Zij werd het. Dat stelt het vast. Dus wanneer Hij iets spreekt, dan is Hij Zijn eigen uitlegger. Hij heeft onze verklaring erover niet nodig. De Bijbel zei dat de Schrift voor geen eigenmachtige uitleg is. Het is God Die Zelf de verklaring ervan geeft. Merk op, velen zagen het niet, omdat zij de Schriften niet hadden doorzocht. Zij hadden niet geluisterd naar wat Hij zei.

28 Velen hebben heden niet geluisterd naar de Boodschap, hebben niet geluisterd naar de Schriften en wat Christus in deze laatste dagen beloofd heeft. Daarom zijn de mensen in de toestand waarin zij vandaag zijn, en de kerken zijn allemaal onderling vastgekleefd. Zij hebben niet opgemerkt wat de Schrift voor deze dag heeft gezegd. Zij hebben niet opgemerkt dat deze dingen moesten worden gedaan. Het is precies de vervulling van de Schrift. Veel mensen hebben Hem lief. Veel mensen geloven in Hem. Maar toch is het te buitengewoon, zij kunnen het niet begrijpen wanneer u over Hem praat, dat Hij net zo is als Hij gisteren was en dezelfde dingen doet. Zij beweren dat zij dat geloven, maar wanneer het plaatsvindt begrijpen ze het niet. Zij, zij kunnen het gewoon niet geloven.

29 Merk op dat zij over Hem spraken toen Hij verscheen. Nu, dat is een goede zaak. We zien hier in de Schrift dat er staat: "En terwijl zij over Hem praatten..." Terwijl zij over deze dingen spraken, al gaande, bedroefd over Hem spraken, toen ontdekten zij dat Hij verscheen. En toen Hij verscheen, verscheen Hij aan hen terwijl zij voortgingen, al redenerend over Hem. Dat is altijd het moment wanneer Hij verschijnt, wanneer wij over Hem spreken. Altijd, door de hele Schrift, wanneer de mensen over God spreken, dan verschijnt Hij.

30 Nu zijn we te druk bezig met het praten over andere dingen. Ik denk dat dat de reden is, dat veel mensen die Hem liefhebben falen om Hem te zien. We zijn zo druk bezig met onze geloofsbelijdenissen en denominaties en aangelegenheden over de kerken en lidmaatschappen en het verkrijgen van meer leden en dergelijke, dat we te druk zijn om over Hem te praten. Hij is het Woord. We stellen te veel belang in wat de... een geloofsbelijdenis, een leerboek of wat iets anders zegt. "Hoeveel leden kunnen we binnenkrijgen, ze tot lid kiezen? Zullen we deze, die of die andere nemen?" We zouden ons gedurig moeten bezighouden met het Woord van God en gebed, in het bestuderen van het Woord. Maar we stellen te veel belang in wat anders.

31 Deze mensen waren bedroefd. Zij spraken met elkaar; er was iets belangrijks gebeurd. Hij zou weggenomen zijn. Maar zij spraken over Hem en daar verscheen Hij. En toen Hij verscheen, was Hij een vreemdeling voor hen. Zij begrepen het niet. Eerst, Hij... eerst vinden we uit dat Hij liep...

32 Terwijl zij op weg waren naar het stadje Emmaüs – ongeveer enkele kilometers onderweg, een sabbatsdagreis, of zoiets – openbaarde Hij allereerst aan hen het beloofde Schriftgedeelte van Zichzelf voor die dag. Merk nu op wanneer Jezus te voorschijn komt; indien wij verlangen Hem te zien en met Hem te praten na Zijn opstanding, zoals zij deden, zoals zij Hem zagen... Het eerste wat Hij deed was Zichzelf aan hen openbaren door de Schrift. Amen. Met welk doel is dat? Zij waren Hebreeën. Zij geloofden het Woord. En zij... Hij, Hij openbaarde Zichzelf, openbaarde het geschreven Woord van Zichzelf, wat Hij verondersteld werd te doen voor dat tijdperk. Amen. Elk...

33 God, in Genesis en wel voor de grondlegging der wereld; Hij bedeelde het toe en Hij sprak het en zei wat er zou plaatsvinden, vanaf den beginne – begin tot het einde.

34 Altijd raken de kerken helemaal in de war en zij dragen het uit, en men moet injecteren wat zij erover geloven. En de een zegt: "Wel, ik geloof een beetje verschillend daarover", en hij maakt zich iets. En de ander moet iets gaan doen. Iedereen heeft een toren, stad, of iets dat zij moeten bouwen, steeds proberend er iets aan toe te voegen of iets te doen, om te zeggen: "Wij hebben dit gedaan." O, dat is de wijze waarop u verward raakt.

35 Ga uit de weg. Laat God het doen. Begrijpt u? Hier is Zijn Woord, wat Hij zei dat Hij zou doen. Elk tijdperk zendt Hij een profeet die gezalfd is. Het Woord van de Heer komt altijd tot de profeet om het in het tijdperk te bewijzen.

36 Johannes de Doper verscheen. Hij was de profeet voor die tijd. Hij was het licht van het tijdperk, omdat de profeet Maleachi over zijn komst had gesproken: "Ik zal Mijn boodschapper voor Mijn aangezicht zenden." Jesaja zei zevenhonderdtwaalf jaar daarvoor: "Een stem van één zal roepen in de woestijn, zie, Ik..." wat hij zou doen in de laatste dagen: "Maak recht het pad in de woestijn", en al deze dingen waren over hem geprofeteerd. Toen hij verscheen, was hij de profeet om die belofte te bewijzen.

37 Jezus is het Woord en het Woord komt altijd tot de profeet. En bedenk, toen deze profeet profeteerde, "het pad recht makend", en toen dan het Woord op aarde was, dat het Woord regelrecht het water in liep en naar de profeet kwam. Amen! Hoe perfect! Het Woord komt tot de profeet. En Hij was het Woord. Want "in den beginne was het Woord en het Woord was bij God. En het Woord was vleesgeworden en woonde onder ons en wij hebben Hem aanschouwd." Geen wonder dat Hij zei: "Het betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen." Het Woord kwam naar de profeet, in het water, om alle gerechtigheid te vervullen.

38 En wij zien dan dat Hij Zich hier aan Kleopas en zijn vriend openbaarde. De naam van de andere persoon is onbekend. Maar we weten dat het Kleopas was en Hij openbaarde Zich aan hen door de Schrift. Let op hoe Hij het zei.

39 Merk op dat zij Hem een Profeet noemden. "Weet gij deze dingen niet? Jezus van Nazareth, een Profeet waaraan God Zichzelf manifesteerde." Ziet u? Welke, ten aanzien van alle mensen... enzovoort. Hij werd een Profeet genoemd. Als zij dan hadden herkend dat Degene waarover zij spraken een Profeet was, zou je denken dat zij hier direct zouden zien dat diezelfde Profeet opnieuw het Woord oppakte en het begint te onthullen.

40 En Hij was het Woord en openbaarde Zich bij monde van het Woord dat over Hem geschreven stond. En Hij begon en startte vanaf Mozes en verklaarde hun al wat de profeten over Hem hadden gezegd. O my! Wat heeft Hij het voor dat tijdperk bekendgemaakt! "Dwazen, tragen van hart. Wetend dat Mozes en alle profeten hebben gezegd dat Christus moest lijden en in Zijn heerlijkheid ingaan." Zie, en voor dat tijdperk, dat was wat verondersteld werd plaats te vinden. "Weet gij niet dat Hij verondersteld wordt dat te doen?" Ziet u, openbaarde het geschreven Woord van Hem.

41 Zo doet Christus het altijd. God verandert nooit Zijn programma. De manier waarop Hij het de eerste keer doet, is de manier waarop Hij het elke keer doet. Hij nam een beslissing in de hof van Eden, toen de mens verloren ging, om hem te redden door vergoten bloed. Dat is de enige plaats waar Hij ooit een mens zal ontmoeten. Sindsdien is dat de enige plaats waar Hij ooit een mens heeft ontmoet; onder het vergoten bloed.

42 We hebben geprobeerd hen op te leiden. We hebben torens gebouwd. We hebben steden gebouwd. We hebben van alles gesticht, proberend om de mensen bijeen te krijgen. We hebben hen samen proberen te krijgen door opleiding; we proberen militaire macht te gebruiken om hen bijeen te drijven. We hebben denominaties geprobeerd om hen bijeen te houden. Het heeft allemaal gefaald.

43 God heeft één plaats, dat is onder het bloed. Dat is de enige weg. Onder het bloed zal Hij de mens ontmoeten. En zij zijn bloedgeboren broeders.

44 Ik hoop dat ik niet tegen u daarginds aan het schallen ben met dit, maar het klinkt net of er een echo is. Als dat zo is... Kunt u mij goed horen? Zo ja, steek uw hand op. In orde. Nu, net even om te weten dat u dit begrijpt; u moet het begrijpen.

45 Merk nu op, wanneer Hij sprak, dat zij Hem nog steeds misten te herkennen door het geschreven Woord. Denk eens in! Toen Hij kwam en Zich door het Woord aan hen openbaarde, konden zij het nog steeds niet zien.

46 Als dat niet een beeld is van vandaag, dan weet ik niet wat het dan wel is. Nog steeds het missen, wanneer de Schrift deze dingen vertelt. "Het zal geschieden in de laatste dagen", spreekt God, "dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees; uw zonen en dochters zullen profeteren. Op Mijn dienstknechten en dienstmaagden zal Ik uitgieten van Mijn Geest, in die dag. Ik zal wonderen tonen in de hemelen boven en vuur en rook, enzovoort." Toch zien zij het niet.

47 Jezus zei: "Gelijk het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn in de komst van de Zoon des mensen; zij aten, dronken, namen ten huwelijk en werden ten huwelijk gegeven. Zoals het was in de dagen van Lot, zo zal het zijn in de komst van de Zoon des mensen." Al deze dingen waarover zij gesproken hebben en het Woord dat van het podium gepredikt is en nog zien velen die Hem liefhebben het niet. Zij tasten nog steeds in het duister. Nog steeds blijven ze in gebreke Hem te herkennen door het geschreven Woord.

48 Zij gaan naar seminaries en gaan van het pad en interpreteren het verkeerd, enzovoort en brengen het terug en zij weten niet wat ter wereld te geloven. De één zegt dat het op deze wijze is en de ander zegt dat het op die wijze is. Dus alleen het geschreven Woord; Jezus vertelde hun nooit de hele wereld in te gaan en te 'onderwijzen'. Hij zei: "Gaat heen in de gehele wereld en predikt het Evangelie." Een heel verschil, iets proberen te onderwijzen en iets te prediken. Prediken is 'laten manifesteren'. Het moet het laten doen, de kracht van de Heilige Geest demonstreren. "Deze tekenen zullen degenen die geloven volgen." De Heilige Geest is nodig om dat Woord te betuigen. Als het de Waarheid is, Woord, zal God het manifesteren. Als het geen Waarheid is, wil God er niets mee te maken hebben, omdat God Zich niet verstrikt met leugens, u weet dat, omdat Hij nu God is, ook nu.

49 Zij beweerden dat zij geloofd hadden en zij waren Zijn discipelen, zij hadden Hem lief, zij geloofden het. En Hij stond vlak naast hen en verklaarde het Woord, Wie Hij was, en nog wisten zij het niet. Denk dat eens in! Zij wisten het niet en Hij stond daar Zelf, beschreven in de Schrift, en verwijst terug en neemt de Schrift die al honderden jaren geschreven staat aangaande Hem en vertelt hoe Hij moet doen en al dergelijke dingen, en dan lopen ze rond en zeggen: "O, is dat echt zo? Wat weet u daar vanaf!" En Hij, Hij was aan het praten en zij herkenden het nog steeds niet.

50 Wat een beeld van deze dag! Hetzelfde nu; zij beweren dat ze geloven dat Hij uit de dood is opgewekt, maar wanneer Hij verschijnt om Zichzelf te tonen, geloven zij het nog steeds niet. Ziet u? Toch beweren ze dat zij het geloven. "O ja, wij geloven dat Hij op de derde dag verrees." Laat Hem iets doen om te tonen dat Hij de derde dag is opgestaan. "O, daar geloof ik niet in." Begrijpt u? Zo is het, hetzelfde geval.

51 Merk op, Hij zei: "Onverstandigen en tragen van hart om de Schriftuurlijke belofte voor dit tijdperk te verstaan."

52 De onverstandigen zeiden: "O, Hij is weg. Zij kruisigden Hem en we hebben begrepen dat Hij weer is opgestaan, maar, o my, dat is alleen maar een mysterieus verhaal dat iemand vertelde. Wij hebben er niets van geweten. O, dat zal ik u wel vertellen, het is de allerellendigste zaak!"

53 Hij zei: "Gij onverstandigen en tragen van hart om te begrijpen al wat de Schriften hebben gezegd voor dit tijdperk." Amen.

54 Zo is het! Ik wilde dat ik dit naar de Oecumenische Raad zou kunnen uitbazuinen. Jazeker. Traag van hart, wetend dat de Schrift deze dingen zegt, en het nog steeds niet begrijpen. Zo is het.

55 Hij zei: "Onverstandigen en tragen van hart om de Schriften te verstaan die voor die dag geprofeteerd zijn en nauwkeurig hoe het zou gebeuren, en hier is het geschied. Christus ging Zijn heerlijkheid binnen door eerst te lijden, dood te zijn, te sterven, en op de derde dag weer op te staan. Zou het niet... Dat is de wijze waarop de Schrift zei dat Hij het zou doen, op de derde dag verrijzen." Hij zei: "Dit is de derde dag sinds het gebeurd is."

56 Hij zei: "Wel, dat is wat Ik u probeer te vertellen!" En nog begrepen zij het niet. Toen zei Hij: "U bent onverstandigen en traag van hart om te begrijpen al wat de profeten hebben gezegd en de Schriften hebben verteld over deze dag. En hier is het precies vóór u geschied en u weet het niet."

57 Ze zeiden: "Wel, wat weet U ervan!" Ziet u, hun ogen waren blind. U zegt: "Zou het in deze dag verblindheid kunnen zijn?" Jazeker.

58 Het is vandaag even blind als toen. Juist. Zei de Bijbel niet dat ze koppig zouden zijn, hoogmoedig, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God; onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig en verachters van degenen die goed zijn; een schijn van godsvrucht hebbend, maar de kracht ervan verloochenend, de kracht van de opstanding en de manifestatie van de Zoon van God? De Bijbel heeft gezegd dat het zou gebeuren, dus moet het geschieden evenals Hij zei. Jesaja sprak en zei: "U hebt ogen maar kunt niet zien en oren en kunt niet horen." Dezelfde God sprak hetzelfde Schriftgedeelte.

59 Dan zien wij Paulus, de grote openbaring die hij van Jezus Christus had, Wie Hij was. Het was zo geweldig om te weten, wel, God plaatste het in de Bijbel, zo enorm was het. Daarom werd hem een doorn in het vlees gegeven om hem nederig te houden, zodat hij niet groot en verheven zou worden. God hield hem nederig en klein om hem te kunnen gebruiken in verschillende delen van het land om voor Hem te doen wat Hij verlangde, daar hij de openbaring van Jezus Christus had, Wie Hij was.

60 Merk dan op, hier is de zaak om te doen. Het volgende dat we zien; zij nodigden Hem uit om binnen te komen. Hij bereikte de kleine plaats, de kleine herberg waar zij zouden verblijven. Het liep tegen de avond en ze zeiden: "O, kom en verblijf met ons." Hij deed of Hij verder zou gaan.

61 O, ik heb dat vele keren gedacht. Hij wil slechts dat u Hem uitnodigt. Hij deed alsof Hij hen voorbij zou gaan. Hij mag doen of Hij u voorbij zal gaan, zuster in de rolstoel, of u, meneer op de brancard; of u daar met een hartkwaal, die niet meer dan een klein poosje kan leven. Deze mensen zijn misschien kreupel, zij kunnen misschien wel een normale tijd leven; maar iemand daar met een hartkwaal kan nog wel vóór de ochtend sterven, kan wel vóór morgen sterven. Hij doet misschien alsof Hij u voorbijgaat, maar Hij verlangt slechts dat u Hem uitnodigt. Begrijpt u?

62 Misschien denkt u: "Wel, Hij genas onlangs Die-en-die. Hij... vorige maand; ik weet, twee jaar geleden, ik zag..." Ja, Hij gedraagt Zich misschien alsof Hij u voorbij zal gaan, maar Hij wil slechts dat u Hem uitnodigt. Hij doet alsof Hij wil voorbijgaan. Wat Hij toen was, is Hij vandaag. Wat Hij toen deed, doet Hij vandaag. Dat heeft Hij gezegd. Merk op dat u hetzelfde moet doen, u moet Hem uitnodigen binnen te komen. Het was toen en alleen toen, dat Hij Zich kon openbaren.

63 Hij kon het niet doen door hun het Woord te prediken. Het ging over hun hoofd heen. Hij Die daar liep te vertellen: "Wel, jullie hadden het daar moeten weten, u onverstandigen en tragen van hart. De Bijbel zei deze dingen, dat Christus deze dingen moest doen, enzovoort." Daar wandelend, wel, het lijkt alsof zij zouden zien dat Hij Diegene was. Hij vertelde hun nooit rechtstreeks: "Ik ben het." Hebt u een kerel die dat doet, dan weet u dat er helemaal niets voor Hem is om mee te beginnen. Maar Hij liet de Heilige Geest het gewoon openbaren. Hij vertelde het ons.

64 Hij zei tegen de Farizeeën: "Onderzoek de Schriften; daarin denkt u eeuwig leven te hebben en die zijn het die van Mij getuigen. Zij vertellen u Wie Ik ben." Zij hadden het moeten weten. Zo behoorden ze het vandaag te weten. Het is niet een hele hoop drukte, of ophef, of aanstellerij, of een hoop lawaai. Het is Jezus Christus onder Zijn mensen gemanifesteerd. Juist. De Schrift vertelt het. Merk op nu, en dat maakt het waar wanneer God het zegt.

65 We zien nu dat de enige manier waarop Hij kan openbaren, is door in u te komen. Hij is... Hij kan... Hij is het Woord. En het Woord, in u... dan openbaart de Heilige Geest Christus, door het Woord, nadat Hij in u komt. Hij is in u. U moet Zijn Woord nemen.

     U zegt: "Wel, mijn kerk gelooft dat niet."

66 Goed, u zult nooit binnenkomen. Zie? Wanneer u het Woord weigert, weigert u Hem.

     "Wel, mijn kerk gelooft er in om het op deze manier te doen."

67 Maar de Bijbel zegt het op deze wijze te doen. Dit is de manier. Neem het zoals het daar geschreven staat. Niet wat iemand anders erbij gevoegd heeft, maar wat God erover heeft gezegd. En dan zou Hij het u kunnen openbaren, maar eerst zal Hij in u moeten komen. Dan, en alleen dan, kan Hij het openbaren.

68 Sta er niet naar te kijken om te proberen het uit te pluizen zoals de Farizeeën deden. Zij stonden daar naar Hem te kijken en zeiden: "Deze man is Beëlzebul." Zij konden het niet verklaren. Zij moesten het een naam geven. Ze zeiden: "Deze man doet dit door de geest van de duivel. Hij, Hij is een Beëlzebul, een waarzegger. O, heb niets met deze kerel te maken. Hij werd in zonde geboren. Hij heeft niet onze lidmaatschapskaarten. Hij behoort niet aan ons. En o my, zij... Wij weten niet eens waar Hij naar school ging. Hij heeft geen opleiding. Zeg, waar komt deze man eigenlijk vandaan? Nu zegt Hij: 'De Zoon des mensen die omhoog zal varen is neergedaald'. En Hij werd precies hier geboren! Hij is krankzinnig. 'Tenzij je het vlees van de Zoon des mensen eet, Zijn bloed drinkt'. Hij is een kannibaal." En Hij deed dat alleen maar om hen deze dingen te laten zeggen. Zij moesten het zeggen.

69 En zo brengt de Heilige Geest Zijn Woord vandaag naar voren in manifestatie, opdat de mensen het konden veroordelen, zodat God Zijn oordeel op aarde kon voltrekken, zoals Hij beloofde te doen. Hij verhardde het hart van Farao. Halleluja! Hij is Dezelfde gisteren, heden en voor eeuwig. Hij verandert niet. Hij is God. Zijn methoden om dingen te doen, tonen Hem machtig door Zijn Woord te manifesteren. Hij hoeft u er niet alles over te vertellen. U hoeft het niet uit te pluizen. U kunt God niet verklaren. U moet het aannemen. Nodig Hem gewoon binnen en kijk wat er gebeurt.

70 Nu, we merken weer op hoe Hij Zich aan hen bekendmaakte, nadat Hij was binnengekomen. Hoe deed Hij dat? Hij opende hun ogen voor wie Hij was. Toen Hij in hen kwam, toen opende Hij hun ogen om te zien.

71 Welnu, wanneer het Woord in u komt, wanneer u Gods Woord accepteert en het in u komt, dan manifesteert de belofte zichzelf (van de belofte die u hebt geaccepteerd) en dan weet u Wie het is.

72 Waardoor deed Hij het, hoe maakte Hij Zich aan hen bekend? Doordat Hij dezelfde dingen deed die Hij vóór Zijn kruisiging had gedaan. Toen wisten zij dat Hij dat was, omdat Hij uit de dood was opgestaan. Alle prediking, alle onderwijzing en al het andere wat Hij gedaan had, had gefaald. Maar toen Hij Zich openbaarde door hetzelfde te doen als wat Hij deed vóór Zijn kruisiging wisten ze dat Hij het was. Het opende hun ogen.

73 Broeder, zuster, Hij is Dezelfde gisteren, vandaag en voor eeuwig. Hij verandert niet. Evenals Hij met de vrouw bij de bron deed, zie, Hij verandert nooit Zijn programma.

74 Welnu, deze kleine vrouw bij de bron kende de Schriftuurlijke belofte voor die dag. Merk op, toen Hij bij de kleine vrouw bij de bron kwam. Hij zei – te Sichar – Hij zei: "Vrouw, breng Mij wat te drinken."

75 Ze zei: "Waarom? Het is niet gebruikelijk voor u Joden ons Samaritanen zoiets te vragen."

76 Hij zei: "Maar als u wist tot Wie u sprak, zou u Mij te drinken vragen."

77 Wel, toen dacht ze: "Een of andere wijsneus, dus zal ik Hem wat vragen." Ze zei... begon Hem te vragen. Direct daarop zei Hij: "Ga uw man halen en kom hier."

     Ze zei: "Ik heb geen man."

78 Hij zei: "Dat is waar. U hebt er vijf gehad en degene met wie u nu leeft, is uw man niet."

79 Let op! Gauw, wat deed het? Het kwam binnen. Snel wist zij iets en zei: "Heer, ik bemerk dat U een profeet bent." Amen. Ziet u, er lag daar een zaad om tot leven te komen. Er was daar een schakelaar die het licht zou aandraaien. Voor die Farizeeën was het duisternis om mee te beginnen; geen schakelaar, geen batterijen, of wat anders. Maar tot deze Man; deze vrouw, de kleine prostituée... Ze zei: "Heer!"

80 Waarom? Zij keek uit naar de manifestatie van het Woord. Sinds Maleachi was het vierhonderd jaar lang dat zij geen profeten hadden gehad en hier was een Man Die Zich manifesteerde als een profeet. Snel wist zij, dat was iets. Ze zei: "Heer, ik bemerk dat U een profeet bent." Ze zei: "Wij weten dat wanneer de Messias komt dit het zal wezen wat Hij doet."

81 Hij zei: "Ik ben Hem Die tot u spreekt." Nu kan Hij Zich openbaren. Zij heeft Hem reeds ontvangen. Hij is nu aan de binnenkant, ziet u. Hij kan Zich bekendmaken. Zo maakt Hij Zich bekend aan de wereld, de vrouw. Waarom? Zij geloofde het beloofde Woord en toen zij het beloofde Woord gemanifesteerd zag...

82 Nu weten wij dat in Deuteronomium, achttiende hoofdstuk, vijftiende vers, Mozes zei: "De Here uw God zal een Profeet zoals ik doen opstaan." En zij wist dat die Messias een profeet zou zijn. En de laatste profeet was vele, vele jaren geleden heengegaan. Er waren geen profeten geweest. En hier stond er een. Wat was het? Het was het volgende in de lijn. Dat was het Woord. Wat deed Hij? Hij openbaarde het haar door haar te vertellen, te openbaren, dat Hij die profeet was, door haar te openbaren wat zij had gedaan. O my!

83 Dat beklonk het. Zij liet die waterkruik staan en rende de stad in en zei: "Kom een Man zien Die mij de dingen vertelde die ik gedaan heb. Is dit niet de echte Messias?" Haar stoppen? O, je zou het niet kunnen; het was net als een brand proberen te blussen op een winderige dag, een droog huis dat in brand staat. Jazeker, het brandde en stond in lichterlaaie. God had iets geraakt. Zij zag iets. Zij wist dat het de waarheid was. Het Woord was voor haar ogen gemanifesteerd. Precies zoals het later ging met de discipelen, ziet u, toen Hij hun het Woord probeerde te laten zien en daarna het Woord manifesteerde. En hier kende ze het Woord en toen zij het zag gemanifesteerd worden, deed dàt het.

84 Op een dag had een man, Andreas genaamd, Johannes gadegeslagen, die hij hoorde spreken over een komende Messias. Petrus – dat was zijn broeder – was niet geïnteresseerd. Zij hadden een godvrezende, oude vader, die hun had onderwezen: "Nu, zoon, wij hebben God vertrouwd voor elk ding dat we nodig hebben. In dagen waarop onze rekeningen niet betaald konden worden, baden wij: 'God, geef ons vandaag een visvangst.' Wij voeren uit en God gaf ons die visvangst. En wanneer we die visvangst kregen, wat deden we dan? Wij voeren binnen en gaven God de lof ervoor en verkochten onze vissen. Wij hebben God vertrouwd. Nu ben ik een oude man. Waarschijnlijk zal ik de komende Messias niet zien. Maar let op. Voordat Hij komt, zullen er heel wat onechte manifestaties zijn."

85 En de Bijbel zei dat die daar waren. "Valse christussen stonden op." Dat is waar. Wat deed het? Probeerden het licht van die Echte Die komt te doven. Zie? We hebben vele culten, groeperingen en al het andere zien oprijzen en neem bijvoorbeeld in Canada, waar zij u ergens in een schuilplaats of een andere plaats zetten, en ze leiden een groepje deze kant en die kant uit, precies hetzelfde opnieuw herhalend. Wat tracht het te doen? Wat tracht het te doen? Hij probeert het licht van de waarheid uit te sluiten. Nu merken we op.

86 Toen op een dag verscheen Petrus op de oever om te gaan vissen en zijn netten te wassen. En Jezus kwam eraan. En bijna meteen, zodra Hij in het zicht kwam waar Petrus was...

87 Hij was goed onderricht wat die Messias zou doen. Zijn oude vader had tegen hem gezegd: "Nu, Simon, de Schrift zegt... Je bent... vergeet niet dat je een Jood bent. De Here heeft ons gezegd: 'Als er iemand onder ons is die geestelijk is of een profeet, zal Ik, de Here, tot hem spreken'. En als hij... wat hij zegt dat Waarheid is, gemanifesteerde Waarheid, en wat hij zegt steeds geschiedt, dan weet je dat hij de Goddelijke openbaring van de Schrift heeft. Nu zal je de Messias kennen wanneer je Hem ziet."

88 Zo liep hij op een dag Jezus regelrecht tegemoet. Hij dacht: "Ik zou wel willen zien waarover Andreas heeft gesproken."

89 En zodra hij bij Hem was gekomen, sprak Hij: "Uw naam is Simon en u bent de zoon van Jonas." Dat beklonk het. Dat besliste het, want hem werd hieromtrent onderwezen dat Hij een profeet zou zijn. Hij wist het.

90 Er was nog een kleine geleerde die les had gegeven; toen Filippus daar stond te kijken naar de dingen die gaande waren. Hij trok om de berg heen, heel snel, en haalde een andere man, genaamd Nathanaël, die een Bijbelgeleerde was, een onderzoeker. Zij hadden de Schriften bestudeerd, omdat zij wisten dat de tijd op handen was. Zij keken uit naar Zijn komst.

91 Daar komt Hij naartoe, naar degenen die naar Hem uitkijken. En we zien vandaag dat Hij niet naar degenen komt die niet naar Hem uitkijken. Er bestaat niet zoiets als Goddelijke genezing voor degenen die er niet in geloven. Er is niets zoiets als de doop van de Heilige Geest voor hen die er niet in geloven. Het is alleen voor degenen die het geloven. Zo is het. Dat is alles. Dus dan vinden we uit dat aan degenen die verlangen de Waarheid te weten, God verplicht is de Waarheid te openbaren. Hij spreekt Zijn Woord, vervolgens komt Hij om het te vervullen en Zijn eigen uitlegging te geven.

92 Nu komen we erachter, zodra deze kleine vrouw... Ze zei... Ze kon niet begrijpen hoe deze Man zo bijdehand tegenover haar ging worden. Ze zei, omtrent het geven van water aan haar... En ze zei... Of om Hem te drinken te geven en proberend zo bijdehand op te treden. En weldra, wel, begon ze met Hem te praten en begon het te ontdekken, zei: "Wij weten dat de Messias zal komen en wanneer Hij komt, zal Hij ons deze dingen vertellen."

93 Hij zei: "Ik ben Hem Die tot u spreekt." Toen gingen haar ogen open. Haar ogen werden geopend. Waarvoor? De Schriftuurlijke belofte. Haar ogen waren geopend door de Schriftuurlijke belofte.

94 Petrus wist dat zijn vader hem had verteld dat die Messias een profeet zou zijn. En hier had Johannes, of Andreas, hem verteld over een profeet, Johannes, die daarginds aan het profeteren was, enzovoort, en vertelde dat er iets zou gebeuren. Dus op een dag ging hij erheen, nadat Jezus was gekomen. Toen hij in Zijn tegenwoordigheid kwam, zei Hij: "Gij zijt Simon. U bent de zoon van Jonas." Wat was het? Zijn ogen werden geopend. Hij wist het.

95 Filippus en Nathanaël hadden de Schrift omtrent Zijn komst bestudeerd. Hij kwam en zei: "Kom en zie Wie ik gevonden heb; Jezus van Nazareth, de Zoon van Jozef."

     "O," zei hij, "er kan niets goeds uit Nazareth komen."

     Hij zei: "Kom jij maar kijken."

96 En ze trokken om de berg heen. Ongetwijfeld haalden zij vele dingen op die Jezus had gedaan; wat Hij gezegd had tegen Simon, wat Hij gedaan had, deze dingen die Hij deed.

97 Zodra Filippus in Zijn tegenwoordigheid trad met Nathanaël, keek Jezus naar Nathanaël en zei: "Zie daar een Israëliet in wie geen bedrog schuilt."

     Hij zei: "Meester, vanwaar kent Gij mij?"

98 Hij zei: "Voordat Filippus u riep, toen u onder de boom zat, zag Ik u." Zijn ogen gingen open.

99 Hij zei: "Gij zijt de Zoon van God; Gij zijt de Koning van Israël." Wat was het? Hij zag het beloofde Woord van die dag geopenbaard.

100 Luister, broeder, zuster, het beloofde Woord zou u beloofd kunnen zijn en u kunt zien dat dit het uur ervoor is; maar wanneer God het openbaart, het verklaart, dan is het zondig om het af te wijzen. Doet u dat nooit. God opende zijn ogen door hem het gemanifesteerde Woord te tonen, dat Hij beloofd had dat zou plaatsvinden. Nu, Hij doet het altijd op dezelfde wijze. Hij verandert nooit Zijn manier van doen. Nu, dus onthoud, altijd hetzelfde. Hij beloofde de Schriften voor ieder en elk tijdperk en wanneer Hij die Schriftbelofte voor dat tijdperk manifesteert, dan zijn de mensen die hun ogen geopend krijgen om te zien, degenen die het ontvangen.

101 "Nu, broeder Branham," zegt u, "het wordt laat, wat wilt u nu eigenlijk zeggen?"

102 Wat is de Schriftuurlijke belofte voor dit tijdperk, zodat we kunnen weten waarover we spreken? Waarvoor zijn wij hier vanavond? Waar is het goed voor? Leven wij dicht bij iets? Geloven we het echt? Hebben we tevergeefs getuigd? Zeggen wij dat we geloven dat Hij komende is? Geloven wij Zijn zichtbare tegenwoordigheid? Geloven wij dat Hij voor de tweede keer zal komen? Of laten we ons voor de gek houden of geloven we het echt?

103 Laten we dan de Schriften onderzoeken en zien wat voor deze dag beloofd is; dan zeggen we als de vrouw bij de bron, Filippus en de rest van hen: "Wij kunnen zien."

104 Onthoud, Hebreeën 13:8 zegt: "Jezus Christus is gisteren, heden en voor eeuwig Dezelfde." Is dat juist? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Dat beloofde Hij. Dat is de Schrift.

105 Johannes 14:12 zegt: "Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen." Ik ben nu voor iets een achtergrond aan het geven.

106 Welnu, in Joël 2:28... 2:28 en 30 en verder, beloofde Hij... Hij zei: "Wat de rups overliet, eet de kruidworm en wat de kruidworm overliet, heeft de zo en zo gegeten." Elk van die insecten is hetzelfde insect; het verandert zijn natuur. De rups is de kruidworm, enzovoort. Het bevindt zich in verschillende stadia van zijn reis en het is gewoon aan het eten en eten en eten, en het eet die boom van God rechtstreeks af tot een stomp. Zal die boom dan ooit weer leven? Het leek een hopeloze zaak, maar God zei: "Ik zal herstellen, spreekt de Here, alle jaren waarin de kruidwormen en de rupsen hebben afgegeten. Wat zij hebben afgegeten zal Ik weer in kracht terugbrengen."

107 Wat de Lutheranen overlieten, hebben de Methodisten gegeten; wat de Methodisten overlieten, hebben de Pinkstermensen gegeten; wat de Pinkstermensen overlieten, hebben de zus en zo gegeten, steeds zo verder, verder en verder; een met dit en een met dit, en een met dit en een met dit en een met dit, tot het langzaam overging in een stel 'ismen'. Wij weten dat dat de waarheid is. Ik sta tussen u in en ik heb u lief.

108 Maar onthoud, in Maleachi 4, niet Maleachi 3 nu, in Maleachi 4, beloofde God de zalving opnieuw te zenden en "het geloof van de kinderen weer terug te herstellen tot de vaderen." En het is precies wat God beloofde aan Joël. Hoe zal het gedaan worden? We zien dat Jezus zei in Lukas 17:26–30... Hij zei in het zevenentwintigste vers... Lukas 17, Hij zei: "Zoals het was in de dagen van Noach, zij aten, dronken, namen ten huwelijk en werden ten huwelijk gegeven; en wisten het niet tot Noach binnenging. Zo zal het wezen in de komst van de Zoon des mensen." Maar Hij zei ook: "Zoals het was in de dagen van Lot..."

109 Hebt u ooit teruggekeken? Ik wilde dat we tijd hadden om terug te gaan om dat te onthullen. Keer terug naar Genesis, dat is hetzelfde boek dat Jezus las. Dat was het boek dat Hij aan het openbaren was, waar Hij over sprak. "Ga terug, kijk ernaar", zei Hij. En de zonen der mensen... "Gods zonen namen zich de dochters van mensen." Vrouwen. De oorspronkelijke vertaling uit het Hebreeuws daar zegt dat het vrouwen waren – zij namen vrouwen tot zich, ziet u.

110 Kijk heden maar, kijk naar het huwen en ten huwelijk gegeven worden; "en wisten het niet tot..."

111 Kijk hier, kijk naar Engeland, deze grote schande, kijk hier in de Verenigde Staten, kijk naar de prostitutie, kijk naar alles. Het is bijna zoals de komiek onlangs op een avond zei: "Vrouwen hebben hun kleding zo nauwsluitend om zich heen, zo immoreel wanneer zij op straat lopen; nog even en ze hebben alleen maar wat spuitwerk te doen en hoeven ze geen kleding meer te dragen." Het is vrijwel de waarheid. Kijk naar hen, hoe ze rondlopen, hoe immoreel en vies en vuil. Zij gaan... En je neemt... vertellen een grap, zitten tussen de mannen in en ga zo maar door. En hij zei: "De enige manier waarop u kunt vertellen... Zij kleden zich als een man en de man kleedt zich als een vrouw. Je kunt nauwelijks... knippen hun haar eender, hetzelfde... De enige manier waarop u het verschil kunt weten, is wanneer u een vuile mop vertelt; een man zal blozen, vrouwen niet." Ja.

112 En de dochters van Sion zouden in de laatste dagen hooghartig wandelen. Zij zouden in gebreke blijven om achter de Here aan te gaan. Het geeft niet wat u tegen hen zegt, u kunt maar prediken en prediken en prediken, het is gewoon of je daar tegen die muur praat. Er ligt een dichte duisternis op hen. Er is geen... het schijnt zo moeilijk te zijn om een echte man te vinden, die man is, en een vrouw te vinden, die werkelijk dame is.

113 Kijk heden op de straten en op onze beeldschermen en waar het ook is, deze ongecensureerde programma's, sigaretten roken, vloeken, zich aanstellen, zich kleden als mannen, enzovoort. Jezus zei dat deze dingen er zouden zijn en ze zijn hier. Ze hebben geen onthulling nodig, ze zijn reeds onthuld.

114 Let nu op. Hij zei: "Zoals het was in de dagen van Lot..." Kijk naar de instelling van Lot; God kwam neer. En die twee mannen gingen Sodom binnen en predikten daar in Sodom. Eén Man bleef daar bij Abraham, de uitverkoren gemeente, type van de eruit geroepen Pinkstermensen van vandaag, niet die daar in Sodom.

115 Degenen die leven tussen Pinkstermensen en vrouwen die hun haar afknippen en mannen die zo tekeergaan en deze smerige moppen vertellen en zich aanstellen, zij zijn geen Pinkstermensen, zij dragen gewoon een naam van Pinksteren. Het zijn geen Pinkstermensen. Echte Pinksterdames zijn dámes! Echte Pinkstermannen zijn mànnen!

116 De scholen moeten bijna sluiten, vanwege jonge afvallige jongens die verdorven zijn en dergelijke dingen, in de school, homoseksuelen overal verspreid. Het is gewoon een misselijk gezicht! "Zoals het was in de dagen van Sodom, zo zal het zijn in de komst van de Zoon des mensen."

117 Herinner, merk daar precies op in dat dertigste vers, "wanneer de Zoon des mensen geopenbaard zal worden". Hebt u dat wel eens opgemerkt? Houd dat dertigste vers in de gaten. "Wanneer de Zoon des mensen geopenbaard zal worden, in de dagen zoals het voorheen in Sodom was." Kijk wat er in Sodom gebeurde. Deze Man bleef achter. Twee van hen gingen erheen, spraken tot Lot om hem daaruit te krijgen en zij deden daar geen wonderen, sloegen hen enkel met blindheid. Maar Deze hier deed een wonder voor de uitverkorenen. Hij had Zijn rug naar Sara gekeerd en zij was in de tent achter Hem. Hij zei: "Waar is Sara, uw vrouw?"

     Hij zei: "Zij is in de tent, achter U."

118 Denk eraan, Hij noemde haar "Sara", noemde hem "Abraham". De dag tevoren was hij Abram en zij was Saraï, geen Sara.

     En let op, hij zei: "Zij is in de tent achter U."

119 Hij zei: "Ik zal u gaan bezoeken." Wat was het? God in vlees. "Ik zal u gaan bezoeken overeenkomstig de belofte."

     En Sara lachte en zei: "Deze dingen zijn onmogelijk."

120 Hij zei: "Waarom lachte Sara en zei: 'Deze dingen zijn onmogelijk'?" Vertelde haar wat ze deed. Hij, het Woord in menselijk vlees, kende de geheimen van haar hart en zei: "U hebt wel gelachen!"

121 En toen Hij vleesgemaakt werd op aarde was dat precies wat Hij deed.

122 En wat heeft Hij gezegd? "Wanneer de Zoon des mensen wordt geopenbaard in de laatste dagen, zoals het was in de dagen van Sodom." Als er Sodomieten over het hele land zijn, de hele wereld bevuild en bedorven is, en we zien de kerk bedorven, dan is het tijd dat de Zoon des mensen Zich openbaart. Dezelfde gisteren, heden en voor eeuwig. Dat is Gods belofte.

123 Kijk wat Hij zei: "Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; maar gij zult Mij zien, want Ik zal met u zijn, zelfs in u. U zult Mij zien, de gelovige." Dezelfde gisteren, heden en voor eeuwig! Ja. "Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer..." Zij kan Hem niet zien; hun ogen zijn verblind.

124 Maar wanneer u de Zoon des mensen geopenbaard ziet, komt het Woord terug in menselijk vlees! Een Man Die het vlees van een kalf eet, de melk van een koe drinkt, koeken eet die op een haard bereid werden en die "Elohim" werd genoemd, amen, een Man met stoffige kleding aan, God gemanifesteerd in vlees. Daar was Hij op aarde, gemanifesteerd in het vlees, en zei: "Zoals het was in de dagen van Sodom, wanneer de Zoon des mensen wordt geopenbaard in de laatste dagen, zou de wereld in een Sodom-toestand zijn", en hier is het. Broeder, zuster, dames en heren, wat u ook mag zijn, dit is het uur, en de vertolking behoort aan God. Moge God onze blinde ogen openen voor een Schriftuurlijke belofte en bekendmaken dat wij leven in de laatste dagen. Amen!

     Laten we onze hoofden buigen.

125 Hemelse Vader, er zou zoveel gezegd kunnen worden. Dit is genoeg. Ik zal stoppen. Here God, Die de belofte deed, kom op het toneel, Heer, openbaar het. Ons vlees is niet goed, ons vlees is zwak en het is gebrekkig, Heer. Het is niet dat er iemand waardig is. Wij zijn niet waardig, Heer. Maar U beloofde het en hier is het uur. Het Woord staat voor ons. Wandel vanavond met ons mee, Heer, en doe iets zoals U het daar deed toen U indertijd op aarde was, tweeduizend jaar geleden, opdat deze gemeente vanavond mag weten dat U eeuwigdurend leeft, dat U gisteren, heden en voor eeuwig Dezelfde bent en beloofd hebt dat de werken die U hebt gedaan weer zouden worden herhaald. De Zoon des mensen zou in de laatste dagen worden geopenbaard, zoals het was te Sodom. Heer, U hebt dat nooit vermeld over Lot... omtrent Noach. U hebt nooit vermeld dat U geopenbaard zou worden in Noachs tijd, maar zei: "Zoals het was in Sodom, wanneer de Zoon des mensen wordt geopenbaard." O, kan...

126 Heer, laat Bijbellezers hier vanavond de Waarheid zien. Laat hun zien dat Maleachi 4, dat deze zalving wordt verondersteld te komen om dat geloof dat de vaders eens zagen weer terug te herstellen, de openbaring van God in Christus. Mogen zij nu de openbaring van God in menselijke wezens zien. Christus gemanifesteerd in het vlees van Zijn gemeente, wandelend onder ons. Sta het toe, Heer. De beloften die U deed en de beloften die U zult houden. En ik draag mijzelf, met het Woord, met de gemeente, met allen, nu aan U op, in Jezus Christus' Naam.

127 Met onze hoofden gebogen, zouden er hier enigen zijn, voor we de gebedsrij oproepen, die wilden zeggen: "Broeder Branham, ik – ik ben geen Christen, ik – ik wil gered worden. Bid voor mij, wilt u, broeder Branham?" Steek gewoon uw hand op. "Ik zal het doen." Als u hier bent en geen Christen bent. God zegene u, meneer. God zegene u, jongeman. God zegene u, meneer. Dat is goed. Gewoon... God zegene u, dame. God zegene u, dame. God zegene u. Dat is juist. God zegene u daarginds, meneer. God zegene u. Dat is goed.

128 Nog iemand die zijn hand opsteekt en zegt: "Ik ben geen Christen"? God zegene u. Ik heb u daarachter gezien, jongeman. God zegene u, daar helemaal achterin. En hier helemaal in de hoek, ja, God zegene u. "Ik ben geen Christen, broeder Branham, maar ik geloof wel dat u de Waarheid vertelt. Ik geloof dat het de Waarheid is. Ik geloof dat de belofte dat zegt. Ik heb gelezen en zie dat de belofte dat beloofd heeft. Ik heb het nooit gezien maar ik geloof het." God zegene u, jongedame. Nog iemand?

129 Wanneer u uw arm opheft, doet dat iets bij u. Beslist. Het geeft u een gevoel dat u iets hebt gedaan wat goed is. Er zijn geen personen meer die hun handen opsteken... Ik zie u daar ver achteraan. Ja. Er is niemand meer die zijn hand opsteekt, maar... God zegene u. Ik zie u daar, weer, en u hier. Ja. O, dat is goed. Bedenk, als ik uw hand over het hoofd heb gezien, zal Hij u zien. Hij weet er alles van. Vergeet niet dat Hij het weet. God zegene u, jonge zuster. Hij weet het.

130 Onze Hemelse Vader, zij zijn nu de Uwe. Zij konden die hand niet hebben opgestoken; er is iets dat hun vertelde het te doen. En toch heeft misschien geen van hen de zichtbare, buitengewone tekenen van Uw tegenwoordigheid in de laatste dagen hier op aarde gezien, maar zij zien het hier, de Schrift zegt het. En mogen zij het vanavond begrijpen, omdat zelfs de Bijbel al die jaren is gepredikt en nog geloven de mensen niet. Maar toen U Kleopas en zijn vriend bereikte en toen omkeerde en iets deed op de wijze zoals U het gedaan hebt toen U nog op aarde leefde, vóór de kruisiging, wisten zij dat dit dezelfde Jezus was. Doet u nu, Heer, vanavond hetzelfde voor ons. Doe vanavond voor deze zieke mensen zoals U deed vóór Uw kruisiging; dan, na tweeduizend jaar, zullen mannen en vrouwen weten dat U leeft. Wij wachten op U, Vader, door Jezus' Naam. Amen.

131 Tot u die uw handen hebt opgestoken, ik wil dat u werkelijk eerbiedig zit voor enige minuten. Ik ga een gebedsrij oproepen. Ik zeg niet dat God het zal doen. Maar ik wil u een plechtige vraag stellen, mensen. Terwijl er hier, o, een paar honderd mensen zijn, of vijf- of zeshonderd, of hoeveel het er ook zijn, kijk, dat zijn heel wat mensen. Maar kijk, ik wil u iets vragen. Wij zijn verantwoordelijk aan God. Wij zijn het. En Hij is verantwoordelijk voor Zijn Woord. Als Hij nu dat Woord opnieuw laat leven, u – u – u – u... Ik wil dat ieder die uw hand opstak en u die uw hand niet opstak hierna onmiddellijk hierheen komt en bij het altaar komt staan, zodra wij voor de zieken bidden.

132 Waar is Billy? Deed je... 1, gebedskaart B, 1 tot 100? Goed. Laten we, we hebben haast, dus zullen we starten bij nummer 1. Gebedskaart B, nummer 1, wie die heeft, steek uw hand op. Kijk op uw gebedskaart, kijk wat het is. Als u niet lopen kunt, wel, laat dan iemand van u erheen gaan, zodat hij... B, nummer 1, 2, 3, 4, 5, sta op, hier, als u wilt. 1, 2, 3... Als u niet kunt lopen, steek uw hand op en ze zullen u brengen. 1, 2... Ik zie er maar één, tot nu toe. Wilt u vlug komen, zo snel u kunt; 1, 2, 3, 4, 5.

133 Als iemand het in het Spaans wil afroepen; ik zie dat er veel Spaanse mensen zijn. B, 1, 2, 3, 4, 5. 1, 2, 3... In orde, het zijn er drie. 1, 2, 3, 4, er is er nog één. Nummer 5, wie heeft gebedskaart nummer 5? Steek uw hand op, iemand. Hoe zegt u het in het Spaans? Is dat gebedskaart nummer 5, meneer? [Iemand zegt in het Spaans: "Cinco." – Vert] Huh? ["Numero cinco, el numero cinco." – "Hier is 5."] Daar heeft men het. Dank u. 1, 2, 3, 4... Dan, wel, welke ontbreekt er? ["Allen zijn er, vijf."] Zijn er daar vijf? ["Ja."] Ja, nu zie ik het. Ik zie hem daar staan. Goed. Ik zag hem daar niet staan. In orde.

134 6, 7, 8, 9, 10. Zeg... [Leeg gedeelte op de band. – Iemand zegt in het Spaans: "Seis, siete, ocho, nueve, diez." – Vert] Nu, ga hier even staan. 6, 7, 7, 8, 9... Dat is hem. 11, 12, 13, 14, 15. ["Once, doce, trece, catorce, quince."] Dat is goed. Dat is fijn. Wacht even, laten we nog een paar roepen. 17, 18, 19, 20; 1 tot en met 20. Begin? 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9... 13, 14, 15, 16, 17, 18. Dat is het. In orde, dat is prachtig. Dat is goed genoeg. Laten we met hen beginnen. Dank u wel, broeder.

135 Hoevelen hier hebben geen gebedskaart, steek uw hand op, en toch bent u ziek? Bedenk nu, u hoeft niet hierboven te zijn. U hoeft niet hier te zijn. Geloof gewoon.

136 Laat nu iedereen echt eerbiedig zijn. Ik ga u vragen, in Jezus' Naam, dat niemand zich verroert in de volgende, ongeveer tien, vijftien, in ieder geval tien of vijftien minuten. Laten we... laten we God dat grote respect geven. Laat iedereen tot rust komen. Laat ons nu werkelijk rustig worden. Nog een ogenblik en hij zal de rij klaar hebben. Nu terwijl hij... zij wachten daar, luister nu aandachtig naar me.

137 Nu, beseft u waar ik hier sta? Hoevelen begrijpen waarover ik heb gepredikt? Zie? En ik heb beweerd dat Hij uit de dood is opgestaan. Nu is Hij verrezen uit de dood en Hij beloofde dit te doen... Nu is het sinds de apostelen tot op deze tijd, voor zover we weten, in geen enkel jaar meer gebeurd, maar Hij beloofde het op deze tijd dat de Zoon des mensen geopenbaard zou worden zoals het was te Sodom. Nu, u leest dat in Lukas 17, ongeveer vers 20 tot 30 en kijk of dat niet waar is. Hij beloofde het.

138 Lees Maleachi 4. Verwar het nu niet met Maleachi 3. Maleachi 3 was Johannes de Doper. Ziet u? Maar Maleachi 4, zodra dit voorbij was, vertreden de rechtvaardigen de goddelozen en de wereld werd door vuur verbrand, zie. Het gebeurde nooit in de dagen van Johannes' tijd. Wij verwachten die grote zalving op de gemeente, wat de harten terug zal leiden naar de oorspronkelijke leer van de vaders, terug naar het echte, oorspronkelijke Pinksteren.

139 Goed, wees eerbiedig. Billy, roep zodra je hen daar allemaal in de rij hebt. In orde, alles gereed? Oké. Nu, werkelijk eerbiedig. Iemand gaat helpen, loopt erlangs. Wees nu ieder werkelijk rustig voor een paar minuten.

140 Ik wil dat u mij nu een belofte doet. Ik beloofde God dat ik... En Hij kent mijn hart (Zie?) en Hij kent het uwe. Ik ben nu alleen verplicht om dit te zeggen wat de Waarheid is. Dat is alles waaraan ik verplicht ben. God schreef het; ik nooit... Zij... zij... ik ben het niet; het is de Bijbel. U weet dat. Welnu, als Hij dat wil openbaren, zal dat Hem hier niet levend onder ons brengen? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Ziet u?

141 Wat als u geen gezichtsvermogen zou hebben, niemand het had, en u zou buiten in het zonlicht gaan wandelen. Soms zou u niet weten waar u liep, omdat u blind was. En u wandelde in de zonneschijn, u voelde werkelijk iets om u heen, echt warm. Dan na een poosje zou u in de schaduw wandelen, en u zou zeggen: "Het is er nu niet meer." Niemand wist ooit wat zon was, had ooit dat gezichtszintuig gehad. Zie? U zou niet weten wat het was.

     Iemand zegt: "Dat is het zonlicht."

142 "Wat is zonlicht? Wat is licht en wat is de zon?" Zie, u hebt er nooit van gehoord. Ziet u?

     "Wel, het is een licht dat neerkomt."

     "Wat is een licht?" Zie?

143 Dat is nu de wijze. Wij voelen de tegenwoordigheid van God, en dan voelen we het weer niet, dan weer wandelen we daarin. Ziet u? En u bent in een dimensie dat u ziet! U kunt zeggen wat het is. Zie? U weet wat dat is.

144 Welnu, als God uit de dood is opgestaan dan is Hij hier vanavond. Hij beloofde het. Nu is Zijn stoffelijk lichaam op de troon van God gezeten; Hij nam het op, ging zitten op de troon van God. Maar de Heilige Geest is hier, wat Christus is, in Geestvorm. Het woord Christus betekent 'de Gezalfde'. En die zalving die op Hem was, is op de gemeente, ons allen. Nu is het blijven komen van rechtvaardiging, heiliging, doop van de Heilige Geest, herstel van de gaven, rechtstreeks door naar de top ervan. Juist, het komt steeds meer in de minderheid, is nu tezamen. En nu is er een kerk, en nu zal er een bruid uit de kerk komen; zie, de kerk gaat door de verdrukkingsperiode, niet de bruid. Excuseer mij, ik moet geen leerstelling prediken. Sorry. In orde. Dit is de dame. Kom hier.

145 Merk op. Ik geloof niet dat er hier binnen iemand is die ik ken, waar ik naar kijk. Als elk van u hier een onbekende voor mij is, steek uw hand op. U weet dat ik niets over u weet, zodat de mensen hier vreemdelingen zijn.

146 Alstublieft, beweeg nu alstublieft niet heen en weer. Zit stil, wilt u?

147 Allen die in de gebedsrij zijn, die mij niet kennen en weten dat ik niets over u weet, steek uw hand op. Daar zijn we.

148 Nu zit hier een groep predikers. Ziet u, het is hier recht voor, waar wij allemaal naar kunnen kijken. Zie?

149 Nu, deze dame hier is een onbekende voor mij. (Nu, wie er ook aan zit, de technicus, let op die microfoon.) Goed? Nu ga ik tot haar spreken. Hier, hier komt Johannes 4 terug, waar Jezus tot een vrouw sprak en haar vertelde wat haar probleem was en zij geloofde dat dat het teken van de Messias was. Als dat toen het teken van de Messias was, is het nog steeds het teken van de Messias, want Hij is Dezelfde gisteren, vandaag en voor eeuwig. Is dat juist? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Net zo'n ontmoeting...

150 Nu ben ik Jezus niet en ongetwijfeld is deze vrouw hier niet dat type vrouw. Maar wat ik probeer te zeggen, het is eender; hier is een man die een vrouw ontmoet, en er is daar iets verkeerd, als dan iets hierbinnen wil komen om het te openbaren, toont het dat het God moet zijn. Nu zou ik het niet weten, omdat ik de vrouw nooit in mijn leven heb gezien. Ziet u? En zij stak haar hand op dat ik haar niet kende en zij kent mij niet en hier staan we gewoon.

151 Nu wil ik gewoon een ogenblik tot u spreken, na zo gesproken, gepredikt te hebben, zuster. En als dat... Dus, ziet u, het ene is prediken, het andere is zalving. Het is iets anders.

152 Als de Here Jezus mij nu zou kunnen verklaren, of mij tonen door een visioen, iets wat u verlangt, iets wat... iets wat misschien een ziekte is, het zou financieel kunnen zijn, het zou huiselijk kunnen zijn, het zou voor iemand anders kunnen zijn. Ik weet het niet, zie, ik heb geen idee. Maar als Hij mij iets zou vertellen wat verkeerd is, of iets wat er verkeerd is in uw leven, of zoiets... u bent verschrikkelijk ziek, of iemand anders is ziek, of er is iets verkeerd. Als Hij het zou vertellen, zou u weten of het de waarheid was of niet. U, u kunt zeggen of het waar is of niet. Wel, als Hij weet wat geweest is, dan weet Hij zeker wat er zal zijn. Als Hij het verleden kan vertellen, kan Hij het heden en de toekomst vertellen. Zou u dat laten geloven met heel uw hart, dat u krijgt waarvoor u gevraagd hebt?

153 Zou het het gehoor laten geloven dat zij zouden ontvangen waarom zij vroegen? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Nu, beweeg nu niet heen en weer. Ik ben alleen aan het wachten en kijk om te zien wat Hij me zou willen vertellen, want ik weet het niet. Ik ben gewoon... Samenkomst na samenkomst, word nerveus, weet u, en prediken en haasten en dit in de gaten houden en opletten... En beloofde dat ik u hier om half tien uit zou laten gaan; het is nu bijna zo laat, het maakt me nerveus, zodat ik mezelf moet kalmeren. Ziet u?

154 Een gave is niet zoiets als wanneer u een mes neemt om iets fijn te hakken. Dat is geen gave. Een gave is om uzelf uit de weg te krijgen zodat de Heilige Geest u kan gebruiken. En dat is het enige wat ik moet doen, William Branham van het toneel krijgen, ziet u, zodat God erop kan komen.

155 Nu, in de Naam van Jezus Christus neem ik elke geest hier onder mijn controle voor Zijn glorie opdat de woorden die ik heb gepredikt, gemanifesteerd mogen worden. Hij is hier nu. Ik wilde dat ik u zou kunnen vertellen hoe het is. My, o my! Als Hij me zou vertellen morgenochtend naar de presidentiële begraafplaats te gaan en George Washington uit het graf op te wekken, zou ik u vragen om het te komen zien. Net wat Hij nu zou zeggen. Ziet u? Ik weet niet wat Hij zou zeggen, maar wat Hij zegt zal waarheid zijn.

156 De dame lijdt aan een kwaal aan haar ogen. Zij heeft last van haar ogen. Het kwelt haar. Zij heeft een rugkwaal waar ze zich zorgen over maakt. Zij is nerveus, buitengewoon nerveus. Juist. Is dat zo? Als dat zo is, steek uw hand op. Zeg, nog iets, u bent een voorganger van een of andere aard, u bent als een vrouwelijke... U bent een vrouwelijke prediker. Dat is het. Nu, gelooft u met heel uw hart? Ga en u kunt hebben waarvoor u gevraagd hebt. Gelooft u het? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

157 Kom, meneer. Wij zijn vreemden voor elkaar, veronderstel ik. De Here kent ons beiden. Gelooft u dat God mij kan vertellen? Nu, dat was een vrouw; hier is een man. Gelooft u dat God mij kan vertellen wat uw moeite is? Zou dat u laten geloven? U lijdt aan nervositeit. Ook hebt u moeite met uw ogen; zij worden steeds slechter. Het is al enige tijd gaande. Nog iets, ik zie iets over uw arm. O, het is uw hoge bloeddruk. Dat is het, u hebt hoge bloeddruk. Dat is waar, is het niet? Wel, steek uw hand op als die dingen juist zijn. [De broeder zegt: "Dank u, Jezus." – Vert] Daar, zie? Zie? Dank u.

158 Hoe meer u tot Hem spreekt, des te meer het zal zijn, zie? Nu, let op, kijk, let op. Doe uw hand maar naar beneden. We hebben er daar niet al te veel; doe uw hand maar naar beneden. Ik weet nu niet wat ik tegen hem gezegd heb, maar het is daar op de geluidsband, ziet u, dat is hoe het op de band staat. Ik weet niet wat Hij heeft gezegd.

159 Maar laat nu eens kijken. Ja, het zijn ogen, dat is het ene. En dan nog iets, u hebt een bloedstolsel en dat zit aan de hersenen en u hebt een beroerte gehad. Dat is waar. Wel, gelooft u nu? U gelooft dat u in orde zult zijn? Gelooft u dat dat God is Die spreekt, niet ik? In orde, ga het dan geloven. Dat is alles wat u moet doen, enkel geloven. Als zij slechts konden geloven, dat is alles. Als zij slechts geloven, is het over.

160 Hoe gaat het met u? Gelooft u dat God mij uw moeite kan openbaren? [De zuster zegt: "Ja, ik geloof het." – Vert] En als Hij het kan, zal het maken dat u Hem gelooft? ["Ja."] Zou dat het doen? Waar bent u bevreesd voor? U kunt het niet vertellen, kunt u? Dat is juist. Het is als duisternis, nervositeit. En dan nog iets, u hebt last van uw nek. ["Ja."] Dat is juist. Uw kwaal zit in uw nek. Dan hebt u iemand op uw hart waarvoor u bidt. ["Ja."] U hebt er heel wat moeite mee. ["Ja."] En dat is omtrent alcohol. ["Ja."] Het is uw echtgenoot. ["Ja."] Hij is een alcoholist. ["Ja."] En u bidt voor hem. ["Ja."] U gelooft voor hem? ["Ja, dat doe ik."] Dan bid ik dat Jezus Christus deze dingen voor u zal doen en u zult in orde komen.

161 Gelooft u? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Nu, dat is praktisch precies... deze twee, drie, of wat, vier, welke ook langsgekomen zijn, dat is ongeveer zoveel als Jezus deed in de hele Bijbel. Zie? Dat is waar. Hij deed het bij een vrouw, vertelde die vrouw dat ene ding en Hij ging verder naar Sichar; Hij heeft daar nooit meer tegen iemand iets gezegd, maar zij geloofden door de getuigenis van de vrouw. Ja. Die vrouw hoeft niet tegen u te getuigen, u staat er hier zelf rechtstreeks naar te kijken. U moet enkel geloven. Natuurlijk zouden sommigen niet geloven, daar is niets in hen om mee te geloven.

162 Hoe gaat het met u? Nu, wij zijn vreemden. Zou ik niet een verschrikkelijk persoon zijn hier te staan als... Een lieflijke, grijsharige vrouw zoals deze, en dingen denken, en mijn eigen dierbare moeder zou ongeveer die leeftijd zijn geweest en zij stierf hier net een paar jaar geleden. En als ik iets kan doen om die arme dame te helpen zal ik het doen. Ik weet, als zij ziek is, als ik een muntstuk kon nemen en dat op mijn neus de stad kon rondduwen, dan zou ik het doen. Het deert mij niet wie om mij zou lachen. Ik wil dat zij gezond wordt. Als ik haar zou kunnen helpen, zou ik het doen. Maar ik kan haar niet helpen. En in zoverre als Hij het gedaan heeft, had God dat reeds gedaan. En Hij houdt meer van u dan ik. Hij stierf voor u en dat deed ik nooit. Maar Hij hield genoeg van u om voor u te sterven.

163 Maar toen zond Hij mij een kleine gave. Hij zond uw voorganger hier om te bidden en handen op de zieken te leggen en ziet u, dat is zo vaak in de opwekking gedaan, dat dat zo'n beetje verleden tijd is, weet u. En nu is het hoger in een andere – u weet wat ik bedoel – een klasse, iets anders.

164 Als de Here mij nu wil openbaren wat uw moeite is, gelooft u dan dat ik Zijn profeet of Zijn dienstknecht ben? Gelooft u dat Hij het is? [De zuster zegt: "Ja, ik weet het." – Vert] Nu, dank u, zuster. Nu geloof ik dat die nierkwaal waaraan u geleden hebt u zal verlaten. Gelooft u dat ook? U hebt een verzoek in uw hart; u wilt het mij vragen. ["Ja."] Wat als ik dat verzoek bekendmaak vóór u het mij vraagt, zou het u meer doen geloven? ["Zeker."] U wilt dat ik voor uw dochter bid. Zij is niet hier. Dat is juist. Wilt u dat ik openbaar wat haar kwaal is? Het is een werkelijke nervositeit. Geloof nu en zij zal gezond worden. Zie? God zegene u, zuster. "Indien u kunt geloven, zijn alle dingen mogelijk." Zie?

165 Wat doet het Woord van God... Kijk of deze predikers dit niet zeggen. De Bijbel zegt in Hebreeën, Nieuwe Testament, het vierde hoofdstuk: "Het Woord van God is scherper dan een tweesnijdend zwaard, en snijdt vaneen, zelfs het merg van het been en is een onderscheider van de gedachten en overleggingen van het hart." Is dat juist, broeders? [De predikers zeggen: "Amen." – Vert] Ziet u?

166 Wat is het? Het is het Woord dat voor deze dag is toebedeeld. Het Woord bestemd voor deze dag, deze belofte vervullend. "Wanneer de Zoon des mensen zal geopenbaard worden, de dagen van Sodom, al deze andere dingen die beloofd zijn." Hier is het, het is het Woord van God dat geopenbaard wordt, omdat het het Woord Zelf is, dat de gedachten onderscheidt die in het hart zijn. Begrijpt u? Dat is precies juist.

167 Nu, deze dame, ik ken haar niet, nog een vriendelijk uitziend persoon. Wat zou ik een vreselijk persoon zijn als ik zou kunnen helpen en...

168 Een ogenblikje nu. Iemand anders, het was een man, het was een man die verscheen en iemand daar die bidt. Heb slechts geloof. Nu, zie, het is... Ik moet alleen zeggen waarnaar ik kijk. Ziet u, dat is al wat ik kan zeggen, dat wat ik zie.

169 U, ja u lijdt aan een maagkwaal. Het is in uw maag. Dan wilt u mij een verzoek doen en dat is voor uw moeder, zij is hier niet, maar zij is ziek. U wilt dat ik voor haar bid. Is dat niet zo? U hebt nog een verzoek. Het is voor... Het is voor iemand die niet hier is. Het is ver hiervandaan. En ik zie dat het ver... het is in een ander land. Het is heel ver van hier. En het is een – het is een jong persoon, een kind dat lijdt aan een soort ziekte, tropische ziekte. Zuid-Amerika, precies. Het is alleen... Dat is absoluut waar. Nu... Ga, geloof nu met heel uw hart.

170 Ik genees niet. Hij heeft reeds genezen. Kunt u niet beseffen dat het opnieuw Zijn tegenwoordigheid is? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Ik moet steeds maar blijven doorgaan en nu begint het mij een beetje te verblinden, ziet u.

     U zegt: "Dat zal niet..."

171 Wel, broeder, zuster, Jezus... Een vrouw raakte Zijn kleed aan, Hij keerde Zich om om te zien wat het was en Hij zei: "Kracht ging van Mij uit." Is dat waar? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Welnu, Hij was... dat was God. Wat met mij, een zondaar? U moet geloven. Twijfel niet; geloof. Dat is...

172 Gelooft u? Een jonge vrouw, en u gelooft dat God mij kan openbaren wat uw moeite is? Wilt u het aannemen en het geloven met heel uw... U weet dat het waar zou zijn, is het niet? Nu, het ene wat uw moeite is, zit in uw rug, u hebt een rugkwaal. En dan hebt u een groot verlangen in uw hart voor iets, en dat is; u zoekt de doop van de Heilige Geest. Dat is precies juist. Gelooft u het? Wel, u gaat het ontvangen. Amen. Ga nu heen en geloof het met heel uw hart, en u zult de doop ontvangen.

173 Gelooft u dat God die artritis kan genezen en u gezond maken? Nu, blijf gewoon doorlopen en Hem danken...?... Indien u slechts zult geloven... In orde.

174 Zou u willen komen, dame? Precies zoals u daar zat... Gelooft u met uw hele hart? [De zuster zegt: "Hoe kan ik het betwijfelen?" – Vert] Dat is nu de manier, dan zult u geen artritis meer hebben. U zult niet meer kreupel zijn. Ga gewoon uw weg en verheug u. Die dameskwaal stopt ook. Ga gewoon, de Here dankend, en zeg: "Geprezen zij God!" In orde. Goed.

175 Nu, u gelooft, zuster, die daar zit, gelooft u? In orde, ja. Nu, die dameskwaal die u hebt gehad, vrouwenkwaal, reeds lang... Geloof slechts met heel uw hart, ga en het zal... u zult gezond worden en zult het niet meer hebben, als u het zult geloven. U moet het geloven.

176 In orde, breng de dame, het meisje. Kom hier, lieveling. Nu... Ik zal haar hand een ogenblik pakken. Kom hier, liefje. Ik dacht dat dit het was. Raakt soms helemaal benauwd, is het niet, kan nauwelijks adem krijgen. Dit is een... omdat die oude astma ontzettend erg is, maar God kan het genezen. Geloof je dat niet? Here Jezus, ik bid dat U het kind zult genezen.

177 Twijfel niet, zuster; het zal haar verlaten. Ga het nu met heel uw hart geloven.

178 God geneest suikerziekte. Hij kan alles gezond maken, wat Hij maar wil. Gelooft u dat niet? [De zuster zegt: "Amen."] Gelooft u dat Hij u wil genezen? ["Amen."] In orde, zeg: "Dank U, Here" en ga verder en verheug u gewoon.

179 Een ogenblikje. Ik blijf hier een man zien komen. Ik zie het. Hier is het. Een kleine man zit daar met een jongetje in zijn armen. Gelooft u, meneer? Ik ben een vreemdeling voor u. Gelooft u dat God mij kan openbaren wat u verlangt? Ziet u, u raakte Hem aan. Ik ken u niet. Maar u lijdt aan een kwaal, een botziekte. Dat is waar. Uw kleine jongen daar heeft het. Uw kleine jongen die naast hem zit heeft het. Dat is uw kleine meisje die ernaast zit... Zij is in haar armen en zij is scheel. Als dat waar is, steek uw hand op. Gelooft u nu? Twijfel niet. Heb geloof in God. Twijfel niet. Geloof gewoon. Alle dingen zijn mogelijk voor degenen die geloven.

180 Waarom huilt u, kleine dame, die daar aan het eind zit, met uw zakdoek tegen uw gezicht, huilend? Gelooft u dat ik Zijn dienstknecht ben? Gelooft u dat God mij hiervandaan kan openbaren wat uw moeite is? U hebt een geestelijk probleem waarover u zit te peinzen. Is dat juist? Het zal allemaal worden opgehelderd. Het zal in orde zijn.

181 Die dame die daar naast u zit, u sprak net even tegen haar. Zij hield net haar zakdoek tegen haar gezicht. Gelooft u dat God mij kan vertellen wat uw moeite is, zuster? Wilt u mij geloven als Zijn profeet, Zijn dienstknecht? Wilt u? Goed. Die voorhoofdsholte-kwaal die u last bezorgd heeft, zal van u weggaan als u het gelooft. Zult u het geloven? Als u het zult, steek uw hand op en zeg: "Ik geloof het."

182 U wilt uw maaltijd eten, dame, met die maagkwaal, naast haar? U gelooft ook met uw hele hart?

183 De volgende dame daar heeft een geestelijk probleem. En u hebt ook een huiduitslag die u last bezorgt. U hebt een dochter die ook huiduitslag heeft. Is dat niet juist? Jazeker. Zij zit ook hierbinnen. Gelooft u dat? In orde, u kunt genezen zijn als u het gelooft.

184 Wat met deze anderen? Hier, zie deze kleine, Mexicaanse man die hier aan het eind zit en rechtstreeks naar mij kijkt? Ziet u niet dat licht boven hem hangen? De man... Buiten dat is de man in duisternis, ziet u, wat er daar om hem heen is, dat is epilepsie. Gelooft u dat God u kan genezen van epilepsie, meneer? Ja? Doet u het? Goed. Hij zal het doen.

185 Zeg, de kleine man daar naast u, kleine, Spaanse man – hij heeft een breuk. Gelooft u dat God uw breuk kan genezen, meneer? Gelooft u dat van ganser harte? Ja?

186 De volgende heeft een maagkwaal. U die daar knikt met uw hoofd, u hebt een maagkwaal. Gelooft u dat God u heeft genezen? Ga dan uw maaltijd eten, Hij zal het doen.

187 Vertel me wat zij aanraken, helemaal dwars over het gehoor. Wat is het? Het is de manifestatie van het Woord van God. Gelooft u het zelf? Gelooft u het? [De samenkomst verheugt zich duidelijk. – Vert]

188 Waar zijn enkelen van degenen hier? Hier, hier is een man die op een veldbed ligt. Meneer, ik ken u niet. Ik heb u nooit gezien. Gelooft u mij? Gelooft u dat wat u hebt gehoord de waarheid is? U gelooft het met heel uw hart? Als God mij hier zou willen vertellen wat er verkeerd met u is, zult u – zou u het willen geloven? Ik ga u nu iets vertellen. En u die bij hem zit, weet het. Hij is met de dood overschaduwd. Het is kanker. Het is kanker. En u bent een prediker van het Evangelie. Ik zie u in de preekstoel staan. En dat is waar. En u bent van buiten de stad. Nu, geloof met heel uw hart. U gelooft met heel uw hart... Waarom ligt u daar tot u sterft? Ziet u? U kunt niet verliezen.

189 Er waren enige melaatsen. Herinnert u zich het verhaal dat toen Samaria was belegerd, die melaatsen er binnenkwamen? Ze zeiden: "Waarom zullen we hier zitten tot we sterven? Als we hier blijven, sterven wij; als we de stad ingaan, sterven wij."

190 De dokter heeft alles gedaan wat hij kon. Er kan niets meer worden gedaan, is zijn antwoord daarin. U hebt nog maar één kans. Die melaatsen hadden één kans, als zij naar het huis van de vijand trokken; als zij hen spaarden, leefden zij; als zij het niet deden, zouden ze hoe dan ook sterven. Maar u bent niet gevraagd om naar het huis van een vijand te komen. U bent in de tegenwoordigheid van uw God. U verwacht om... Waarom staat u niet op, neemt u dat bed en gaat naar huis, in de Naam van Jezus Christus. En geloof het en ga naar huis en geloof dat u genezen bent. [De samenkomst verheugt zich. – Vert]

191 Wil de rest van u hetzelfde geloven? Zo ja, sta op uw voeten.

192 Ik vraag die mensen die hun hand hebben opgestoken, als zij gered willen worden en Jezus Christus willen aannemen, wil ik dat u hierheen komt en bij me komt staan voor een ogenblik. Wilt u nu komen? Kom hiernaartoe, u die geloofd hebt en Christus wilt aannemen. U zult nooit iets dichter bij Hem zijn, totdat u Hem zichtbaar ontmoet. Bedenk, het Woord dat ik gepredikt heb, heeft God bevestigd dat het de Waarheid is. Kom deze kant op, ieder van u. Ieder die Christus niet kende, die uw hand opstak, en kom hier; die zei dat u een zondaar was en gered wilde worden, kom een ogenblik hier staan voor gebed. Wilt u het doen? Wilt u komen terwijl Hij zo dichtbij is?

193 Meent u dat u het Woord hier gepredikt kon zien, God Zich kon zien omkeren en zeggen dat dit Woord de Waarheid is: "Dat ben Ik, dat ben Ik, Ik sta hier, diezelfde God Die u zal gaan oordelen" en dan er niet op in te gaan? Doe dat niet, u zou zich voor eeuwig kunnen afsnijden. Ziet u? Hier staan er nu drie. Er zijn er ongeveer twee dozijn. Kom direct, wilt u?

194 Nee, geen lied, u hebt geen lied nodig. Christus is uw lied. Christus is uw schuldovertuiging. Het Woord vertelt het.

195 Dat is goed. Hier komen twee jongemannen. Kom direct verder, u die zondaars bent. Kom even hiernaartoe, wilt u? Direct terwijl ik me zo geleid voelde, stopte ik die gebedsrij voor dit doel. Kom nu meteen hier. Kom direct hier. We komen tot de gebedsrij. Dat is goed, dames, kom regelrecht hiertussen, jongedames.

196 Juist in deze dag, wanneer deze jonge mensen komen, in dit voorname uur, waar er nog steeds tieners in de dolzinnigheid van immoraliteit verkeren, komen deze mensen tot... En ik vertrouw dat God hen tot zulke voorbeelden zal maken dat de mensen in hun omgeving zullen zien dat Jezus Christus nog steeds de verlorenen redt.

197 Wilt u niet komen? Stap er gelijk uit, waar u ook bent. Sluit hier even aan. Goed zo. God zegene jullie, jongens. Dat is goed. Kom direct hier staan. Kom, kom. Daar helemaal achterin, enige mensen daar achteraan die hun hand hebben opgestoken, willen jullie nu niet naar voren komen?

198 Ik ben u bijna aan het overreden. Ik ben... [Broeder Branham begint op de preekstoel te kloppen. – Vert] Het Woord staat aan de buitenkant te kloppen, proberend om binnen te komen. "Zie Ik sta aan de deur en klop; als iemand wil opendoen en binnenkomen – Mij binnen laat komen, Ik zal maaltijd met hem houden en hij met Mij." Wilt u niet komen? Kom nu direct hier staan. Kijk, het Woord is gepredikt, het heeft Zich bewezen; Christus is uit de dood opgestaan en hier doet Hij precies wat Hij zei dat Hij zou doen. Niet verbonden met organisaties, denominaties, om u ergens in te krijgen; dat is uw keus. Ik wil nu dat u Christus aanneemt.

199 Kom, wilt u? Is er nog één? Is... God zegene u. Dat is goed, breng hem meteen hierheen.

200 Broeders, wilt u hier nu heenkomen? Nu, dezen zullen leden van uw gemeenten zijn. Kom hierheen.

201 Kom. Nog iemand anders? Recht in de tegenwoordigheid van Christus, ik kan de Geest gewoon voelen roepen in mijn hart. Zeker, als dat gebeurt in mijn hart is daar iemand buiten die zou moeten komen. Is daar een teruggevallene die zou moeten komen? Kom hier staan. Wilt u, enigen van u? Teruggevallene, wilt u komen? Dat is juist. God zegene u. Kom. Dat is het, kom regelrecht naar voren. Zeker. Dat is de manier. Wees een echte man; echte dame. God maakte u een dame. God maakte u een man. Dat is deugd. Dat is kracht. Kom nu, wilt u? Kom hierbij staan. Ja. Dat is goed. God wil u in Zijn Goddelijke tegenwoordigheid hebben. Herinner u...

202 Door wie gaat God de wereld oordelen? Jezus Christus. Aan wie is in de laatste dagen beloofd om dit te doen, Zichzelf openbaren? Jezus Christus. Ik ben het niet. Het is Christus. Christus is Degene Die Zich hier aan het openbaren is. Nederigheid, zoals Hij was; komend uit niets, zoals Hij deed, komend in ons, zoals Hij heeft gedaan. Hij is God.

203 Nu, ieder van u, predikers, verzamel u rondom deze mensen. Kom hier nu snel tussenin staan, sta vlak om hen heen. Wij gaan voor hen bidden.

204 Iemand anders wil nog komen bij dit gebed. Nog een ogenblikje.

205 Dezen zullen leden van uw gemeenten worden, vrienden. Dit zal... U zult hen van nu af aan moeten nemen. Zij zien de Here Jezus in Zijn kracht van Zijn opstanding. Zij zijn hier om leden van uw gemeente te worden. Doop hen in Christelijke doop, neem hen op in uw gemeenschap. Zij zijn van nu af aan de uwe. U bent de zorgdrager van de herberg.

206 Laten we allemaal onze hoofden buigen. Elkeen, die daar verder een Christen is, die oprecht is, zend een gebed op voor deze mensen.

207 En als deze predikers hen in de kamer willen nemen, waar zij verder geïnstrueerd kunnen worden, dan is dat goed.

208 Hemelse Vader, dit is het resultaat van de samenkomst. Hier komen zondaren, vijftien of twintig van hen zijn rondom het altaar geschaard die hun hart aan U willen geven. Ik bid, Vader, dat U hen zult ontvangen, in de Naam van Christus Jezus, de Heer. Ik bid dat U hen zult ontvangen, schenk hun eeuwig leven. Ze zijn Uw uitverkoren volk, Heer.

209 Ieder hierbinnen die nu ziek is, leg uw handen op elkaar. Reik ernaar, plaats uw handen en begin voor elkaar te bidden. Leg uw handen op elkaar, begin voor elkaar te bidden.

210 Predikers, leg uw handen op deze mensen hier. Dat is het. Daar zijn kracht en glorie en zegeningen op ons en Satan is verslagen in de tegenwoordigheid van Christus.

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
E-BookPrint
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
English (Engels)