Het proces

Door William Marrion Branham

1 ... als een Schriftlezing deze namiddag uit het boek Markus, het zestiende hoofdstuk van Markus. En ik wil dat u opstaat met uw Bijbels, terwijl wij Gods Woord lezen. Markus 16, te beginnen bij het negende vers.

     En toen Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op de eerste dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdaléna, uit wie Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
     Deze, heengaande, boodschapte het hun, die met Hem geweest waren, die treurden en weenden.
     En toen dezen hoorden, dat Hij leefde en van haar gezien was, geloofden zij het niet.
     En na dezen is Hij geopenbaard tot andere gedaanten, van twee... (Excuseer mij.) En na dezen is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen.
     Dezen, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen, maar zij geloofden ook die niet.
     Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en Hij verweet hun hun ongelovigheid en hardheid des harten, omdat zij hen niet geloofd hadden, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was.

2 Is dat niet een beeld van vandaag? Zij geloven niet dat u zo'n getuige bent.

     En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.
     Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

3 Dat trekt een scheidslijn, de ene of de andere kant.

     En hen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.
     Slangen zullen zij opnemen, en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.
     De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods.
     En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere werkte mee en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.

     Laten we onze hoofden buigen.

4 Here, wij geloven dat dit de laatste opdracht aan de gemeente was. Wij geloven dat het Woord vlees werd gemaakt en onder ons woonde. En wij geloven dat geen man beter is dan zijn woord; daarom geloven wij dat U dit Woord bent. En wij geloven dat U het bent, Die Dezelfde is gisteren, vandaag, en voor eeuwig. Kom vandaag, o Vader God, in de vorm van het Woord tot ons, en laat de mensen zien dat Gij de opgestane Christus zijt, en in deze laatste dag bent opgestaan in de vorm waarin U zei dat U zou zijn: in het gemanifesteerde Woord. Toen U op aarde was, was U het geprofeteerde Woord, gemanifesteerd in een menselijke vorm. En het Woord is geprofeteerd voor deze dag. Kom, Here Jezus, en breng het aan ons vandaag: het Woord. Breng Uw interpretatie van het Woord, opdat wij onuitsprekelijke en heerlijke vreugde mogen hebben. In zoverre dat U aangenaam bent bevonden, en dat Uw woorden waar en bevestigd zijn in onze harten, dat wij zijn overgegaan van de dood in het leven.

5 Wij zijn allen geboren van die ene boom in de hof van Eden, waarvan het verboden was om die aan te raken, de vrouw, want in haar is geen leven; ze is alleen een ei. Het leven komt van de man, welke Christus was. En we zijn geboren uit een vrouw, en, zoals de Bijbel ons vertelt, "kort van dagen en vol van moeite en zorgen".

6 Vader, wij zijn ook geboren uit de levengever, uit de man. Het mannelijke komt tot het vrouwelijke, en de kiem is van het mannelijke; zoals Uw Geest de maagd overschaduwde. En in haar schoot werd de bloedcel geschapen; de bloedcel, niet Joods, niet heidens, maar door God geschapen bloed. In dat bloed rust onze hoop. Het was niet van een vrouw, noch van een man; het was van God.

7 We bidden dus vandaag, Here, want we zien onszelf als deelhebbers aan de vrouwelijke boom, en we moeten allen sterven omdat er geen leven is in de vrouw. Nu, Vader, ons is ook het voorrecht gegeven om aan de mannelijke boom deel te hebben, welke Christus was. En nu, door Hem hebben wij leven. Leven, het Woord dat leven werd gemaakt onder ons. Sta toe, Here, dat deze dingen zo'n werkelijkheid voor de gemeente zullen worden dat ze zullen zien, en het uur zullen begrijpen waarin we leven.

8 Genees de zieken en de aangevochtenen. Moge er geen zwakke onder ons zijn deze middag als deze dienst ten einde komt. Moge het zeer lang herinnerd worden onder de mensen! Mogen Uw dienstknechten – de voorgangers, de herders – mogen zij zo geïnspireerd worden dat hun kerken radicaal veranderd zullen worden en er grote diensten zullen plaatsvinden, waardoor er een ouderwetse opwekking zal beginnen, precies hier onder hen in deze stad, die zich door de staat en natie zal voortbewegen, en zelfs wereldwijd. Sta het toe, Here. U houdt de sleutels van dit gebed in Uw hand. Help ons, bidden wij, in Jezus' Naam. Amen.

     U mag gaan zitten.

9 God moet oordeel op de aarde brengen. En God moet hier iets hebben, een standaard, om de wereld door te oordelen, omdat het onrechtvaardig zou zijn voor God om de wereld te oordelen terwijl de wereld geen standaard zou kennen om zich aan te houden. Hoevelen geloven dat dat waar is? Als de gemeente de standaard is, welke is het dan? Het Woord. God zei dat Hij de wereld door Jezus Christus zou oordelen. Hij is het Woord. "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. En het Woord werd vlees gemaakt en woonde onder ons." "Dezelfde gisteren, vandaag en voor eeuwig."

10 Nu, ik wil vanmiddag over een erg vreemd onderwerp tot u spreken. Dat zou het voor u kunnen zijn. Maar in dit onderwerp zal ik mijn Here een rechtvaardig proces geven. Ik denk niet dat Hij het juiste proces in de rechtszaal van Pilatus heeft gekregen. Ik geloof niet dat Hij het had – dat Hij het juiste proces heeft gekregen. Daarom hebben zij bij Hem een fout gevonden, en Hem veroordeeld en Hem gekruisigd. Maar we gaan deze middag doen alsof we in dit proces zijn.

     En u zegt: "Zou u Hem een proces kunnen geven?"

11 Als Hij het Woord blijft, kunnen we Hem het proces geven, omdat Hij nog steeds het Woord is. En we kunnen Hem een proces geven. En ik wil dat zien in deze rechtszaal, deze namiddag, als we dit gebouw nemen om de rechtszaal voor te stellen; wij willen erop toezien dat Hij een rechtvaardig proces krijgt, of het nu in Zijn voordeel of in Zijn nadeel is. We willen beide zijden horen. En dan, in dit geval wil ik Hem berechten Die het Woord is.

12 Nu, dit Schriftgedeelte dat ik net gelezen heb, Markus 16, zelfs dr. Scofield zegt hier: "Vanaf het negende vers wordt het niet gevonden in twee van de oudste manuscripten." Het wordt algemeen geloofd onder de mensen, en onze leraars vandaag die het op die wijze willen geloven, dat dit hier door het Vaticaan werd ingevoegd.

13 Maar ik vind dat Irenaeüs en vele oude schrijvers naar Markus 16 verwijzen. Zoals u, andere mensen die geschiedenis en Bijbelgeschiedenis bestudeert, weet, dat die eerste apostelen... en zelfs na de dood van Jezus, dat Polycarpus en Irenaeüs en Martinus en Columba, zij allen naar deze Markus 16 verwezen. Het moet dus authentiek zijn geweest, anders zouden zij er nooit naar verwezen hebben. En de apostel Johannes was degene die de zendbrieven heeft samengevoegd en Polycarpus was een boezemvriend, en hij heeft hem geholpen om het te doen, volgens de geschiedenis.

14 Nu, wij ontdekken vandaag dat zij dat niet geloven. Zij proberen gewoon aan de realiteit van God, dat Hij echt is, te ontkomen; in plaats daarvan nemen ze gewoon een verklaring of een geloofsbelijdenis. De echte God... dit hoofdstuk zou bewijzen dat het zo is, met elk bewijs dat zij kunnen krijgen.

15 Zoals een bepaalde grote leraar, president van de Sudanzending – mijn kleine vrouw daarginds was aanwezig toen hij bij mij kwam – Paris Reedhead. En hij zei: "Broeder Branham, ik begrijp dat u een Baptist bent geweest."

     Ik zei: "Ja, meneer, dat is juist."

16 En hij zei: "Wel, ik wil u iets vragen." Hij zei: "Toen ik een kleine jongen was, had ik een ervaring. En mijn moeder waste kleren enzovoort om mij naar school te sturen. En ik dacht zeker dat als ik mijn bachelor haalde, ik Christus zou vinden." Hij zei: "Maar toen dat aan mij werd gegeven, vond ik het niet. Toen ik mijn doctoraat kreeg, dacht ik dat ik het zou vinden. Toen ik mijn doctoraat in de letteren kreeg, dacht ik dat ik het zou vinden." Hij zei: "Broeder Branham, ik heb genoeg graden, zowel onbelangrijke als eredoctoraten, dat ik er mijn muren mee zou kunnen behangen. Maar waar is de God van de Bijbel?" Hij zei: "Waren de leraars fout?"

     Ik zei: "Wie ben ik om te zeggen dat de leraars fout waren?"

17 Hij zei: "Wel, hier is wat ik begrijp, dat u Pinksterman geworden bent."

18 En ik zei: "Wel, ik zeg niet dat ik... ik geloof dat toen ik in het Koninkrijk Gods werd geboren, ik automatisch van Pinksteren was, want Pinksteren is geen organisatie. Zij hebben geprobeerd er een van te maken, maar het is er geen. God wil een Presbyteriaan, een Lutheraan, of wie u ook maar bent, vervullen. Zie, het is dus een ervaring en niet een organisatie. U kunt het niet organiseren. Het is een ervaring."

19 En hij zei: "Wel, ik wil u vertellen wat er gebeurd is." Hij zei: "Vanuit India sturen zij tegenwoordig mensen hier naartoe voor hun opleiding." Zei: "In onze school was er een fijne Indiase jongen die hier naartoe kwam en hij heeft zijn opleiding gekregen. En toen hij terugging..." Ik denk dat hij elektrotechnisch ingenieur of zoiets moest worden; dacht ik. Hij zei: "Maar toen wij..."

20 Zij hebben een school net als broeder Oral Roberts daarginds heeft. Zij leiden op voor ingenieur en van alles.

21 Dus hij zei: "Op de terugweg zei ik, met een andere prediker, tot hem: 'Nu je teruggaat naar India...'" En u weet dat de Indiërs Mohammed aanbidden. En hij zei: "Waarom verzaak je je oude dode profeet niet, om een opgestane Here Jezus te ontvangen; en neem een echte God met je mee terug naar India om het aan je volk te vertellen?"

22 Hij zei: "Meneer, wat zou uw Here Jezus meer voor mij kunnen doen dan wat mijn profeet kan doen?"

23 En hij zei: "Wel, mijn Here Jezus kan je eeuwig leven geven. Het is een belofte in het Woord."

24 Hij zei: "Mijn profeet, Mohammed, heeft hetzelfde beloofd in zijn woord."

25 En hij zei: "Wel, zie je," zei hij, "mijn Here Jezus is opgestaan uit de dood. Jouw profeet ligt nog in het graf."

26 Hij zei: "Is Hij opgestaan uit de dood?" Zei: "U heeft tweeduizend jaar gehad om het te kunnen bewijzen, en tachtig procent van de wereld heeft er nog nooit over gehoord." Hij zei: "Laat Mohammed uit de dood opstaan en de hele wereld zal het binnen 24 uur weten."

27 Toen zei hij: "Nu, kijk, Jezus is opgestaan uit de dood." Hij zei: "Ik kan het bewijzen want Hij leeft in mijn hart", zei de Christen.

28 En de Mohammedaan zei: "En, meneer, Mohammed woont in mijn hart."

     Hij zei: "Maar, zie je, wij hebben kracht en vreugde."

29 Hij zei: "Meneer, de Mohammedaanse godsdienst kan evenveel psychologie produceren als het christendom." En dat is de waarheid.

30 Ik heb hen op straat zien liggen en "Allah" roepen tot ze in zo'n toestand kwamen dat ze zouden kunnen nemen... Billy en ik stonden te kijken hoe een man een zwaard net onder zijn hart door zijn lichaam stak; en een dokter kwam naar voren en goot er water doorheen en het kwam eruit; trok het eruit en het deerde hem zelfs niet. Zagen hoe ze splinters namen en die onder hun vingernagels deden en ze er doorheen staken. En ze deden haken door hun neus en ze voelden het zelfs nooit, noch verloren ze een druppel bloed. Zij kunnen meer psychologie produceren dan het christendom.

31 En meneer Reedhead zei tegen mij: "Ik wist dat ik niet tot een jongen sprak die op zijn achterhoofd was gevallen." En hij zei: "Wij, Mohammedanen, zijn aan het wachten."

32 Zoals zij deden bij onze dappere broeder Billy Graham. U heeft het in de krant gelezen, toen de Mohammedaan bij meneer Graham kwam en zei: "U neemt dertig zieke mensen en ik zal dertig zieke mensen nemen; en u gaat uw dertig genezen en ik zal mijn dertig door Mohammed genezen." Kijk, meneer Graham maakte zich snel uit de voeten. Hij wilde hem niet antwoorden.

33 Ik geloof niet dat ik dat zou hebben gedaan. Ik zou geweest zijn zoals de Hebreeuwse kinderen: "Onze God is in staat ons hiervan te verlossen." Waarom stuurde hij niet iemand om Oral Roberts te halen of iemand anders? Als hij dat niet geloofde, had hij iemand moeten laten halen die het wel geloofde. Maar, ziet u, door denominatie aanhangers, o, zij zouden hem er toen direct uitgegooid hebben. Hij heeft een werk te doen.

34 Evenwel, toen zei hij: "Als wij u, Christenen, daar in India zien produceren wat Jezus heeft gezegd dat u zou doen, dan zullen wij u geloven." Hij zei: "Hij heeft gezegd dat Hij uit de dood is opgestaan, en de mensen zouden het weten, want u zou dezelfde werken doen die Hij deed."

     "Wel," zei hij, "wij doen grotere werken."

35 Hij zei: "Ik heb nooit 'de grotere' gezegd. Ik wil gewoon eerst de werken zien die Hij heeft gedaan." Wel, als je spreekt, weet je dat je niet tot een kleine straatjongen spreekt, als je spreekt met een van die theo-... hen, en hun theologie. Dus zei hij: "Wij willen de werken zien die Hij deed."

     "O," zei hij, "misschien verwijs je naar Markus 16?"

36 Hij zei: "Ja, meneer. Dat is één ervan, Zijn laatste opdracht aan de gemeente."

37 Hij zei: "Welnu, zie je, een heleboel mensen geloven fanatiek in dat hoofdstuk." Hij zei: "Maar wij hebben geleerd van de betere geleerden op school, dat Markus 16 vanaf het negende vers niet echt geïnspireerd is."

38 Hij zei: "Wel, meneer Reedhead!" Hij zei: "Welk deel is dan geïnspireerd?" Hij zei: "Misschien is de rest dan ook niet geïnspireerd. Heel de Koran is geïnspireerd. Welk soort boek leest u, de Bijbel genaamd?"

39 Hij zei: "Ik heb in mijn hart besloten om naar u toe te komen om met u te spreken. Ja, ik wilde met u spreken."

40 Daar hebt u het. Als dit niet geïnspireerd is, wat dan met de rest ervan?

41 Het doet mij denken aan een dame in Chicago. Haar jongen ging naar een seminarie om voor prediker te studeren, naar een bepaalde bijbelschool en seminarie. En terwijl hij weg was, werd zijn oude moeder ernstig ziek. En zij stuurden een boodschap naar de jongen om "gereed te staan", omdat zijn moeder zo'n hoge koorts had. Ze had longontsteking, en zij zeiden dat zij... het een noodoproep zou kunnen worden. De jongen pakte dus zijn kleren in en maakte zich gereed. Tenslotte, de volgende dag – hij kreeg geen oproep in de nacht – en de volgende dag zei men: "Alles is in orde."

42 Ongeveer een jaar later dan keerde hij terug van zijn school in het oosten, een grote school inzake opleiding. En hij kwam naar huis en hij groette zijn dierbare moeder, en hij zei, nadat ze een poosje gesproken hadden: "Moeder, ik heb nooit de gelegenheid gehad om te vragen wat er gebeurde." Hij zei: "Op een avond werd mij verteld om 'gereed te staan', en de volgende ochtend zei men dat 'alles in orde' was met u." Hij zei: "Welke medicatie heeft de dokter gegeven?"

     Zij zei: "Schat, de dokter heeft niets gegeven."

     Hij zei: "Wel, hoe hebt u het dan gedaan?"

43 Zei: "Weet je waar die kleine zending is daar beneden... vlakbij de bocht, daar bij het plein?"

     "Ja."

44 Ze zei: "Daar was een dame. Zij hielden daar op een avond een gebedssamenkomst in deze kleine zending, die arme kleine nederige groep mensen, en", zei zij, "een van hen werd geïnspireerd om hier langs te komen om mij te bezoeken. Er kwamen twee vrouwen en zij vroegen mij of zij hun voorganger mochten meebrengen om voor mij te bidden en mij met olie te zalven en hun handen op mij te leggen opdat ik gezond zou worden." En zij zei: "Weet je, ik heb 'zeker' tegen hen gezegd. En zij hebben hun voorganger gebracht, en hij legde zijn handen op mij, en bad." En ze zei: "Lieveling, hij las het regelrecht uit de Bijbel, Markus het zestiende hoofdstuk, dat zegt: 'Deze tekenen zullen diegenen volgen die geloven.'" En zij zei: "Weet je wat? De volgende morgen was de dokter zo in de war dat hij niet wist wat te doen. Er was geen koorts meer in mij."

45 "O," zei hij, "moeder, u gaat toch niet om met die groep, nietwaar?" Hij zei: "Kijk, wij hebben op school geleerd dat Markus 16 vanaf het negende vers niet geïnspireerd is."

     Ze zei: "Glorie voor God!"

46 "Wel," zei hij, "moeder, u begint zich te gedragen zoals die mensen."

47 Ze zei: "Ik moest gewoon ergens aan denken." Ze zei: "Ik heb de Bijbel van het begin tot het einde doorgelezen, en ook andere beloften op andere plaatsen die daarmee overeenkomen." En ze zei: "Ik dacht er net aan, dat als God mij met het ongeïnspireerde kon genezen, wat zou Hij dan wel niet kunnen doen met wat echt geïnspireerd is?" Dat is juist.

48 Voor mij is het allemaal geïnspireerd. God, geef mij het geloof om het te geloven en het te bekrachtigen!

49 Nu, we gaan nu overschakelen – gedurende slechts een paar minuten – naar een gerechtelijk proces. Nu, vergeet het niet, wij gaan naar een gerechtshof om Jezus, God, hier op het toneel te brengen om Hem een eerlijk proces te geven. Hij is nog steeds het Woord, zelfs in deze dag (gelooft u dat?), precies hetzelfde als dat Hij het Woord toen was. [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

50 Nu, deze zaak, de oorzaak ervan, zijn de beloften van het Woord van God tegenover de wereld. Nu, begrijp de zaak precies heel goed anders gaat u het niet vatten. De reden voor deze aanklacht is de schending van een belofte: "God, Die Zijn Woord niet houdt." Het is de schending van een belofte. U weet wat het is.

51 Nu, we ontdekken altijd dat de openbare aanklager de staat moet vertegenwoordigen – ik geloof dat dat juist is – de openbare aanklager. Als hier een advocaat zit, ik hoop dat ik dit juist heb. De openbare aanklager moet de staat vertegenwoordigen. De openbare aanklager in dit geval is dus de duivel, die Gods Woord aanklaagt.

52 De Verdediger van dit Woord is God Zelf; omdat Hij het Woord is. De verdedigende Getuige in deze zaak is de Heilige Geest.

53 En de openbare aanklager heeft hier enige getuigen deze middag. En deze getuigen, een van hen is meneer Ongeloof, de volgende is meneer Twijfelaar en de volgende is meneer Ongeduld. Zij zullen naar het podium gebracht worden en ingezworen worden en gehoord worden.

54 Nu heeft u de opzet van het hof. God wordt aangeklaagd door de wereld, want "Hij houdt Zijn Woord niet". En de openbare aanklager vertegenwoordigt de staat, die de wereld vertegenwoordigt. En de openbare aanklager is de duivel, die ontkent dat het Woord juist is.

55 En de openbare aanklager brengt als zijn getuigen drie getuigen in tegen het Woord van God. En om het te bewijzen, zal hij het deze middag aan u bewijzen dat "God zijn Woord niet houdt, en dat het niet is... er mag niet mee omgegaan worden. Het is gewoon niet waar. Er is niets van waar."

56 En de Verdediger is God, Die de Auteur en het Woord voor deze dag is, Dezelfde als die dag of welke dag ook.

     En de openbare aanklager heeft zijn getuigen.

57 U zegt nu: " Waar is de jury?" Ik spreek tot hen. U bent de jury, en u bent ook de rechter. Onthoud dat nu, dat u zowel jury als rechter bent in deze zaak. Ik ben slechts de woordvoerder.

58 Wij hebben nu het hof in orde gezet. Nu roept de openbare aanklager op tot de orde. In de rechtszaal wordt deze middag opdracht gegeven om deze zaak tot een ontknoping te brengen.

59 Nu hebben vele mensen u verteld dat "Het Woord van God niet betrouwbaar is. U kunt er niet op rekenen", enzovoort, en u hebt dit allemaal gehoord. Laten we het nu tot een echt proces brengen. Hoevelen zijn bereid, hef uw hand op en zeg: "Ik zou het willen horen; en dat Jezus Christus, Die het Woord is, een eerlijk proces krijgt"? En in ons hof, deze middag, gaan wij Hem een eerlijk proces geven. Laat de vijand gewoon de woorden van de vijand nemen, en wat hij ook heeft te zeggen, en zien of het juist is. Laten we het tot op de bodem uitzoeken en Jezus Christus, het Woord, vanmiddag een eerlijk proces geven.

60 Nu, het hof roept op tot orde en de eerste getuige die de aanklager in de getuigenbank wil brengen is... in de getuigenbank is meneer Ongeloof. Hij gaat daar staan om te getuigen. Herinner u nu, meneer Ongeloof. Mis deze karakters nu niet, of u gaat iets missen, u zou uw genezing kunnen missen.

61 Meneer Ongeloof komt in de getuigenbank om te getuigen. Zijn klacht is: "Niet geheel Gods Woord van belofte is waar. Het is niet waar." Hij beweert dat in Markus 16... dit werd aan hem bediend – aan hem – in een zogenaamde "Heilige Geest samenkomst". En hij had al enige jaren een maagkwaal gehad, en hij ging naar een plaats waarvan zij zeiden dat het een Heilige Geest samenkomst was en waar werd geloofd dat deze belofte van Markus 16 waar was. Er werden handen op hem gelegd overeenkomstig Gods belofte.

62 Hij heeft niets te zeggen tegen de prediker; hij las het rechtstreeks uit het Woord. Hij klaagt de prediker niet aan; hij klaagt God aan. Want het is niet de schuld van de prediker, de prediker leest alleen wat God heeft gezegd te doen. En God heeft waarlijk gezegd, in Markus 16: "Deze tekenen zullen degenen volgen die geloven; als zij hun handen op de zieken leggen, zullen zij genezen."

63 En hij zegt dat hij een gelovige is, en hij kwam in zo'n samenkomst waar er werd gepredikt dat Markus 16 waar is. En de prediker, met de doop van de Heilige Geest, waarvan men beweerde dat hij een gelovige was en een prediker, gezonden voor de zaak, heeft zijn handen op hem gelegd. En dat is nu al twee maanden geleden en zijn maag is nog net zo slecht als ooit. Daarom beweert hij dat God niet rechtvaardig is, om zoiets dergelijks in het Woord te zetten, wanneer het niet waar is.

     Laat hem nu naar zijn plaats gaan. Hij heeft getuigd.

64 De volgende in de getuigenbank is meneer Twijfelaar. Hij wil een getuigenis geven. Meneer Twijfelaar zegt dat hij gedurende ongeveer vijftien jaar last heeft gehad van tuberculose. Maar hij was nog niet hersteld, het bleef gewoon voortgaan. Hij knapte steeds een beetje op en dan begon het weer. En hij hoorde van een plaats in de stad waar werd verondersteld dat daar een godvruchtige prediker was die predikte, en mensen beweerden genezen te zijn overeenkomstig een belofte van God, gevonden in Jakobus 5:14, waar in het Woord van God staat: "Als er iemand bij u ziek is, laat hem de oudsten der gemeente tot zich roepen opdat zij hem met olie zalven en voor hem bidden. Het gelovige gebed zal de zieke behouden, en God zal hem oprichten."

65 En omdat hij ziek was, en een gelovige, ging hij naar deze samenkomst, waar al deze mensen beweerden dat zij genezen werden door deze godvruchtige voorganger. En er werd aan hem bediend overeenkomstig Jakobus 5:14. En de voorganger bediende precies overeenkomstig het Woord, zalfde hem met olie en bad voor hem, een gebed waarvan de voorganger zei dat het "het gebed des geloofs" was, wat hij geloofde. En dat is bijna een jaar geleden geweest en hij heeft er nog geen enkel resultaat van gehad; daarom beweert meneer Twijfelaar dat God onrechtvaardig is om zo'n belofte in de Bijbel te plaatsen en er dan niet achter te staan.

     Nu, herinner u, ik lees hier volle Evangeliebeloften.

66 De volgende getuige zal nu in de getuigenbank komen. De aanklager roept zijn volgende getuige, voordat hij de zaak vaststelt. Zijn volgende getuige is meneer Ongeduld.

67 Nu, dit zijn bovennatuurlijke karakters die in karakters wonen. Ziet u, nu, dat doen ze.

68 Meneer Ongeduld komt dus, en hij beweert dat hij op een dag in de Bijbel las. Hij ging niet naar kerken, maar hij was... hij was een gelovige. Een van hen dus ging naar een evangelist, en de ander ging naar een voorganger, en deze kerel was gewoon een geheim gelovige die thuis bleef. En hij ging en las in Markus het elfde hoofdstuk, het tweeëntwintigste en het drieëntwintigste vers; als u deze Schriftplaatsen opschrijft. Waar Jezus Zelf, Die beweerde dat Hij God was, Immanuël, deze verklaring aflegde met Zijn eigen lippen: "Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u, zo wie tot deze berg zal zeggen: Word opgeheven, en niet zal twijfelen in uw hart, maar zal geloven dat wat u hebt gezegd, geschieden zal, dan kunt u krijgen wat u hebt gezegd." En Hij zei ook: "Wanneer gij bidt, geloof dat gij ontvangt waarom gij gevraagd hebt, en het zal u gegeven worden."

69 Hij zegt dat hij kreupel in zijn voeten is geweest gedurende ongeveer vijfentwintig jaar. En vijf jaar geleden, toen hij in de kamer zat, voelde hij zich geïnspireerd het Woord te lezen, dat hij beweert te geloven, en met heel zijn hart geloofde hij het. En toen zei hij met zijn eigen stem: "Kreupelheid in mijn benen, in de Naam van Jezus Christus, verlaat mij", zei hij. En dat was vijf jaar geleden en hij is nog net zo kreupel als hij ooit was.

70 Dus daarom wil meneer Ongeduld zijn getuigenis afleggen tegen dat het Woord onfeilbaar is, wil het plaatsen tegen de Bijbel als zijnde het geïnspireerde Woord, en zegt dat deze belofte niet waar is; hij heeft het getest, en het was niet waar. Meneer Twijfelaar heeft het getest en "het was niet waar". Meneer Ongeloof heeft gezegd dat hij het getest heeft en "het was niet waar". Al deze drie getuigen geven schriftuurlijke lezingen, schriftuurlijke beloften, en zeggen dat deze beloften er zo staan, je kunt het in de Bijbel lezen, en zij zijn een getuige dat "het niet de waarheid is".

71 Daarom moet de Bijbel weggegooid worden; want als één deel ervan, één vers ervan niet vertrouwd kan worden, zou ik er geen enkele van kunnen vertrouwen. Het moet allemaal de waarheid zijn, of niets ervan is de waarheid. Een ketting is zo sterk als zijn zwakste schakel. U weet wat ik bedoel.

72 Nu komt de aanklager naar voren om de aanklacht in te dienen en de zaak vast te zetten. Hij wil het vastnagelen. Let nu op wat hij zegt. "God is niet rechtvaardig om zulke onbezonnen beloften in Zijn Woord te zetten, waardoor het geloof van Zijn gelovige kinderen op de proef wordt gesteld, want zij zijn niet waar." Hij heeft getuigen hier om te bewijzen dat dit Woord – waarvan God in Zijn Woord heeft beloofd dat het de Waarheid is – hij heeft hier getuigen zitten, en kan door een doktersbewijs aantonen, en door zijn getuigenis, dat zij ziek zijn geweest; zij zijn dit geweest en dat geweest. En zij hebben deze veronderstelde Goddelijk geïnspireerde Schriften aanvaard en ze beproefd, en ze zijn niet waar. Hij heeft getuigen om te bewijzen dat deze Woorden niet waar zijn, want Hij heeft in elk ervan gefaald.

73 Nu, merk nu opnieuw op. "En Hij faalde. God faalde om deze gelovigen die in Zijn Woord geloofden recht te doen, die het precies namen, die de procedure hadden gevolgd, precies wat Hij had gezegd; en vervolgens heeft God geen vinger uitgestoken om Zijn belofte waar te maken; jaren en jaren zijn voorbijgegaan." Toen zei hij: "Wat met de andere Schriften, zoals gedoopt worden: 'Wie gelooft en gedoopt wordt, zal gered worden', is er dan niemand gered? Wat met deze Schriften die beloven dat Hij zal terugkeren? Geen enkele ervan is juist. Want deze zijn niet juist en dat is niet juist. Het is gewoon een fantasieboek. En deze mannen zijn gelovigen. Maar Hij, God, belooft dat alle dingen mogelijk zijn voor gelovigen, en dit zijn gelovigen."

74 "Eveneens beweert Hij levend te zijn na Zijn kruisiging. De Bijbel zegt dat Hij is opgestaan uit de dood, en Dezelfde blijft gisteren, vandaag en voor eeuwig. En niemand heeft deze Man met nagelafdrukken in Zijn handen gezien, wandelend onder de gemeente, enzovoort. En Hebreeën 13:8 is niet zo. Hij is niet Dezelfde gisteren, vandaag en voor eeuwig, omdat Hij nooit meer dan een man is geweest. Hij kan Zijn belofte niet houden. Hij heeft bewezen, door deze getuigen, dat Hij zijn belofte niet houdt, dus het Boek zou in de afvalemmer gegooid moeten worden en vergeten worden. Zoiets bestaat er niet."

75 Nu, herinner u, ik gebruik de stem van de aanklager die zijn zaak vastnagelt. "In orde, Hij zei in Lukas 17:30, waar Hij zei: 'In de laatste dagen zal de Zoon des mensen geopenbaard worden', dat God Zichzelf zou openbaren aan het zaad van Abraham, zoals hij een fanatieke prediker een keer hoorde prediken, die zei dat Hij Zichzelf opnieuw in menselijke wezens zou openbaren, de Zoon des mensen genaamd."

76 "Openbaring 10; Hij zegt dat Hij beweerde dat de laatste engel boodschapper – volgens het gemeentetijdperk van Laodicéa, dat lauwwarm zou zijn – dat Jezus (Die het Woord was) uit de gemeente gezet zou worden. Hij beweerde dat in deze bedelingen er dingen waren geweest die niet geopenbaard waren aan de hervormers in de vroegere dagen, maar dat in de laatste dagen aan het eind de zevende engel, de Boodschap van de zevende boodschapper, dat al deze Schriften werkelijk gemaakt zouden worden en gemanifesteerd. Zo'n persoon is er niet op aarde, is er nooit geweest en zal er nooit zijn", beweert hij.

77 Hij beweert dat er staat: "God beweert in Zijn Bijbel dat de gemeente formeel zou worden en van haar principes zou weggaan, en dat in Maleáchi 4 Hij opnieuw een profeet zou zenden, die Hij al twee keer heeft gezonden: Elia en Johannes de Doper. Hij zou een profeet zenden door de... en hij zou in de kracht van Elia zijn. En zijn bediening, zijn acties, alles, zou Elia zijn. En dan zou hij in zijn bediening de mensen uit deze formele toestand roepen, terug naar het echte werkelijke geloof van de apostolische vaders. En zoiets is niet gaande."

78 "En Hij beweert ook dat zowel hemelen als aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn Woord zal nooit voorbijgaan." En hij zegt dat hij het bewijs hier deze middag heeft om aan te tonen dat het faalt. "En wie is deze Jezus, Die is opgestaan uit de dood? U bent allemaal met een heleboel verstandelijke psychologie opgewerkt. En zoiets bestaat niet; u vertrouwt op een valse hoop."

79 Nu, ik denk dat dit ongeveer voldoende is voor hem om te zeggen. Ik geloof dat hij de hele Bijbel heeft gebruikt. Laat hem nu gaan zitten, de aanklager. Laat de getuigen van de aanklager nu ook terug treden. Zij gaan weg uit de getuigenbank.

80 En nu zullen we op het podium de verdedigende Getuige roepen, de Heilige Geest. Hij komt om te spreken. Ik hoop dat u de manier ziet waarop de aanklager zijn zaak heeft vastgenageld met de Schrift. Nu, de verdedigende Getuige, Die de Heilige Geest is, komt om de Gedaagde, het Woord, te verdedigen. Ik geloof dat zij geen betere hadden kunnen krijgen.

81 Ten eerste vestigt Hij de aandacht van dit hof erop, dat de uitlegger van Gods Woord aan de mensen, de aanklager, dezelfde uitlegger is die Gods Woord aan Eva uitlegde. Hij wil dat het hof dat verstaat, dat de uitlegger Eva's uitlegger was, die zegt dat elk deel ervan juist was behalve één woord. En Hij wil dat u ook weet... Hij was Diegene, denk daaraan, Die de Bijbel heeft geschreven. Hij wil ook dat u weet dat in het begin één woord dat weggelaten werd uit Gods Woord alle dood en verdriet en ziekte heeft veroorzaakt. En Hij wil dat u weet dat God ook heeft gezegd in Zijn Woord, zowel in het laatste hoofdstuk als in het eerste: "Indien iemand hier iets uit wegneemt, of hier iets anders aan toevoegt, zijn deel zal worden afgenomen van het boek des levens." Het moet het Woord zijn, en dat alleen. Hij wil nu dat het hof weet wie al deze harde kritiek heeft geuit: het is Eva's uitlegger.

82 Hij wil dat u dit... wil opnieuw de aandacht van het hof erop vestigen, dat wil zeggen, de verdedigende Getuige, Hij wil dit hof erop attenderen en u aantonen dat de beloften alleen voor gelovigen zijn; niet voor schijngelovigen, ongeduldige mensen of twijfelaars. Dat verandert het beeld, nietwaar? Het is alleen... niet voor mensen die zichzelf gelovigen noemen; het is voor gelovigen alleen, niet voor diegenen die zeggen dat zij gelovigen zijn. Satan zegt ook dat hij een gelovige is, weet u. Het is niet voor diegenen. Het is alleen voor echte gelovigen.

83 En deze verdedigende Getuige zou moeten weten of deze mannen gelovigen zijn of niet, omdat de verdedigende Getuige tenslotte Zelf de Levengever is van het Woord. Hij weet of u gelooft of niet. Hij is Degene Die door God gegeven is om het te laten geschieden. Halleluja! Hij is Degene Die dat bewijst. Hij is Degene Die het laat geschieden. Hij is Degene Die weet of het in de juiste plaats gevallen is of niet, deze verdedigende Getuige voor het Woord. Merk op, Hij wil het opnieuw de gelovigen toeroepen: de verdedigende Getuige weet of het zo is of niet. Hij is de Levengever van het Woord.

84 En opnieuw vestigt Hij de aandacht van het hof op het Woord van belofte dat betwijfeld wordt. "Hij heeft nooit een bepaalde tijd vastgesteld voor deze dingen om te gebeuren."

85 Ziet u hoe zij het Woord verkeerd aan u kunnen voorstellen? Deze kerels nu die zeggen: "Laat mij dit zien gebeuren", kijk, zij lezen het Woord zelfs niet op de juiste manier. Dat betekent, al is de man een echte gelovige, toch zet Hij er geen tijdlimiet bij.

86 Hij wil ook dat het hof zich herinnert dat dit Woord geschreven is en dat Jezus Christus, het gemanifesteerde Woord, heeft gezegd: "Het Woord is een zaad dat een zaaier heeft gezaaid." En het zaad kan alleen zichzelf produceren, zijn belofte produceren, als het in het juiste soort grond is, wat het zaad zal levend maken. Amen. Dat verandert de zaak enigszins, nietwaar? Het moet in de juiste plaats zijn.

87 Een graankorrel die op deze lessenaar ligt, zal nooit opgroeien tot een oogst. Een graankorrel hier op deze arduinsteen zal niets doen. Een graankorrel moet in de grond vallen die vruchtbaar is gemaakt voor die graankorrel, anders zal hij niet groeien.

88 En God heeft gezegd dat Zijn Woord een zaad is dat een zaaier heeft gezaaid, en het moet in de juiste soort aarde vallen. Die aarde is geloof. Het is een zaad en het moet in deze grond vallen, anders kan het niet levend gemaakt worden. Met andere woorden, de Heilige Geest, de verdedigende Getuige hier, zegt dat Hij het zelfs niet kan benaderen totdat het in de juiste soort van aarde valt. Hij is Degene Die het levend maakt.

     De Verdedigingsgetuige roept zijn eerst getuige.

89 Ik denk dat als de aanklager hier op aarde getuigen kan oproepen om te bewijzen dat het Woord fout is, de verdedigende Getuige het recht heeft, denk ik, om getuigen op te roepen die kunnen bewijzen dat het juist is. Omdat het nu een kwestie is tussen gelovigen en ongelovigen, met het Woord, terwijl het Woord opkomt.

90 De Verdedigingsgetuige wil deze middag aan het hof de eerste getuige introduceren, en de eerste getuige is Noach. Noach zei dat hij in een zeer wetenschappelijk tijdperk leefde. Noach wil getuigen. En hij zei dat hij in een dag leefde waarin de mensen weggegaan waren van wonderen en dingen. En toen hoorde hij het Woord van God hem vertellen dat Hij de wereld door water ging vernietigen, en dat het water van boven zou komen. Het zou regenen, wat het voordien nooit had gedaan. Maar hij zegt dat het Woord van God... hij was een profeet, het Woord kwam tot hem; en hij begon te prediken dat het Woord zou komen te geschieden, omdat het God was. En hij wil ook aan dit hof laten weten dat meneer Ongeloof, meneer Twijfelaar en meneer Ongeduld hem de hele tijd hebben verzocht. Maar omdat hij een profeet was, wetend dat God niet kon liegen, heeft hij hoe dan ook aan het Woord vastgehouden.

91 Zij kwamen naar hem toe en zeiden: "Nu, Noach..." Meneer Ongeloof zei: "Hoe gaat u bewijzen dat daarboven regen is?"

92 "Ik weet niet waar het is. Maar als God het zei, maakt dat het vast."

     "Hoe kan het gaan regenen wanneer er daarboven geen regen is?"

     "Dat weet ik niet. Maar God heeft het gezegd en dat maakt het vast."

93 Meneer Twijfelaar kwam langs en zei: "Als er zoiets zou gebeuren dat er regen naar beneden zou vallen, dan moet Hij hier naar beneden komen en regen halen en het daar boven brengen. Hoe gaat Hij dat doen?"

     "Ik weet het niet." "En nadat ik de ark had gebouwd..."

94 Eerst wil hij zeggen, dat toen hij deze verklaring had afgelegd – een profeet zijnde onder de mensen – iedereen hem begon uit te lachen. En zij zeiden: "Ik zie geen enkele regen."

95 Wel, toen hij aan de ark begon te werken, zeiden zij: "Misschien nadat de ark..." Meneer Ongeduld probeerde hem te vertellen: "Misschien zal het regenen nadat de ark gebouwd is." Maar toen de ark klaar was, regende het nog steeds niet.

96 Het regende zelfs de volgende dag niet, het regende de volgende week niet, het regende zelfs niet... Het regende zelfs de volgende maand niet, of het volgende jaar. En toen hij de ark voltooid had, regende het nog steeds niet.

97 En toen zei hij... Op een dag kwam de stem van God opnieuw tot hem en vertelde hem dat hij een bovennatuurlijk teken in de natuur zou zien, dat de vogels en de dieren hierin zouden binnengaan. En toen lachte meneer Ongeloof hem uit en zei: "Het is een verblijfplaats van vogels geworden. Hij heeft er dan maar een nestplaats van gemaakt." En iedereen lachte en maakte gekheid over hem.

     Maar op een dag sprak God tot hem en zei: "Ga binnen in de ark."

98 En Noach stond in de deur en zei: "U krijgt uw laatste oproep. Kom binnen!" En niemand kwam binnen behalve zijn eigen familie.

99 Dus vertelt hij dat hij de ark inging. En hij zei tot zijn kleine lieve familie; nu, dit is de profeet Noach: "O, ongetwijfeld zal de regen binnen een uur vallen."

100 En toen hij binnenging, sloot de deur zich bovennatuurlijk achter hem. Hij zei: "Je ziet het nu, lieveling," tot zijn vrouw, tegen zijn schoondochters en zijn zonen, "wij zijn ingesloten met God."

101 "Nu, we hebben een venster hierboven. Loop de trap omhoog, heel snel. Mis het niet. Loop omhoog, heel snel, en ga nu hier naar boven. Het staat beslist op het punt te gaan regenen."

102 En sommige mensen daarbuiten die hem hoorden prediken, zeiden: "Ik vraag mij af of de oude fanatiekeling gelijk zou kunnen hebben?" Meneer Ongeloof, meneer Twijfelaar, meneer Ongeduld, zij kwamen er allemaal omheen staan en zeiden: "Wij zullen erachter komen." Zij zeiden: "Noach, bent u daar binnen?"

     "Ja."

     "Doe open, wij zouden graag willen rondkijken."

103 "God heeft de deur dicht gedaan. Ik kan hem niet openen. Er is geen klink hierbinnen om hem mee open te doen."

104 Toen zeiden ze: "Die oude excentriekeling, hij is daar naar binnen gegaan en heeft die deur gesloten en nu probeert hij ons te laten denken... Hij houdt ons voor de gek. Hij probeert ons bang te maken."

105 En daar zijn de getuigen van de aanklager, die daar zitten, die naar dit alles luisteren, want zij hebben zich daar schuldig aan gemaakt. De Bijbel zegt het: "Spotters!"

     "En zij hebben mij bespot, hebben mij uitgelachen."

106 "En ikzelf keek ook uit naar de regen. De hele dag was er geen regen. De volgende dag was er geen regen. De volgende dag was er geen regen. Vier dagen, geen regen. Vijf dagen, geen regen. Zes dagen, geen regen. Maar God vertelde mij niet wanneer het zou gaan regenen. Hij zei alleen: 'Het gaat regenen.' Hij heeft nooit een tijdlimiet gegeven. Hij zei alleen: 'Het gaat regenen.'"

107 Hij zei nooit: "Zodra u de handen op de zieken legt, zullen zij opspringen en over de vloer rondrennen", zoals de twijfelaar wil dat u denkt. Hij zei: "Zij zullen herstellen." Hij heeft nooit gezegd wanneer, hoe. "Zij zullen!"

108 Hij zei: "Het gebed des geloofs zal de zieke redden," in Jakobus 5:14, "God zal hem oprichten." Wanneer? Dat zei Hij niet. Hij zei alleen dat Hij het zou doen.

109 In Markus 16 [Markus 11 – Vert] zei Hij: "Spreek tot deze berg 'Hef u op' en twijfel niet in uw hart, maar geloof dat hetgeen u zegt zal geschieden." Hij zei niet wanneer. Hij zei dat het zou geschieden! Halleluja!

110 Ziet u de valse uitlegger van het Woord daar? Dan zegt u: "Wel, laat mij zien dat u bij deze man maakt... hij zit al zolang in de rolstoel. Laat het me zien. Hij zegt dat hij geloof heeft." De duivel! Ziet u wie hij is?

111 Jezus zei nooit dat ze meteen zouden opspringen en het dan onmiddellijk zouden krijgen. Veel Pinkstermensen hebben hetzelfde gedacht, maar de Bijbel heeft dat nooit gezegd. Hij zei: "Als zij het geloofden, zouden zij genezen." En Hij heeft Zijn getuigen hier om het te bewijzen.

112 Noach zei: "Na honderdtwintig jaar, toen regende het." Maar het regende. Noach wist dat hij het in zijn generatie zou zien omdat hij de ark bouwde en gereed was om binnen te gaan.

113 Nu, nu, wij ontdekken dat dat waar was. Nu, dat is Noach, de eerste getuige.

114 Nu zullen we de tweede getuige oproepen. Laten we Abraham oproepen. Hij zei: "Ik was een profeet en ik heb onder de inspiratie van God geprofeteerd. En Hij vertelde mij dat mijn vrouw, toen vijfenzestig jaar oud en ik vijfenzeventig jaar oud, toentertijd, dat ik bij Sara een baby zou krijgen. Toch was zij beslist... Ik was steriel; zij was het; haar schoot was dood. Zij was twintig jaar of meer voorbij de menopauze. Ik had gedurende al deze jaren met haar geleefd en er was geen teken van kinderen geweest. Zij, haar schoot was dood. En, maar God vertelde mij dat ik een baby bij haar zou hebben."

115 "En weet u, meneer Ongeloof, meneer Twijfelaar en meneer Ongeduld – na de eerste achtentwintig dagen, toen er niets gebeurde bij Sara – lachten me uit en bespotten mij. Na het eerste jaar kwamen ze naar me toe en zeiden: 'Hoeveel kinderen heeft u nu?'"

116 Maar na vijfentwintig jaar kwam de baby op het toneel. Het gebeurde. God zei niet: "U gaat de volgende week een baby bij Sara krijgen." Hij heeft nooit een bestemde tijd gegeven. Hij zei dat hij een baby bij Sara zou hebben. Hij heeft nooit gezegd wanneer. Hij heeft alleen gezegd dat hij het zou hebben.

117 Dus Abraham zei: "En ik twijfelde niet aan de belofte door ongeloof. Maar toen het lang duurde, werd ik nog steeds sterker. En terwijl ik lichamelijk zwakker werd, wat de verhindering was dat de baby kwam, werd ik in plaats van zwakker in geloof sterker in geloof, want ik wist dat God bij machte was Zijn Woord te houden."

118 "Dus op een dag zat ik te praten met Sara, en de Engel van de Here kwam naderbij. Drie mannen; twee van hen gingen naar Sodom. Eén stond bij mij en praatte met mij, en vertelde mij over de dingen die gingen gebeuren. En ik was oud en voorovergebogen en Sara kon zich nauwelijks voortbewegen. En, weet u, meteen al de volgende dag begon ik te bemerken dat de bult op mijn rug verdween. En mijn haar begon zwart te worden en de wangen van Sara werden rood."

119 Nu, u zegt: "Extreem, broeder Branham!" Wacht even, laten we zien of dat zo is. Merk op, zij werden opnieuw een jonge man en vrouw. U zegt nu: "O, broeder Branham!" Nu, God verbergt Zijn boodschap tussen de regels. Het seminarie zal het nooit weten. Dat is juist. Nee, nee. Het is een liefdesverhaal.

120 Mijn vrouw daar schrijft mij een brief. En zij zegt iets in die brief, maar ik kan tussen de regels door lezen. Ik weet waar zij het over heeft, want ik houd van haar. Ik ken gewoon haar natuur. Ik weet wat zij bedoelt. "Ik zit hier vanavond, Billy. De kinderen zijn al in bed. Ik denk aan jou." O, ik weet wat zij bedoelt, zie, zie, want ik houd van haar.

121 En als u van God houdt, en Gods Geest in u is, dan is de Heilige Geest Zelf de uitlegger van dit Woord.

122 Merk op, zij waren dus hoogbejaard; de Bijbel zegt het. Snel nu, wij komen tot een einde. Toen zei hij: "Ik werd opnieuw een jonge man. Zij werd opnieuw een jonge vrouw."

     U zegt: "O, broeder Branham!"

123 Luister, om die baby te krijgen... Haar schoot was dood; zijn levensstroom was dood. Nu, om te krijgen... Hij moest een andere schoot voor haar maken. Had Hij dat niet moeten doen? En bovendien hadden zij deze flessen niet die zij in de mond van de baby duwen, zodat de moeder overal naartoe kan lopen. In die dagen moest het een moeder met borstvoeding zijn. Dus, ten einde dat te doen, de melkklieren waren opgedroogd, dus moest Hij wel nieuwe melkklieren maken, enzovoort, om de baby te voeden. En iets anders, een vrouw van honderd jaar die een bevalling meemaakt? Hij zou voor haar een nieuw hart moeten maken. Ziet u? Dus Hij lapte het niet zomaar een beetje op. Hij toonde in hem wat Hij gaat doen met heel het zaad van Abraham. Zij zullen weer nieuw worden, zullen een nieuw lichaam krijgen om de komende Zoon te ontvangen, waar wij naar uitzien. Ik geloof nog steeds de belofte.

     U zegt: "Extreem!"

124 In orde, wacht even. Let op, zij maakten een reis van vijfhonderd kilometer vanwaar zij waren tot ginds in het land van de Filistijnen, tot Gerar. En daarginds was een jonge man, Abimelech genaamd. Hij was koning en hij zocht een lieveling en al die mooie Filistijnse meisjes... Hier komt kleine grootmoeder Sara, nu, met haar sjaal om, en Abraham. En Abraham zei: "Schat, ik wil dat je mij een gunst bewijst." Zei: "Je ziet er zo mooi uit, dat als die koning jou ziet, hij je tot vrouw zal nemen." En toen de mensen haar zagen, was zij zo mooi! Grootmoeder? Zij was zo mooi dat Abimelech haar nam om zijn vrouw te worden.

125 En toen verscheen Hij aan Abimelech in een droom en zei: "Haar man is Mijn profeet. Raakt u haar aan, dan bent u zo goed als dood." Is dat juist?

126 Hij laat daar zien wat Hij met alle kinderen van Abraham gaat doen. Zei: "Hij zei niet wanneer Hij het zou doen, maar Hij zei dat Hij het zou doen." Dat is juist, vriend, laat het gewoon voortgaan. Hij gaat het hoe dan ook doen. Hij beloofde het. Nu dan, maar vijfentwintig jaar later vanaf de tijd der belofte had Sara de baby. Het Woord zei nooit wanneer zij hem zou hebben, maar zei dat zij hem zou hebben.

127 Laten we nu opschieten met deze getuigen. De derde getuige, Mozes. Hij zei dat God hem een teken gaf om te doen, om te bewijzen dat dat het Woord was voor dat tijdperk. Hij nam het Woord, met een teken en een stem, en verscheen voor voorganger Farao. En voorganger Farao zei: "Hm, dat is een goedkope tovertruc. Ik heb hier mannen die hetzelfde kunnen doen." En zij deden het. Nabootsers! Hij zei: "Als ik geen profeet was geweest, die wist dat dat het beloofde Woord was, dan had ik gezegd dat er niets bijzonders aan was, omdat deze nabootsers hier hetzelfde doen als ik." Maar hij wist dat het van God kwam, dus bleef hij standvastig.

128 God zei dat Hij de mensen zou bevrijden en dat ze bij een berg zouden komen. Hij verwachtte misschien dat zij daar diezelfde dag terug zouden komen. Maar het was jaren later; maar zij kwamen er. Zij bereikten de berg. God vervulde Zijn Woord. Hij bracht ze naar het beloofde land, zoals Hij had gezegd. Hij had Gods Woord geloofd.

129 Nu ga ik heel snel een andere getuige halen. De vierde getuige is Jozua. Hij zei: "Toen God ons de belofte gaf en wij overstaken..." Het is slechts ongeveer 65 kilometer. "En toen wij bij Kades-Barnéa aankwamen, stuurde Mozes verkenners om erachter te komen of wij het konden innemen of niet. 'En, o, de Amalekieten en die grote reuzen en hoge muren,' zeiden zij, 'wij zouden het beslist niet kunnen innemen, zo zag het eruit.'"

130 Maar iemand ging er naartoe en bracht wat bewijsmateriaal mee terug dat het land goed was. Dus zei hij: "Al de andere stammen zeiden: 'O, wij kunnen het niet innemen.'" Hij zei: "Ik stond op en ik heb de mensen gerustgesteld en ik heb hun laten weten dat het niet de grootte was van die zaak daar; het was de belofte van God en God zou het doen." Hij zei: "Nadat ik de mensen gekalmeerd had, bracht Hij ons niet de volgende dag naar de overkant, of de volgende week. Veertig jaar later bracht Hij ons naar de overkant. Maar Hij zei niet wanneer Hij ons zou overbrengen. Hij zei dat Hij ons zou overbrengen, dus gingen wij over."

131 Ik zou graag willen dat Jesaja even een moment zou komen. Kijk naar Jesaja. Hij zei: "Ik was een betuigde profeet onder het volk. Iedereen geloofde mij. Vanaf koning Uzzia helemaal tot de laagst geplaatste persoon geloofden zij mij. Ik was een betuigde profeet. Wat ik zei, liet God gebeuren. Hij liet de woorden die ik zei gebeuren, omdat ik ze had gesproken in Zijn Naam, Jehova." Hij zei: "Op een dag sprak Jehova tot mij en zei: 'Ik ga hun een teken geven: een maagd zal zwanger worden.' En ik deed het, ik sprak het zoals Jehova het zei."

132 Zei: "En ik wil dat u, dit hof, weet dat elk Hebreeuws meisje de babyschoentjes en alles klaarmaakte voor deze baby. Een maagd zou zwanger worden. En er gingen maanden voorbij en er gebeurde niets. Weken, en niets gebeurde. Ongeveer achthonderd jaar later gebeurde het; maar een maagd werd toch zwanger en bracht een kind voort." Jehova zei nooit tegen hem dat het morgen zou gebeuren, een maagd in uw tijdperk. Hij zei alleen: "Een maagd zal zwanger worden", en dat maakt het vast. Hij zei niet wanneer. Hij zei alleen dat zij het zou doen.

133 Nu, als dat het hof behaagt, mag ik dan Zijn volgende getuige zijn? Ik zou voor Hem willen getuigen als de volgende getuige. De belofte van het Woord voor deze dag, dat is waar ik van wil getuigen.

134 Bij mijn geboorte als een jongetje in Kentucky – u ziet het op de gebedskaarten en alles – stond dat Licht daar. Ik vertelde het aan mijn mama en papa, heel de tijd door. Ik hoop dat dit niet te persoonlijk klinkt, maar ik sta gewoon als getuige voor Hem. Dit is Hem in Woordvorm. Ik wist niet wat het betekende; niemand wist het. Daarginds in die bergen, in een kleine oude... Het had zelfs geen glazen raam zoals u nu allemaal hebt; er was een kleine oud luikje dat je als een raam moest openduwen. En die morgen kwam er een Licht binnen.

135 Ik vertelde het aan de mensen, vertelde het mama. De dingen die ik vertelde, gebeurden altijd op die wijze. Zij geloofden het niet. Zij zeiden: "Dat is niet zo." Maar ongeveer dertig jaar later heeft God het door wetenschappelijk bewijs bewezen dat het zo was. En het was zo, omdat het een belofte is.

136 Bij de boom, toen ik zeven jaar oud was, toen de stem tot mij sprak, werd er gezegd: "Rook, kauw, of drink, of verontreinig je lichaam nooit."

137 En ik, die in het huis van een drankstoker woonde, wist zelfs niet wat een Bijbel was, niet meer dan gewoon een woord. Misschien waren we in staat geweest een almanak te vinden, maar geen Bijbel bij ons thuis. Niets anders dan een stel... Niet om iets te zeggen over mijn familie, maar God weet er alles over. Er bestond geen enkele manier; mijn vroegere familie in het verleden was Katholiek. Zij hadden allemaal door hun huwelijk de kerk verlaten en waren weggegaan, en er was helemaal geen godsdienst meer. Wij besteedden er zelfs geen aandacht aan.

138 Maar Hij – Hij vertelde mij wat er ging gebeuren, dat ik niet moest roken, drinken, of mijn lichaam op enigerlei wijze verontreinigen en dat er een werk voor mij te doen zou zijn als ik ouder werd. Wel, het was jaren en jaren nadien. Hoe wist ik dat ik een prediker zou worden? Ik had een hekel aan de gedachte om een prediker te zijn. Maar het gebeurde hoe dan ook. Dat laat ons zien dat Hij Zijn Woord houdt. Zeventien jaar later nadat Hij daar aan mij verschenen was in een struik...

139 We ontdekken dat Hij mij de dag daarna een brug toonde die een rivier overspande, en liet zestien mannen zien die er vanaf vielen. Ik vertelde het aan moeder. Ik zat tegen een boom en keek ernaar. Zij zei: "Je bent in slaap gevallen, lieverd."

     Ik zei: "Nee, echt niet, mama, ik heb het gezien."

140 Precies zeventien jaar na die dag was het dat de Municipal Bridge in Jeffersonville de rivier overspande naar Kentucky, en de zeven... en de zestien mannen hebben hun leven daar verloren, precies zoals het werd verteld. O, zo deed... Meneer Ongeloof heeft mij voortdurend verzocht!

141 En mag ik gewoon de aandacht van deze blinde aanklager vragen betreffende Jezus Die hier zou zijn met nagellittekens in Zijn hand. Hij heeft nooit zoiets gezegd. Hij zei dat wanneer Hij terugkeert uit de hemel "elke knie zich zal buigen, ieder oog Hem zal zien, en elke tong zal belijden." Hij heeft alleen beloofd om terug te keren in de kracht van de Geest om Zijn Woord in Markus te betuigen en wat Hij zou doen. Hij doet niet... Zij snappen het gewoon niet.

142 Nu, op basis van deze discussie deze middag, en wij die leven... (Ik zal hier moeten weglaten, u ziet mij deze pagina's met teksten, enzovoort, omslaan. Ik moet het naar voren brengen, maar ik denk dat we het voldoende hebben benaderd om het te begrijpen.)

143 Nu willen zij het nog steeds niet geloven. Jezus heeft beloofd dat "zoals het was in de dagen van Noach, en zoals het was in de dagen van Lot, zo zou het in de laatste dag zijn." Wij hebben het. Het is hier. Het is reeds betuigd, gewoon zoveel Schriftplaatsen! In het tijdperk van Sodom, wat er gebeurde bij Abraham zou weer terugkeren naar het koninklijke zaad van Abraham dat in Christus is; Christus, terugkerend in de vorm van het Woord, werkend in menselijke wezens en de tekenen tonend die Hij als teken beloofde, het zou gebeuren. Hij beloofde dat Hij het zou doen. God beloofde het. En God zal Zijn belofte houden.

144 En nu, enkele jaren geleden, vertelde ik u dat Hij tot mij sprak en zei: "Er zullen drie stadia van deze bediening zijn." En een ervan zou het bij de hand nemen van de mensen zijn en ik zou weten wat hun klachten waren. Hoevelen herinneren zich dat? Zeker. Heb ik niet aan u verteld: "Als ik oprecht zou zijn," dat Hij mij vertelde dat "het zou geschieden dat ik zelfs het geheim van hun hart zou weten"? Heb ik dat aan u verteld? Hoevelen herinneren zich dat? Is het gebeurd? Het gebeurde niet de volgende dag, het was jaren later, maar het gebeurde.

145 En Hij sprak daar bij de rivier. Hij zei: "Zoals Johannes de Doper vooruit werd gezonden om de komst van Christus aan te kondigen", en Jezus kwam aan het einde van zijn bediening. "En zoals Johannes werd gezonden, zo zal uw bediening de tweede komst van Christus voorafgaan." En er is een wereldwijde opwekking onder het volk van God geweest, door de hele wereld, gedurende de laatste vijftien jaar; de langste opwekking. Iedere historicus weet dat geen opwekking langer dan drie jaar duurt. En dit is vijftien jaar. En kijk naar de kerk vandaag, zij is afgekoeld. Wij wachten op Zijn komst. Hij is Zichzelf aan het betuigen, het aantonend.

146 Nu, al deze dingen zijn gebeurd. Hij heeft daarin beloofd dat "u het geheim van het hart zou kennen".

147 Nu, het derde stadium breekt nu net aan in de bediening. Ik zal geen tijd nemen om daarop in te gaan, want ik denk dat ik het niet zou moeten doen. Maar velen van u hier weten ervan, ziet u, van wat er is gebeurd.

148 Nu, toen vertelde ik het u – toen ik hier in het begin naar Kansas City kwam en ginds in Arkansas – dat deze dingen zouden gebeuren, en hier zijn ze. Wij zijn levende getuigen dat zij plaatsgevonden hebben. [Leeg gedeelte op de band – Vert] ... God heeft gezegd dat het zou geschieden. Het werd niet gezegd dat het onmiddellijk zou gebeuren. Hij zei dat het zou gebeuren.

149 Markus 16 zegt: "Deze tekenen zullen hen volgen die geloven." Als ik geen gelovige ben, waarom werd dit Woord dan als de waarheid betuigd?

150 Als u geen gelovigen bent, waarom heeft God u dan de Heilige Geest gegeven? U mag allerlei uitingen hebben, u zou kunnen rennen, in tongen spreken, en dingen doen zoals mensen die de Heilige Geest hebben; maar als dat geen oorspronkelijk iets is in uw hart, dan zal het nooit dat Woord tot leven brengen. Maar als het daarbinnen iets echts is... "Hemelen en aarde zullen voorbijgaan, maar dat Woord kan niet falen."

151 "Deze tekenen zullen hen volgen die geloven; als zij hun handen op de zieken zullen leggen, zullen zij herstellen." En u ziet anderen genezen worden. Hij zei niet dat ze onmiddellijk zouden genezen. Hij zei: "Zij zouden herstellen als zij het geloofden."

152 Hoevelen die het horen, weten dat het de waarheid is? Hoevelen geloven dat het Woord van God nog steeds juist is? Het is gewoon verkeerd aan de mensen uitgelegd. Gelooft u dat niet? Het is gewoon verkeerd uitgelegd.

153 Nu, niet destijds in de dagen van Luther, niet destijds in de dagen van Paulus, niet destijds in de dagen van Noach en deze andere getuigen, niet vijftien jaar geleden toen ik u vertelde dat deze dingen zouden geschieden; maar vandaag in Topeka, Kansas, deze dag, dit uur, deze minuut, laat ons het Woord van God oproepen zich volledig prijs te geven. Hij beloofde dat dit zou gebeuren in de laatste dagen.

154 Nu, gelooft u dat Hij Zijn Woord houdt? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Hij moet Zijn Woord houden om God te zijn. Hij moet het doen. Hij moet Zijn Woord houden.

155 Nu, beloofde Hij: "Zoals het was in de dagen van – van Sodom, zo zou het zijn bij de komst van de Zoon des mensen," dat Hij geopenbaard zou worden in de laatste dagen zoals Hij dat werd aan Abraham en zijn zaad bij Sodom? Heeft Hij dat beloofd? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Lukas het zeventiende hoofdstuk, het dertigste vers, u kunt het lezen. Nu, Hij heeft dat beloofd. Hij zei dat het zou gebeuren. Jezus zei dat alle Schriftplaatsen moeten worden vervuld, alles wat Hij heeft beloofd.

156 Heeft Hij niet beloofd in Maleáchi 4 wat Hij zou doen in deze laatste dagen? En onmiddellijk daarna zou vuur komen dat de ongelovigen zou verbranden, en de oprechten zouden op de as van de ongelovigen treden. Dat is juist. Wel, wij bevinden ons hier nu vlak voor de deur.

157 Nu, net voordat de grote vloed binnenkwam, wat had Hij beloofd? Wat gebeurde er net voor het uittrekken van Noach – van Noach... of van Mozes, die kwam om de kinderen van Israël eruit te brengen? Wat gebeurde er net voor de komst van Jezus?

158 Johannes, wij hebben hem niet naar voren gebracht om te getuigen. Wij brachten hem hier, maar niet als getuige, hoe hij uit alle theologie van die dag geroepen werd om de woestijn in te gaan, omdat hij moest aanwijzen, hij moest de Messias identificeren.

159 Wel, als wij naar de school zouden zijn gegaan, naar zijn vader, en zouden zeggen: "Wel, ik ben een grote vriend van je vader. O, hij was een geweldige oude man. Ik houd van hem. En ik weet... Nu, is broeder Jones niet die Messias? Wel, je weet, Johannes, dat hij het is."

160 Kijk, hij scheidde zich af. Op de leeftijd van negen jaar ging hij de woestijn in, omdat hij van de woestijn hield. De geest van Elia was op hem. En de geest van Elia; het was niet Elia, hij was een man; het was de Geest van God met dat Woord in die dag. En hij ging de woestijn in. Dan, toen hij eruit kwam, moest hij de Christus identificeren, niet de goede man, maar "Op Wie u de Geest zult zien neerdalen". Niet de man die de beste leraar was, niet de man die de meest dierbare persoon in het land was in die dag, maar "op Wie de Heilige Geest Zichzelf identificeerde als het Woord." Het Woord Zélf identificeerde het Woord.

161 Nu, Hij beloofde dat in de laatste dagen Jezus hetzelfde zou doen, Dezelfde zou zijn gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid. Gelooft u dat? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

162 Nu, laten we onze hoofden even buigen. Heb geloof. Twijfel niet. Geloof. [Een zuster spreekt in een andere tong en geeft dan een uitleg. Leeg gedeelte op de band – Vert] Dank de Here.

163 In orde. Hij is Dezelfde gisteren, vandaag, en in eeuwigheid. U gelooft het? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

164 Nu, wat heeft Hij beloofd om Zichzelf te betuigen? In een man, in menselijk vlees, zoals Hij bij Abraham deed. "Wanneer de Zoon des mensen..." Het zou de Zoon des mensen zijn, niet... niet... niet de Zoon van God nu; de Zoon van God in een Zoon des mensen. In Ezechiël, het eerste hoofdstuk, het tweede vers, noemde Jehova Ezechiël de zoon des mensen, precies hoe Jezus Zichzelf noemde. U begrijpt het, door het onderwijs van deze week. Nu kijk, wat is de zoon des mensen? Profetisch. Wat was Maleáchi 4? Een profeet. Wat waren deze dingen die in de laatste dagen moesten plaatsvinden? Nu, Hij zei nooit wanneer. Hij zei dat zij zouden plaatsvinden, en zij gebeurden. Nu, u, als Hij nog steeds de Zoon van God is, de Zoon des mensen; gereed om in de laatste dagen op de troon van David, als Zoon van David, geopenbaard te worden. Zie, merk op, als Hij dan... Als dat juist is, Hij dat heeft beloofd, dan is Hij het aan dat Woord verplicht. Hij is het aan dat Woord verplicht.

165 Nu, raakt u de zoom van Zijn kleed aan door uw geloof. En ik heb deze beweringen gedaan. Als het van God is, zal het geschieden; als het niet van God is, zal het niet geschieden. En dat is het enige wat waar is, zie, dat zal bewijzen of wij onder gelovigen zijn of niet. Nu, u moet een gelovige zijn, precies zoals ik een gelovige ben. U moet geloven dat dit de waarheid is. Als u het gelooft, zal het gebeuren. Nu bid, ieder van u, geloof op uw eigen manier.

166 Laten we aan één kant beginnen en ons slechts op één kant concentreren. En ik wil eenvoudig ergens aan deze kant, hier tegen de muur, dat u gelooft. Heb geloof. Twijfel niet. Geloof slechts, zeg: "Here!"

167 Kijk nu niet naar mij, zie. U mag naar mij kijken, maar, kijk, laat uw geloof verder zien dan dat. U kunt naar mij kijken met lichamelijke ogen, maar kijk naar Hem met uw ogen van geloof, dat Hij dat Woord is. En Hij heeft eenvoudig Zijn masker veranderd, zie, van wat niet kon gezien worden tot wat absoluut verklaard is, het Woord vleesgemaakt. Heb geloof.

168 Nu, beweeg nu niet in het rond. Wees echt stil en eerbiedig. U kunt zich na een poosje weer bewegen; maar wees heel stil, eerbiedig.

169 Nu, het is... Wat is het? Het is een gave. Een gave is niet iets nemen zoals een zwaard, om er dan mee te gaan slaan en steken en trekken. Dat is het niet. Een gave is gewoon uzelf opzij zetten zodat de Heilige Geest in een menselijk lichaam werken kan. Probeer niet te zeggen: "Glorie voor God, ik heb een gave! Ik heb een gave, halleluja!" U zult het nooit krijgen. Als u alleen maar weet hoe u uzelf moet loslaten!

170 Het is zoals het veranderen van versnelling. Zie? Schakel over van ongeloof naar geloof, trek daar gewoon een kleine versnellingshandel naar achter en zeg: "Wel, ik ben altijd wat sceptisch geweest, maar nu echt, nu geloof ik." Nu, kijk wat er dan gebeurt. Doe het maar eens en zie wat er gebeurt. Bid slechts.

171 En ik probeer mezelf van de boodschap vandaan te krijgen... in een gave. Een gave, opdat het Woord Zichzelf kan manifesteren; zoals Hebreeën 4:12 zegt: "Onderscheiden; de gedachten van het hart kennen."

172 Bid voor wat er ook verkeerd met u is. Bid, en zeg gewoon: "God, ik – ik ben behoeftig. Deze man kent mij niet, maar ik ben behoeftig."

173 In de Naam van Jezus Christus, de Zoon van God, voor de glorie van God en volgens het Woord van God dat ik net gepredikt heb, neem ik elke geest hier onder mijn controle.

174 Nu, ongeacht wat er gebeurt... Misschien gebeurt hier iets binnen een ogenblik. Er zit hier een criticus, en ik denk er net aan dat er iets op het punt staat te gebeuren. Ziet u? Dus, wees zeer eerbiedig. Als er iets wordt verstoord, zit u gewoon stil. Zit echt heel stil, laat die persoon maar doen wat hij gaat doen. Merk op wat er gebeurt. Laat hen de beweging maken en kijk wat er gebeurt. U zult zien of Hij God is of niet. U zou Hem in de strijd moeten zien. U heeft Hem in genezing gezien; let op Hem in de strijd. Satan doet zijn best om het te doen. Echter – laat het hem maar een keer doen, en kijk wat er gebeurt.

175 Er is een ander persoon, die aan deze kant zit, die heeft geleden, die precies hier zit, een man en zijn vrouw. Zij is aan het bidden. Hij bidt voor haar. Het is een nerveuze toestand, zenuwen in haar gezicht. Zij is een redelijk zwaar gebouwde vrouw. Haar echtgenoot draagt een wit overhemd. Zij legt zijn handen op haar. Dat is waar. Steek uw hand omhoog als het waar is, als dat het is waarover u bidt. Maak u geen zorgen. Het zal stoppen. Het is een belofte, als u zou geloven. U heeft Zijn kleed aangeraakt.

176 Er is een dame die hier helemaal achteraan aan deze kant zit, zij lijdt aan een vrouwenkwaal. Ik hoop haar... O God! Mevrouw Reed, u weet dat ik u niet ken. Maar dat is waar, nietwaar? U was aan het bidden: "Here, wees mij genadig." Hij is het geweest. Het gaat u nu verlaten. Geloof het slechts met heel uw hart. Twijfel niet. U heeft geloof.

177 Hier, hier zit een dame helemaal aan het eind, met een kleine, donker uitziende hoed op. Zij is aan het bidden over... Het is moeite. Zij heeft moeite. Ziet u dat Licht niet dat daar boven haar hangt? Zie? Zij houdt haar hoofd gebogen. Ze heeft problemen met haar knieën. Zij heeft haar knieën bezeerd. Zij is gevallen en heeft haar knieën bezeerd. Zie? Ik ken haar niet; God weet dat. Maar dat is waar, nietwaar, mevrouw?

178 Hier, leg uw hand op die dame die naast u zit. Het kwam rechtstreeks naar haar toe. Zij lijdt aan een nerveuze toestand. En die nerveuze toestand heeft... Zij heeft oogproblemen. En die ogen werden geopereerd, wat dit heeft veroorzaakt. Dat is juist, nietwaar? Steek uw hand omhoog. Indien gij kunt geloven!

179 Deze andere dame, die haar hand daar naast haar heeft opgestoken, het heeft haar enigszins ontroerd. Maar de reden, als u zult... Gelooft u dat God mij kan vertellen wat uw kwaal is? Het is in uw enkels. Als dat juist is, zwaai dan zo met uw hand. In orde.

180 Wat heeft Hij gezegd dat Hij zou doen? "Hij is Dezelfde gisteren, vandaag, en voor eeuwig." Gelooft u dat?

181 Hier zit een man voor mij. Hij lijdt aan artritis. Hij gaat precies... ik weet niet of hij het gaat ontvangen of niet. Het is een man van ongeveer mijn leeftijd. Hij lijdt aan artritis. Hij is niet van hier. Hij komt uit Kansas City. Gelooft u dat God u gaat genezen? Gelooft u dat God mij kan vertellen wat uw naam is? Meneer Francis. Geloof met heel uw hart. Hij probeerde het van u te stelen, meneer. En hij – hij... U dacht dat ik een andere man bedoelde, maar u was het. En toen ik dat zei, kwam er een zeer vreemd gevoel over u, echt lieflijk en warm. Als dat juist is, wuif dan zo met uw hand.

182 Ook uw vrouw die daar zit, zij is mevrouw Francis. Zij lijdt ook aan artritis. En zij heeft oogproblemen en oorproblemen. Is dat juist? Dat is juist.

183 De dame die naast haar zit, daar vlak naast haar, zij heeft last van spataders. Juist. Zij heeft iets dat inwendig verkeerd is, een soort van... Het is een blaaskwaal. Zij heeft een blaaskwaal. Zij is ook van Kansas City. Mevrouw Gregg. Dat is juist.

184 Als ik voor u mensen een totaal onbekende ben, hef dan uw handen zo omhoog, opdat, ik bedoel deze mensen hier die werden geroepen, hef uw handen omhoog, u mensen die net werden geroepen, als ik een vreemde ben.

185 Wat is het? Dezelfde God Die naar beneden kwam in menselijke vlees, en vlees heeft gegeten en melk heeft gedronken. En Jezus zei... en Abraham zei, bedoel ik, dat Hij "Elohim" was, God gemanifesteerd in vlees. Jezus zei: "Zoals het was in die dag, dat Jehova, de Zoon des mensen, opnieuw in een profetische vorm zoals Hij was, opnieuw zou terugkeren in de laatste dagen", net voordat uw lichamen veranderd zullen worden. Wij, wij konden niet... Kijk, Sara kon die baby in dat lichaam niet ontvangen, nietwaar? Abraham kon het niet in zijn lichaam. Zijn lichaam moest veranderd worden. Zo moet het onze het, om de Zoon te ontvangen. Neem het Woord, en Hij is de Zoon. Het is het Woord. Gelooft u het?

     Nu, buig uw hoofden even voor een ogenblik.

186 Volkomen, met heel uw hart, is God gerechtvaardigd door deze beloften te doen? Gelooft u dat Zijn Woord de waarheid is? Gelooft u dat deze getuigen slechts valse getuigen zijn, dat zij om mee te beginnen het geloof niet hadden om het te geloven? U bent de jury én u bent de rechter. Iedere jury moet beslissen, de rechter moet het oordeel uitspreken. Bent u vastbesloten dat Gods Woord uit Markus 16 de waarheid is? Als u het bent, steek uw hand omhoog. Ik heb getuigen op het toneel gebracht die op dezelfde wijze als dit in de laatste dagen zijn verschenen, en hebben bewezen dat Gods Woord juist was. En Gods Woord belooft dit in de laatste dagen. En ik ben hier, en u bent hier, voor u staande om het aan de overigen te bewijzen, aan eenieder van u. Ieder van u zou opgeroepen kunnen worden, één voor één op die manier, als u het gelooft. Vraag het aan deze mensen, praat met hen, die de Heilige Geest genoemd heeft.

187 "Wat doet u nu, broeder Branham?" Proberen om erbij vandaan te gaan. Het blijft gewoon overal in het gebouw gebeuren; je ziet het gewoon flitsen.

188 Kijk, daarmee probeer ik te bereiken dat u het gelooft. Heb geloof in God. Geloof het. Hij is gerechtvaardigd om dit te schrijven. Hij heeft het bevestigd en bewezen dat het de waarheid is. Hij heeft het dertig jaar geleden geprofeteerd, en het vandaag bewezen. Hij zei het tweeduizend jaar geleden, en bewees het vandaag. Zijn Woord is de waarheid. En ieder Woord van God is geïnspireerd, en alles ervan is de Waarheid. En Markus 16 zei: "Zij zullen hun handen op de zieken leggen en zij zullen gezond worden."

189 Jury, wat is uw oordeel in deze rechtszaal deze namiddag? Is Jezus Christus Dezelfde gisteren, vandaag, en voor eeuwig? Steek uw hand op. [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Bent u volledig overtuigd dat Markus 16 de waarheid is, het Woord van Jezus Christus: "Als zij hun handen op de zieken leggen, zullen zij gezond worden"? Steek uw handen omhoog. ["Amen."]

190 Dan, Satan, moet u vertrekken. Meneer Ongeloof, u heeft geen recht om langer onder ons te zijn. Meneer Twijfelaar, of meneer Ongeduld, het maakt mij niet uit hoe lang het duurt, het zal gebeuren.

191 Noemt u mij een gelovige? Steek uw hand op als u dat doet. Ik ben een gelovige. Ik ga voor u bidden, handen op u leggen. Gelooft u dat uw voorgangers hier gelovigen zijn? Steek uw handen omhoog. Hoeveel gelovige predikers zitten hier? Steek uw handen omhoog.

192 Ik ga de gelovige predikers vragen om even hier te komen. Is dat in orde, voorganger? Perfect. Ik wil dat iedere prediker in dit gebouw die een gelovige is, hier komt en even bij mij komt staan. Ik wil echte gelovigen nu. Bedenk, wij willen geen schijngelovigen. Wij willen echte gelovigen. Kom hier op het podium staan. Wij zullen nu iets zien gebeuren. "Ik geloof dat u mij de waarheid vertelde."

193 Nu onthoud, wees een moment zeer stil terwijl deze predikers komen, ik wil iets tegen u zeggen. Nu wat, wat zal er gebeuren? Uw handeling, van uw handeling... (Iemand struikelde. Sorry.) Uw handeling van dit ogenblik af aan zal uw oordeel zijn. Hoevelen geloven dat? Steek uw hand omhoog.

194 Nu iedereen die een gebedskaart heeft, ga hier aan de rechterkant staan, kom naar deze kant. U, ieder van u in uw gangpad, ga aan de rechterkant van uw gangpad staan, aan de rechterkant van uw gangpad.

195 Nu, diegenen aan de andere kant daarginds moeten hier langs deze kant komen. In orde.

196 Iedereen aan deze kant met gebedskaarten, ga in dit gangpad staan; zoals dit, aan de rechterkant. Dat zou de linkerkant zijn. Excuseer mij. Deze kant hier zou uw rechterkant zijn. Dat is aan uw linkerkant. Kom hier nu langs op die manier, vorm uw rij.

197 Nu, al u predikers, kom hier en maak een dubbele rij, helemaal hierlangs, twee rijen helemaal deze kant op; helemaal hierlangs en helemaal daarlangs, ieder van u.

198 Nu, hoevelen van u geloven? Steek uw hand omhoog en zeg: "Nu wil ik opnieuw aan God tonen dat ik absoluut geloof dat Markus 16 de waarheid is." Steek uw hand omhoog. "Ik aanvaard het nu."

199 Hoevelen in de samenkomst, die niet in de gebedsrij zullen zijn, zullen bidden voor dezen die in de gebedsrij zijn, en de hele groep van ons samen zal als gelovigen bidden? Steek uw hand omhoog.

     Laten we nu bidden.

200 Here Jezus, Gij zijt God. Gij zijt de grote "IK BEN", niet de "Ik was", of de "Ik zal zijn". U bent "IK BEN", tegenwoordige tijd. Er is geen macht die U in de weg kan staan. U bent God, en er is niemand als U. U maakt dat Uw woorden bevestigd worden. U heeft het aan ons bewezen door de getuigen van vanmiddag in dit proces; aan deze jury en ook aan dit hof, en de rechters die er zullen zijn.

201 Wij hebben het proces op een eerlijke manier gedaan. Wij hebben genomen wat de vijand heeft gezegd. Wij hebben genomen wat de openbare aanklager heeft gezegd. Wij hebben genomen wat zijn getuigen zeiden. Wij hebben het teruggebracht met het getuigenis van de verdedigende Getuige, en Hij heeft bewezen dat God gerechtvaardigd is om deze verklaringen af te leggen, omdat Hij het doet geschieden aan de gelovige, door veel meer getuigen dan de ongelovige kan produceren. Nu, we weten dat het waar is. Het ligt er alleen aan of de mensen geoordeeld hebben of het juist is, dat het Woord van God de Waarheid is.

202 Sta het toe, Here, dat iedereen die hier door deze rij passeert... Vader, deze mannen die hier staan. Nadat ik weg ben, zou iemand kunnen zeggen dat broeder Branham zijn handen op hen heeft gelegd, maar ik wil dat de mensen weten dat deze voorgangers evenveel recht hebben om handen op de zieken te leggen als wie dan ook. Zij hoeven niet te wachten tot "een evangelist voor speciale gelegenheden" langskomt, maar hun eigen voorganger heeft het recht om handen op hen te leggen. God, sta dat toe voor ieder persoon die hier vandaag door deze rij van handen passeert; die door God geroepen en verordineerd zijn om handen op de zieken te leggen.

203 Wij weten dat wij geen heilige handen hebben, maar wij kijken niet naar onszelf. Wij kijken naar ons Offer, Jezus Christus, Dezelfde gisteren, vandaag, en voor eeuwig, Die nu bloedt voor de troon van God om ons te reinigen, om Zijn opdracht uit te voeren. Sta toe, Here, dat iedere man, vrouw, jongen of meisje, die hier voorbijkomt, even blij dit podium zal verlaten, alsof zij normaal en wel en gezond waren. Sta het toe. Moge het oordeel van deze jury – waarvan zij beweren dat het dat was en dat Hij gerechtvaardigd was – moge nu het oordeel dat zij vellen van nu af aan hun handeling zijn. Help ons, God, in Jezus Christus' Naam. Amen.

204 Broeder Roy Borders of een zangleider, als u hier even wilt komen en de leiding nemen. Nu, met uw ogen gesloten.

205 Nu, sluit gewoon aan in de rij als uw rij aan de beurt komt. Kom hier langs. Wij hebben gebeden, ieder van deze mannen. Waarom ik hen hier heb geplaatst was hiervoor. Nu, u hier moet langs deze kant komen en precies aansluiten bij dezen, met dezen hier, wanneer zij naar voren komen, ziet u. Goed. Nu, wacht even totdat zij... Wacht totdat zij weggaan. Wacht totdat deze rij naar voren komt; dan u, dame. Precies hier, zuster, wacht precies daar. Kijk, wacht precies daar, zie. Zaalwachters, enigen van u kunnen hen daar helpen, zie. Kijk, u moet deze rijen naar voren laten komen, deze rijen naar voren laten komen, en deze rij moet hen volgen, ziet u, om door te komen.

206 Nu, als u hier langskomt, het slechts veronderstellend, slechts radend, blijf uit de rij; het zou u slechter kunnen maken. Maar als u hier langskomt en gelooft, dan is er niets dat dit van u kan wegnemen. Hoevelen weten dat het van hieraf aan de tijd is dat ermee is afgerekend? U die in de rij staat, zeg: "Dit is het. Ik geloof het. Om er niet meer over te klagen. Het is voorbij, precies nu. Ik heb het Woord van God aanvaard." Als u het niet doet, kom dan niet in de rij. Geloof met heel uw hart, en kom.

207 God heeft Zichzelf, precies nu aanwezig, betuigd door het Woord en de getuige en het proces als "Dezelfde gisteren, vandaag, en voor eeuwig". Er is niets overgebleven dan de handen op de zieken te leggen, en zij zullen genezen. Hier zijn uw voorgangers. U weet dat zij gelovigen zijn. Zij zijn uw herders.

208 En ik wil niet dat u de indruk krijgt dat ik, Oral Roberts, of iemand anders, de enige persoon is die verordineerd is om dit te doen. Iedere prediker is verordineerd om dit te doen. Iedere gelovige, of hij een prediker is of niet, is verordineerd om dit te doen. Ieder persoon die gelooft, heeft een recht om handen op de zieken te leggen, en zij zullen gezond worden.

209 Ik zeg niet dat uw voorganger of iemand anders de gave van onderscheiding zou moeten hebben. Zij hoeven dat niet te doen; dat is niet hun roeping. Dat is niet hun roeping om dat te doen. Dat zal er één in een tijdperk zijn.

210 Maar – maar wij ontdekken dat u bent geroepen als een gelovige. "Deze tekenen zullen hen volgen," het wijst niet naar enig persoon, "degenen die geloven." Geloof het nu met heel uw hart.

211 Broeder Roy, leidt u het lied Only Believe. Iedereen in gebed. Predikers, als zij voorbijkomen, leg handen op hen. En leken en vrienden, als u hier voorbijkomt, heb geen enkele twijfel in uw gedachten; kom gewoon in de rij voorbij, ga hierlangs weg en zeg: "Het is over."

212 Nu, onthoud, u bent de jury geweest in deze zaak. U heeft uw hand omhoog gestoken dat u uw oordeel had geveld. Iedereen die het begrijpt, zeg "amen". [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] U heeft uw oordeel geveld. Nu, wat u hierna doet zal bewijzen of u de waarheid heeft verteld of niet. Uw – uw oordeel zal van waarde blijken door wat u hierna gaat doen. Dat zal het. U zult zowel de rechter als de jury zijn. Als u het echt gelooft, moet het geschieden. Als u zogenaamd gelooft, zal het niet gebeuren.

213 Want het is bewezen door het Woord, door de tegenwoordigheid van God, door alles wat er is. Is er iets overgebleven om te doen? Als Hij hier precies deze middag zou komen, zou Hij u dan kunnen genezen? Nee, nee. Hij heeft het reeds gedaan. Ziet u? Hij is al... Er is nu niets overgebleven om te doen. Hij heeft Zichzelf hier betuigd door het Woord, heeft alles bewezen. Het enige wat u moet doen... U hebt uw besluit genomen, u hoorde het proces, u hebt het oordeel geveld, kom nu en toon uw oordeel. Amen. God zegene u.

214 In orde. [Broeder Borders begint de samenkomst te leiden in het zingen van "Only Believe"]

215 Wees nu in gebed, broeders. En laat ieder van de zaalwachters de mensen voorbij laten komen. Ga nu wat dichter bij elkaar staan. Laat elke man dat kind aanraken, raak iedereen aan. Laat elke man nu met geloof deze mensen aanraken. Sluit uw ogen. [Broeder Branham en de predikers bidden en leggen hun handen op de mensen. Leeg gedeelte op de band – Vert]

Geloven alleen,
Alles is mogelijk, geloven alleen;
Geloven alleen, geloven alleen,
Alles is mogelijk, geloven alleen.

216 Nu, kunt u het op deze manier zingen: "Nu geloof ik, precies nu geloof ik het"? Doet u het? Steek uw hand op en zeg: "Ik geloof het werkelijk." "Deze tekenen zullen degenen volgen die geloven!"

Alles is mogelijk, nu geloof ik;
O, nu geloof ik, nu geloof ik,
Alles is mogelijk, nu geloof ik.

217 Ik herinner mij dat ik enige tijd geleden, ongeveer vijftien jaar geleden, op een avond naar een ziekenhuis geroepen werd voor een jongen die stervende was aan zwarte difterie. Er was... het ging slecht met zijn hart. En de vader bleef naar de samenkomst komen om mij ertoe over te halen voor de jongen te bidden. En de jongen was ongeveer vijftien, zestien jaar oud. En ik had het eenvoudig zo druk, dat ik het niet kon doen. En ten slotte... . Als – als – als je het voor de ene doet, dan moet je het voor de andere ook doen, weet u. De vader bleef er dus gewoon aan vasthouden, wachtend tot de tijd kwam. Tenslotte, op een avond na de dienst, ging ik naar het ziekenhuis. Wel, de dokter zei mij dat ik niet kon binnengaan. Hij zei: "Want de jongen heeft difterie en u bent een gehuwd man, en u kunt niet naar binnen gaan want dan zou u besmet kunnen raken."

218 Wel, ik vroeg hem: "Laat mij alstublieft naar binnen gaan." De man was Katholiek.

     En ik zei, ik zei: "Bent u een Christen?"

     Hij zei: "Ik ben Katholiek."

219 Ik zei: "Als hier een priester stond en probeerde de laatste rituelen van de kerk voor de jongen uit te voeren, zou u dat accepteren?"

220 Hij zei: "Dat is anders. Dat is een priester. U bent een gehuwd man."

     Ik zei: "Als ik een papier teken, alle verantwoordelijkheid neem?"

     Hij zei: "Ik kan het niet doen, meneer."

221 En ik zei: "Alstublieft." Ik zei dit: "Ik beteken voor die mensen net zoveel als een priester voor u zou betekenen."

222 Ten slotte kleedde hij mij aan als een Ku Klux Klanner met al dat witte spul en nam mij mee naar binnen, en ik ging naar de jongen toe. Hij was gedurende twee of drie dagen buiten bewustzijn geweest. Zijn hart klopte nauwelijks nog. Ik ben vergeten wat de ademhaling was; heel zwak, zijn hart klopte nauwelijks nog. En de oude vader en moeder stonden daar.

223 En ik knielde even neer, en slechts een eenvoudig klein gebed, legde de handen op hem; ik zei: "Here Jezus..." Ik gebruikte deze Schriftplaats. "U zei: 'Deze tekenen zullen degenen volgen die geloven.' Hier zijn de vader en de moeder. Zij zouden niet volhardend en vasthoudend bij mij geweest zijn dat ik mijn handen op deze jongen zou leggen, als het niet geweest was dat zij het geloofden. En, Here, ik zou hier niet willen komen als een schijnvertoning. Ik geloof dat wat ik heb gezegd en onderwezen de waarheid is." En ik zei: "Ik zegen de kleine jongen in de Naam van Jezus Christus; laat hem leven."

224 En toen ik opstond, begonnen de oude vader en moeder elkaar te omhelzen en hij zei: "Is het niet wonderbaar, moeder! Is het niet wonderbaar!" De jongen was geen spatje veranderd, lag daar gewoon. En ik – ik keek naar hen.

225 En de kleine verpleegster die daar stond, zij was een speciale verpleegster, gediplomeerd, en zij stond daar op de jongen te letten. En zij zei tegen de moeder, ze zei: "Hoe kunt u zo handelen, terwijl u weet dat uw zoon stervende is?"

226 En de oude vader, hij was zo ongeveer achtenvijftig, zestig jaar oud, vermoed ik, hij legde zijn handen op haar schouders zoals een oude papa dat zou doen. Hij zei: "Kind," zei hij, "die jongen is niet stervende", zei hij.

227 "Meneer," zei ze – ik weet niet wat dit was, een soort cardiogram of zoiets – ze zei: "zijn ademhaling is zo zwak geworden, en van deze ziekte heeft men nog nooit in de geschiedenis gehoord dat men er ooit weer uit terugkomt, als het ooit in deze toestand is geraakt."

228 En de oude patriarch veegde zijn ogen af en keek naar haar. Ik zal dit nooit vergeten. Hij zei: "Lieverd, jij kijkt naar een grafiek. Daar heb je voor geleerd om naar te kijken. Ik kijk naar een belofte die God deed: 'Zij leggen handen op de zieken en zij zullen herstellen.'" De jongen is gehuwd en heeft drie kinderen en is een zendeling in Afrika. Het hangt er vanaf waar u naar kijkt.

229 Nu, er zijn misschien sommigen hier, die hier zijn gekomen, die geen gebedskaart hebben gekregen. Ik vroeg er mijn zoon daar naar. Hij zei: "Er is geen twijfel aan dat er daar achteraan heel wat zijn, papa, die geen gebedskaart hebben gekregen."

230 Hoeveel gelovigen zijn er hier dan? Steek uw handen omhoog. Wilt u dit doen terwijl wij zingen Nu geloof ik? Nu, God was goed voor u. Wilt u niet, als een gelovige... Het maakt niets uit wiens handen het zijn, zolang het maar een gelovige is. Zie? Wilt u gewoon de handen op elkaar leggen en wij zullen samen dit lied zingen, Nu geloof ik. En totdat ik u ontmoet, God zij met u!

Nu geloof ik, (dat is juist, leg uw handen op iemand bij u) nu geloof ik,
Alles (ongeacht wat er verkeerd is, alles is mogelijk) is moge-... (In Jezus' Naam, zegen dezen.)
Nu geloof ik, o, nu... ("Nu, ik maak er geen grapje van. Nee, dit, nu doe ik het.")
Alles is mogelijk, o, nu geloof ik.

231 Nu, allen die het geloven, steek uw handen zo omhoog: "Ik geloof het nu." God zegene u.

Tot wij elkaar ontmoeten!... ontmoeten!
Tot wij elkaar aan Jezus' voeten ontmoeten; tot wij elkaar ontmoeten!
Tot wij elkaar ontmoeten! Tot wij elkaar ontmoeten!
God zij met u tot wij elkaar weer ontmoeten!

     Nu met onze hoofden gebogen.

Tot wij...

232 Moge God met u zijn, waarlijk de dreigende golven van de dood voor u neerslaan en u van overwinning naar overwinning meevoeren. Mogen onze lichamen op een dag veranderd worden en gelijk gemaakt aan Zijn eigen verheerlijkt lichaam, waar wij niet meer voor de zieken zullen bidden. Tot dan, moge God met u zijn, tot wij elkaar ontmoeten. [Broeder Branham neuriet – Vert]

Tot wij elkaar ontmoeten!
God zij met u tot wij elkaar weer ontmoeten!

233 Nu, laten wij onze hoofden buigen voor het slotgebed. Wie gaat er bidden? [Iemand zegt: "Broeder Gibson." – Vert] Broeder Gibson nu, terwijl wij onze hoofden gebogen houden.

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
E-BookPrint
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
English (Engels)