Het Paaszegel
Door William Marrion Branham1 Het is zeker een voorrecht om hier vanmorgen, op deze verjaardag van de Volle Evangelie Zakenlieden, afdeling Phoenix, te zijn en te weten dat de Here mij een kleine rol toebedeelde, om een deel van deze gemeenschap te zijn. Ik wil broeder Carl Williams en zijn vrouw, broeder Stromei en de overigen hier op het podium – broeder Shore, broeder Outlaw, predikers, en u allen, fijne mensen, groeten.
2 Weet u, ik was de vorige week ook jarig, en ik ben maar een klein beetje ouder dan deze afdeling. Ik geloof dat hij zei dat de afdeling vijf jaar oud was.
Iemand zei onlangs: "Hoe oud bent u, broeder Branham?" Ik zei: "Zesentwintig. Ik heb de eerste vijfentwintig jaar uitgewist. Ik diende Hem toen niet zo goed." Ik zei: "Ik hoop dat Hij het ook doet." Om Hem het te laten doen zal wat anders zijn, maar het is goed om hier te zijn.
3 Wij willen niet teveel van uw tijd nemen, omdat ik dikwijls bang ben, nadat ik enige van deze fijne getuigenissen en dingen die er gebeuren en liederen heb gehoord, dat ik iets zal doen dat het in de war stuurt. Ik zou er iets aan toe willen voegen, als er iets is, dat ik er aan toe zou kunnen voegen.
4 Het lied dat die gekleurde broeder vanmorgen zong, waardeerde ik zeer. "Zijn oog is op het musje." Deze zusters, die dit lied zongen – dat is één van de dingen geweest die mij geholpen heeft sinds ik hier de eerste maal was. Ik had het op een plaat en ik heb hem helemaal stukgedraaid: "Ik zou er graag met Hem over willen spreken." Ik vroeg broeder Dawson Riley, mijn vriend, of hij – of enigen van hen – aan deze dames, als zij hier nog op aarde zijn, zou willen vragen om het vanmorgen nog eens te zingen. Ik hoop dat Terry het heeft opgenomen.
Ik veronderstel van wel. Ik zou het willen overnemen of misschien opnemen op een band of zoiets, omdat ik werkelijk van dat lied houd. Dat is mijn wens; er met Hem over te spreken. Ik geloof dat wij dat allen willen. Daarom zijn wij hier vanmorgen.
5 Nu, wat de samenkomsten van volgende week betreft – Is het in orde om het te noemen? – Ik moet in de komende week in de tabernakel zijn, aanstaande zondag voor Paasdiensten, zaterdagavond, zondag en zondagavond. En dan ga ik terug naar Californië. U allen uit de omgeving van Californië: wij zullen zeker blij zijn u daar in de samenkomst te hebben. Ik denk dat Billy de verkeerde advertentie heeft weggestuurd. Hij zei dat het in het Biltmore hotel zou zijn. Ik dacht dat het zo was, maar zij konden het niet krijgen; het zal nu in het Embassy hotel zijn. Elk van de Volle Evangelie mensen daar zal het u laten weten, als u daar in de buurt bent.
6 Als wij dan vandaar terugkomen ga ik naar Zuid Afrika. Vandaag over een maand vertrekken wij naar Zuid Afrika, een grote tijd in de Here verwachtend met ongeveer drie volkeren daar. Wij vragen zeker om uw gebeden. Waarschijnlijk zullen wij u niet eerder kunnen ontmoeten totdat ik terug ben, als de Here voor ons voorziet om te gaan. Ik hoop dat wij een groots verslag voor u hebben als wij terugkomen.
7 De vorige keer toen we daar waren, heeft de Here mij, geloof ik, de grootste samenkomst gegeven die ik ooit heb gehad. Op één keer, bij een oproep tot overgave – nu dit is zonder de blanke bevolking – waren er, voor zover ik weet, dertigduizend in één keer die Christus aannamen. Wij dachten dat zij misschien lichamelijke genezing bedoelden, omdat er ongeveer vijfentwintigduizend genezen waren in één keer. En de volgende dag zei de burgemeester van Durban, Sydney Smith: "Ga naar uw raam en zie wat daar op straat aankomt." En daar kwam vrachtauto na vrachtauto, met opgestapelde krukken en zo – gewoon opgestapeld. Zij reden achter de inboorlingen (die met elkaar in oorlog waren), de straat van die stad door, terwijl zij in hun moedertaal zongen: "Geloven alleen." Ik zal u vertellen dat mijn hart ontroerd was. Als je zoiets ziet, laat dat je zien dat je werk niet tevergeefs is. Ziet u, je probeerde het.
8 Ik hoop dat God dat nog eens herhalen zal. Niet omdat wíj daarheen gaan, maar omdat wij uitzien naar de komst van de Here. Zoals de liederen zeggen: Wij zoeken naar dat laatste verloren schaap. Hij zal niet komen, voordat dat schaap binnen is. Ieder moet in de schaapskooi zijn. Hij zal de deur niet sluiten, voordat die laatste binnen is.
9 Dus broeders predikers, ik sta zeker achter u vanmorgen om te proberen dat laatste schaap te zoeken. Het zou vanmorgen in Phoenix kunnen zijn. Ik weet het niet, maar wanneer de laatste binnenkomt, dan zal de Herder de deur sluiten. [Iemand spreekt tot broeder Branham en de samenkomst – Vert] Dat is volmaakt in orde...?...
10 Ik niet. Ik moet tegenwoordig opschrijven wat ik wil gaan zeggen. Naarmate ik ouder word, vind ik het moeilijker om mij dingen te herinneren; ik schrijf mijn Schriftgedeelten op, enzovoort. Het was vroeger zo, dat ik wel vijftig Schriftgedeelten in mijn geheugen kon hebben en zelfs niet... ik werkte ze gewoon af, maar sinds die dagen heb ik heel wat harde mijlen afgelegd.
11 Wij zien uit naar de komst van de Here. De Here zegene u allen. Je komt hier op en je denkt... Je zit daar en hoort deze mensen getuigen, en je denkt: "Nu, als ik daar sta, ga ik daar iets over zeggen." En er valt zoveel te zeggen, dat je wel de hele dag zou kunnen spreken. Maar ik waardeer u allen zeker. Moge deze kleine afdeling gewoon blijven groeien. Moge iedere gemeente in Phoenix blijven groeien, totdat Jezus komt. Dat is mijn innig gebed. Nu, dat ontspant ons een beetje. Laten wij gaan staan terwijl wij bidden.
12 Almachtige God, de Vader van onze Here Jezus Christus, die Hem opwekte uit de dood en Hem ons gegeven heeft als een offerande, de Here en Heiland. Wij zijn U zo dankbaar voor dit voorrecht, dat wij vanmorgen hebben om in Uw tegenwoordigheid te staan met Uw volk dat verlost is; en we zien uit naar Zijn heerlijke tweede komst om ons door Hem te laten ontvangen.
Als er enige zonde onder ons is, Here, reinig ons met Uw hysop. En wij bidden, hemelse Vader, dat U iedere zieke persoon in ons midden wilt genezen. En als er toevallig zouden zijn die U niet kennen – en deze grote doop met de Heilige Geest waar wij zo vurig voor strijden, zeggend dat het volgens de Schriften voor deze laatste dagen een noodzakelijkheid is – bidden wij, God, dat Hij vandaag op ons allen zal vallen en ons opnieuw zal dopen in het lichaam, en hen die nog buiten staan ook binnen zal brengen, Vader.
Zegen ons als wij Uw Woord lezen en trachten datgene te spreken wat de waarheid van Uw Woord is. Sluit onze mond voor wat niet waar is en open onze harten en monden voor datgene wat waarheid is, als wij onszelf aan U toevertrouwen. Gebruik onze monden om te spreken en onze harten om te ontvangen. Want wij vragen het in de Naam van Jezus, die het zo beschikt heeft. Amen.
13 Ik zou uit het Heilig Woord, drie plaatsen in de Bijbel willen lezen. Als u deze zou willen aantekenen... en u zou ze door willen lezen voor verdere informatie, zal ik blij zijn als u de teksten die ik ga lezen, opschrijft. Het is Mattheüs 28:1–10, en dan Openbaring 1:17 en 18, en Romeinen 8:11. Mag ik ze herhalen? Nu, Mattheüs 28:1–10, Openbaring 1:17 en 18 en Romeinen 8:11.
14 Wij naderen nu Pasen, en terwijl u uw Schriftplaatsen hebt opgeschreven, geloof ik dat deze komende week de meest... de grootste historische week is van alle weken van het jaar. Ik geloof dat het de grootste zaak is die wij deze week of de komende week zullen vieren; de grootste gebeurtenis die ooit op aarde plaatsvond. Ik denk niet dat iets deze zou kunnen overtreffen. U zegt: "Wel, de kruisiging." Die was geweldig, maar menig mens is gestorven. Menig mens is gekruisigd, zelfs in dezelfde dagen van onze Here. Maar er was er maar Eén onder hen die opstond uit de dood. Dat verzegelde het.
15 Nu wil ik lezen. Dit is een soort kleine vóór-Paasboodschap, van ongeveer veertig minuten, zo de Here wil. Laten we nu lezen uit het Mattheüs Evangelie, hoofdstuk 28.
En laat na de sabbat, toen het begon te lichten, tegen de eerste dag der week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien.
En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, neerdalende uit de hemel, kwam toe, en wentelde de steen af van de deur, en zat daarop.
En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw.
En uit vrees voor hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden.
Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gij niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.
En gaat haastig heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het u gezegd.
En haastig uitgaande van het graf, met vrees en grote blijdschap, liepen zij heen om het Zijn discipelen te boodschappen.
En toen zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, Jezus is hun ontmoet, zeggende: Weest gegroet! En zij, tot Hem komende, grepen Zijn voeten, en aanbaden Hem.
Toen zeide Jezus tot hen: Vreest niet; gaat heen, boodschapt Mijn broeders, dat zij heengaan naar Galilea, en aldaar zullen zij Mij zien.
16 In Openbaring, het eerste hoofdstuk, de verzen 17 en 18:
En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste;
En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood.
17 In het boek der Romeinen, het achtste hoofdstuk en te beginnen met het elfde vers:
En indien de Geest van Hem, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont.
Ik vertrouw dat de Here Jezus Zijn zegeningen zal voegen bij het lezen van deze woorden.
18 Aangezien Pasen... ik heb het in mijn eigen hart bestempeld tot de grootste samenkomst of gebeurtenis van het jaar... (Ik wil u vragen mij even te verontschuldigen. Galmt dit niet enigszins voor u, een beetje lawaaiig? Is het in orde? Kunt u me zo goed horen? U kunt het niet horen. Is dit beter? Zo is het goed. Ik was... wilde er niet te dichtbij komen.) Nu, ik zeg dit, omdat Hij met Pasen bewees wat de Bijbel had gezegd. Heel de Schrift die geschreven had wat Hij zou doen, verzegelde Hem als Messias, toen Hij opstond uit de dood. Het Paaszegel.
19 Wij hebben er vandaag zoveel van. Wij spreken over het kopen van Paaszegels. Wel, ik wil vanmorgen spreken over het Paaszegel.
Het is een ander zegel dan wij met ons geld kopen als zegel om op een brief te plakken, naar ik meen voor de tuberculose vereniging, of hoe zij dat noemen. Ik geloof dat dit zegel een beetje anders is. En daar Pasen voor ons als Christenen, die beweren Gods kinderen te zijn, dé grote dag van het jaar is, wil ik proberen er dieper op in te gaan om te zien hoe wij deelgenoot zouden kunnen worden van deze grote zaak, die Christus voor ons deed.
20 Het Woord van God werd vele, vele honderden jaren vóór Zijn komst gesproken; over Zijn kruisiging, Zijn dood, Zijn lijden en ook over Zijn opstanding. Wij zullen het misschien volgende week in de diensten doornemen als wij luisteren naar onze radio-programma's; en dan in onze gemeenten, met onze voorgangers, enzovoort, deze komende week. Maar van al de dagen en van al de dingen, die Jezus deed... en zeker al de bevestigingen van Gods Woord waarderend, en wat Hij deed om het te vervullen: het genezen van de zieken, het opwekken van de doden, het uitwerpen van duivelen, het prediken van het Evangelie aan de armen en het vervullen van ieder Woord dat God had gesproken, wat Hij zou doen als Hij kwam; en dan ook het lijden voor onze zonden in onze plaats, om aan het kruis de verzoening van onze zonden te worden, wat niemand anders dan Hij zou hebben kunnen doen.
21 Maar boven dit alles, geloof ik, dat Pasen de hele zaak bezegelde, omdat er profeten op aarde waren geweest, die vóór Hem geprofeteerd hadden. Er waren profeten op aarde geweest die de zieken hadden genezen, zelfs de doden hadden opgewekt en dezelfde tekenen hadden gedaan als die Jezus deed, maar Pasen bewees het.
22 Het bezegelde voor altijd het Woord van God voor de ware gelovige. Alle duisternis en twijfel werden vernietigd op die zegenrijke morgen. De mens was als het ware opgesloten geweest in een huis van bewaring, zelfs wat godsdienstige mensen vóór deze dagen betreft, omdat zij grote godsdienstige bewegingen hadden gezien, gedreven van de Heilige Geest, enzovoort; maar wanneer een mens stierf, scheen het daarmee afgedaan. Maar toen deze Ene kwam en zei: "Ik heb macht om Mijn leven af te leggen en Ik heb macht het weer op te nemen" en toen bewees wat Hij zei, is dat voor mij het zegel ervan – als iets gezegd wordt en daarna nog eens bewezen wordt.
23 Als iemand zei... Zoals Columbus, die geloofde dat de wereld rond was. Hij lette op de schepen (naar men ons vertelt), wanneer zij binnenkwamen en hij de mast kon zien ver voordat hij het schip kon zien. Dat was voor hem het bewijs dat de wereld rond was. De mensen in die dagen geloofden het niet, maar hij was een man met een visie. Hij zeilde uit om nauwkeurig datgene te bewijzen, waarvan hij als visie had dat het de waarheid was. God was van plan te bewijzen dat Zijn Woord de waarheid is. Er was maar één Man die dat zou kunnen doen en dat was Jezus; en Hij kwam en bewees dat het de waarheid was.
24 Dat bezegelde het. Dat verbrak al de zegels van duisternis en verdreef al het bijgeloof van andere godsdiensten, waar grote mannen waren opgestaan en grote en wonderbare dingen gezegd hadden. Ieder van hen ligt echter in het graf. Maar onze Christelijke godsdienst is de enige die het lege graf heeft. Dat bewijst mij dat Hij de God is van de doden en de God van de levenden. Hij kan de doden weer tot het leven terug opwekken. Deze levendmakende kracht, deze levendmakende Geest van Hem heeft door de jaren heen bewezen dat Hij Degene is, Die de doden weer tot leven kan opwekken.
25 Toen Hij door Zijn belofte deze grote overwinningskracht die Hij op Pasen had bewees, bewees Hij dat Hij de dood, hel en graf kon overwinnen. "Ik ben dood geweest en Ik ben levend in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van dood, hel en graf." Wat een bewering voor iemand om uit te spreken! Hij zei het niet alleen, maar Hij had reeds bewezen dat Hij had, wat Hij beweerde te hebben.
26 Ik denk dat "God de dag verhaast" wanneer wij als Christenen, die deze Bijbel geloven, kunnen bewijzen waar wij over spreken. Dat maakt het zout der aarde uit, zoals de zuster een poosje geleden zei. Zo is het, de wereld ziet uit naar dit zout. Als wij door ons leven en door de Bijbel kunnen bewijzen, dat ons leven betuigt dat dit Woord vandaag levend is, is dàt de dag waar wij naar uitzien.
27 Het Woord – deze Geest. Romeinen 8:11 zegt: "En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij ook uw sterfelijk lichaam levend maken." Niet alleen bewees Hij ons, dat Hij Jehova-Verlosser was en macht over de dood, hel en graf had, maar Hij heeft ons ook toegang gegeven tot dezelfde Geest, zodat wij zelf de verzekering kunnen hebben dat wij ook door die Geest levend zijn gemaakt. Want de Geest die Jezus uit de doden deed opstaan, woont in uw lichaam. Hij zal ook uw sterfelijk lichaam levend maken.
28 Nu, het Engelse woord "quicken" betekent: levend gemaakt worden na de dood. Nadat het dood is, wordt het weer levend gemaakt.
29 De wereld is gedurende vele eeuwen opgesloten geweest in twijfel, totdat dit bewezen werd. Niet alleen werd erover gesproken, maar het werd bewezen. Ik denk dat alles wat de moeite waard is...
30 Als Jezus zei: "Gaat daarom heen en predikt aan alle volkeren en geeft hun het bewijs door de kracht van God aan hen te demonstreren. Deze tekenen zullen hen volgen die geloven." Hen, aan wie het beloofd is en die zeggen dat zij geloven. Hij gaf er een duidelijk omschreven begrip van, dat "deze tekenen zouden volgen hen, die geloven." Het zou het bewijs zijn van hun getuigenis.
31 Nu, wij kunnen zeggen: "Wij geloven", maar totdat wij het bewezen teken hebben, waarvan Hij gezegd had dat het op ons zou zijn, belijden wij slechts gelovigen te zijn en zijn wij geen gelovigen die het bezitten.
32 Want herinner u... Een paar dagen geleden luisterde ik naar een radio-programma in Tucson, en deze prediker nam een standpunt in, tegengesteld aan het onze, namelijk dat de Pinkster-godsdienst niets anders was dan slechts een schijnvertoning, niet om er naar te luisteren, onbestendig. En hij zei: "Ieder die in tongen spreekt en dergelijke en beweert de zieken door gebed te genezen, enzovoort, spoor ik aan om er bij vandaan te gaan en te bidden voor deze, arme, vervallen mensen, want zij verkeren in een dwaling; er is iets fout met hen." O, wat zou ik graag een poosje met die broeder hebben gesproken!
33 Hij zei dat dit alleen de apostelen gegeven was op de dag van Pinksteren en dat was alles. Ik ontdek dat dertig jaar later Paulus deze gaven in de gemeente (1 Korinthe 15) verordineerde. Hij stelde vast dat in de gemeente de gave van het spreken in tongen, het verrichten van wonderwerken, en al deze andere gaven aanwezig waren. Deze waren geplaatst in de gemeente.
34 Jezus zei: "Gaat heen in de hele wereld en predikt het Evangelie aan alle schepselen."
"Hoever?" De gehele wereld.
"Aan wie?" Elk schepsel. Zij hebben het nog nooit allen ontvangen.
"En deze tekenen zullen hen volgen die geloven."
"Hoe lang?" Heel de wereld.
"Aan wie?" Elk schepsel. Deze tekenen zullen hen volgen in de gehele wereld en aan elk schepsel. Deze tekenen zullen hen volgen.
"In Mijn Naam zullen zij duivels uitwerpen, spreken met nieuwe tongen. Als zij iets dodelijks of een slang hebben opgenomen, of iets dodelijks drinken, zal het hun niet schaden. Zij zullen hun handen op de zieken leggen en zij zullen genezen." Dat was Zijn laatste opdracht aan de gemeente. (Markus 16.)
35 Paulus, die deze gaven dertig jaar later in de gemeente ordineerde, zei in Galaten 1:8: "Indien een engel uit de hemel u een ander evangelie predikt dan hetgeen al ontvangen is (al gepredikt is), die zij vervloekt."
36 Ik geloof dat Pinksteren begon, zonder een einde te hebben. Ik geloof dat het moet zijn voor elk schepsel, alle tijden en alle plaatsen. Pinksteren behoorde altijd te blijven. De Pinksterzegeningen behoorden op de mensen te zijn.
37 Nu, wat is deze Pinksterzegen? Het is een bevestiging van de opstanding.
38 Geen wonder dat het evangelie zelf betekent "goed nieuws". Goed nieuws waarvan? Hij is opgestaan uit de dood! "En omdat Ik leef, leeft gij ook." U, die eens dood was in zonden en misdaden, heeft God tezamen door die Geest, die Jezus Christus uit de dood opwekte, levend gemaakt. En wij zitten nu in hemelse gewesten met Hem, gemeenschap hebbend met Hem, sprekend met Hem. Wat een vreugde om de mensen die geloven dat het de waarheid is, dat verhaal te vertellen!
39 Ik vraag mij vandaag af wat er gebeurt. Brengen wij de mensen werkelijk tot God of brengen wij ze slechts tot de gemeente? Wij moeten hen tot Christus brengen, dáár is een levendmakende kracht. Het is goed om naar de gemeente te gaan, zeker. Maar als wij slechts tot zover gaan, gaan wij niet ver genoeg. Als u naar de gemeente komt, is dat goed, maar ga vanuit de gemeente door naar Christus, omdat wij deze levendmakende kracht moeten ontvangen, als wij ooit verwachten in die algemene opstanding te zijn, omdat dat het enige is dat ons ooit uit de dood zal halen. "Want als deze Geest die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zal Hij ook uw sterfelijk lichaam tot leven brengen – levend maken." Wat een belofte!
40 Let op, het wezen van deze opstanding is om te vertellen, te tonen en te bewijzen, dat Jezus opstond uit de dood. Hij is niet dood, Hij leeft. Hij leeft hier. Hij is in ons. "Ik zal met u zijn, ja in u. Een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer. Toch zult gij Mij zien, want Ik zal met u zijn, ja in u, tot aan het einde der wereld."
41 Nu, als Christenen beweren wij allen dat Hij leeft, want wij zijn opgewekt uit de dood in het leven door Zijn Geest. Als wij niet opgewekt zijn, dan zijn wij niet levend gemaakt.
42 Wij gaan nu op dit onderwerp in, zo de Here wil, en zullen enkele momenten onderwijzen – hoe wij levendgemaakt worden en of wij er zeker van kunnen zijn, dat dit de waarheid is.
43 Nu, dit is uw eigen leven. Dit is mijn leven. Het is waar die...
Als dit wat ik wil gaan zeggen niet de waarheid is, dan ben ik één van de meest dwaze mensen ter wereld. Ik heb dan mijn leven gegeven voor iets wat niet waar is en u ook. Maar als dit de waarheid is, dan ben ik alles wat ik ben schuldig. Ik ben alles schuldig wat ik zou kunnen zijn voor de zaak waarvoor wij staan. Ik geloof dat wij ons enthousiasme niet moeten verliezen.
44 Als wij Pasen zien naderen, doet het gewoon iets diep binnenin mij, daar ik weet dat dit de dag is waarop de zaak voor altijd verzegeld werd in de ogen van God.
45 Wij merken op dat de Geest die in ons woont, dezelfde Geest is die Hem uit het graf deed opstaan. Hoe zou dat nu mogelijk zijn – dat de Geest die God, Jezus, uit de dood opwekte in ons woont? Het is de Geest die levend maakt. Het is niet het Woord dat levend maakt, het is de Geest die het Woord levend maakt of het Woord leven geeft, het vleugels geeft om te vliegen, het toegang verschaft. Het is de Geest die dat doet.
46 Nu, de tarwe op zichzelf is gewoon tarwe, maar als het opwekkende leven erin komt, in de tarwe, dan geeft het leven. En wij, die eens dood waren, gemaakt naar het beeld van God, en toch dood in zonde en overtreding – God moest op een of andere wijze dat opwekkende leven in ons sterfelijk lichaam brengen.
47 Ik spreek nu over uw lichaam. Jezus was het Woord. U gelooft dat toch? Johannes 1: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God. En het Woord werd vlees gemaakt en woonde onder ons."
48 Als de beloofde Messias maakte Hij elk Woord levend, waarvan geprofeteerd was dat Hij het zou doen; Hij genas de zieken en hoe Hij uit een maagd geboren zou worden – Hij maakt dat alles waar. Hij was het hier op aarde gemanifesteerde Woord, maar Hij kon dit niet gewoon als mens doen. Daar was de Geest voor nodig, die in Hem woonde, om deze beloften aan Hem levend te maken.
49 Ik hoop dat dit ons nu heel duidelijk zal zijn. Jezus Zelf Mens zijnde – het lichaam – maar er was de Geest in Hem voor nodig – de Geest. "Ik doe de werken niet, het is Mijn Vader die in Mij woont. Hij is Degene die het werk doet." Jezus Zelf was het Woord, omdat Hij was... voordat God... Dit is een slecht woord om te gebruiken, maar ik hoop dat u als schare het juist zult verstaan, maar Hij was voorbestemd door de voorkennis van God – hoe Gods plan moest zijn, dat Hij een Verlosser zou zenden, en deze Verlosser kon alleen maar Zijn eigen Zoon zijn.
50 Zo dan, dat was de hele weg door Gods belofte van de Hof van Eden af, dat Jezus hier zou zijn.
51 Hier was Hij, als een Man geboren uit een maagd. Maar de Geest van God moest dat Woord aan Hem levend maken, en Hij was het levend gemaakte Woord – het Woord, levend gemaakt voor dat uur.
52 De tijd was gekomen dat u een Verlosser moest hebben. De wet had gefaald. Andere dingen hadden gefaald. Nu was er een Verlosser nodig en Hij was de beloofde Verlosser. Hij werd levend gemaakt door het Woord van God.
53 Nu, als diezelfde Geest, die op Hem was om de Verlosser in dat tijdperk te zijn, Die wij aangenomen hebben... Nu, de belofte van wat er in deze laatste dagen zou plaats vinden... als u een deel wordt van dat Woord, bent u met Hem verlost, omdat dezelfde Geest die in Christus woonde, in u woont, uw leven opwekkend voor dit tijdperk, en het zal ook in de eindtijd uw sterfelijke lichamen levend maken, ze opwekken en weer te voorschijn brengen. Dat neemt de duisternis weg, wanneer wij er op die wijze naar kijken, en dat is de waarheid.
54 Hier in Romeinen heeft Paulus het ons bewezen. "Als de Geest, die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zal Hij ook uw sterfelijk lichaam levend maken." Dit is dezelfde Geest die Hem opwekte en de ware gelovige opwekt tot eeuwig leven. De Geest die Jezus opwekte uit de doden, woont in de gelovige, wekt de gelovige op tot eeuwig leven.
55 Er is maar één leven, één eeuwige Geest, één eeuwig leven, en dat is God. God alleen is de Eeuwige. Wij, als zijnde Zijn kinderen, zijn een deel van Hem. Dat wil zeggen, de attributen van Zijn denken. De gedachte wordt uitgedrukt en het wordt een woord. Dan was iedere persoon hier, die dit eeuwig leven bezit, van vóór de grondlegging der wereld in Gods gedachten.
56 Dat is de enige wijze waarop het zou kunnen zijn, omdat u een attribuut bent. Dat is een uitdrukking van een gedachte, dat een woord geworden is, en een woord heeft leven ontvangen en het is eeuwig. Dat is de reden dat wij eeuwig leven hebben. Volgens hetzelfde principe, dat de grote Zoon van God, de Verlosser... Wij worden zonen en dochters van God door diezelfde Geest, door dezelfde voorkennis van God.
57 Kijk naar de miljoenen op aarde, die het niet ontvingen toen Jezus hier was. Maar hoe dankbaar zouden wij vanmorgen moeten zijn, omdat wij weten, dat wij het directe bewijsteken en het Bijbelse bewijs hebben, dat wij ingesloten zijn in die grote komende opstandingsmorgen, dat grote Pasen. Wij hebben het onderpand ervan nu al in onze sterfelijke lichamen. De uitverkorenen zijn natuurlijk de eersten om levend gemaakt te worden, als de Heilige Geest komt om de Zijnen op te eisen.
58 Nu, dat is een sterke bewering; en ik wil, dat mijn predikerbroeders proberen dit te verstaan. In den beginne, God, de grote Geest... Hij was toen zelfs geen God. Hij was de Eeuwige. "God" is een voorwerp van aanbidding. Hij had niets om Hem te aanbidden. Er waren geen engelen, niets, gewoon God alleen. Hij alleen is eeuwig. Maar om God te zijn, moest er iets zijn om Hem te aanbidden. Dus schiep Hij engelen, wezens, cherubijnen, enzovoort, om Hem te aanbidden. Zijn grote plan begon zich te ontvouwen.
59 Maar bedenk dat u in de gedaante waarin u vanmorgen bent... als u toen niet in Zijn gedachten was, bent u het nu ook niet. Er is het een of ander deel in u dat eeuwig is en eeuwig behoort alleen bij God.
60 In Gods gedachten zat u precies waar u nu bent. In Zijn gedachten stond ik achter deze lessenaar deze morgen, omdat Hij oneindig is en alle dingen weet. Daarom kon Hij het eind van het begin vertellen, omdat Hij eeuwig is. En u, daar u een zoon of een dochter van God bent, was toen bij het begin in Zijn gedachten.
61 Toen de Heilige Geest kwam... u bent op aarde, rondlopend hier als zondaar en daar heel diep in uw leven is iets. U weet niet wat er gebeurt, maar u hebt honger.
62 Ik hoorde de Presbyteraanse broeder, ik hoorde de Baptist, sprekend over... daarginds. Hij was een 'Vrije wil'- Baptist, predikend waar hij kan – mijn medebroeder. Er is iets in u, iets dat u er nooit in plaatste. Het is iets, waarin u niet kon verlangen om te zijn. Het is iets dat tegengesteld aan uw natuur is. Het is de voorkennis van God wat daar plaats vindt.
63 Gods Woord, als Jezus, geboren als Zoon van God om Immanuël te zijn, Gods volle uitdrukking in een mens. Hij vond Hem in volmaakte gehoorzaamheid daar aan de rivier de Jordaan, toen Hij door die profeet gedoopt werd. Zodra Hij hem gehoorzaamde en het water uitliep, openden de hemelen zich voor Johannes, en hij zag de Heilige Geest neerdalen uit de hemel, zeggende: "Dit is Mijn geliefde Zoon." Volmaakte gehoorzaamheid. De Geest had het uitgezocht – in gehoorzaamheid.
64 O, eigenzinnige man of vrouw vanmorgen, als u hier zit, en er is iets in u dat u vertelt dat dit juist is, dan is het de Heilige Geest, die u uitzoekt om u tot de kennis der waarheid van dit uur, waarin wij nu leven, te brengen. Niet het een of ander uur dat voorbij is, het uur van nu.
65 Er waren daar duizenden die het voorbijgegane uur gehoorzaamden, maar er was een uur van de tegenwoordige tijd. Dat was het uur waarop Jezus moest verschijnen, en daar stond het Woord. Daar stonden de mensen, en hier vond een manifestatie van God plaats om te bevestigen dat dit de waarheid was. Als Pinkstermensen vandaag, laat mij dit zeggen: "Wij staan in deze laatste dagen, waarin God beloofde Zijn Geest te zullen uitstorten op alle vlees en Zijn zonen en dochters zouden profeteren... want deze tekenen zullen hen volgen die geloven." Dìt is het uur. Dat maakt die schepping in u.
66 Zoals ik hier niet lang geleden sprak (het klonk een beetje heiligschennend, maar ik hoop niet voor u vanmorgen) over de boer die de kip op een arendsei zette. Velen van u herinneren zich het verhaal van de hen die dit ei van de arend uitbroedde onder haar kippenvleugels. Zie, het is de atmosfeer. De Presbyteriaanse kerk, de Methodisten kerk, de Baptisten kerk – ieder van hen kan deze arenden voortbrengen. Zeker, het is de atmosfeer die het doet. Zoals broeder Bosworth placht te zeggen: u kunt een kippenei nemen en het onder een hondje plaatsen en het vastbinden, dan zou een hond een kuiken uitbroeden. Waarom? Het is de atmosfeer. Als de een of andere kerk of groep zou samenkomen en bidden totdat zij hun belijdenissen, enzovoort, zouden wegwerpen en recht in het aangezicht van God zouden zien, dan zouden er arenden uitkomen, zo zeker als ik hier sta.
67 Dat heeft, naar ik geloof, deze groep zakenlieden gedaan, proberend de atmosfeer open te breken. Wij vormen teveel kliekjes. De een behoort tot dit of dat. Laten wij de atmosfeer openbreken en de atmosfeer brengen tot een hemelse aanbidding. Krijg de atmosfeer juist.
68 Arenden zullen uit elke kerk, overal, geboren worden. En deze kleine arend liep een lange tijd met de hen mee, maar het klokken was een beetje vreemd. Hij begreep niet wat de hen bedoelde als zij op het erf krabde in het afval van de mesthoop. Dat was geen voedsel voor hem. Zij at torren, enzovoort, die een arend niet eet; dus scheen het hem vreemd toe. Hij was een lelijk eendje. Hij was een – ik zeg dit niet heiligschennend – misschien was hij een Freewill Baptist... iets in die orde, of een Presbyteriaan.
69 Maar weet u, op zekere dag wist zijn moeder dat zij een ei had gelegd. Ergens moest dit toch tot klaarheid komen. Dus wierp zij haar grote vleugels in de wind, en zij zocht, en zij zocht, schreeuwend zo hard als zij kon. Op zekere dag vloog zij over het erf. Toen deze kleine arend deze vertrouwde schreeuw hoorde – hij had haar nooit eerder gehoord, maar hij besefte, dat het hem paste als een handschoen over een hand – hij wist dat dit zijn moeder was. Zij wist dat dit haar zoon was. Zij keek naar hem uit.
70 Zo heeft God in ieder tijdperk Zijn gemeente voor dat tijdperk verordineerd – een boodschap voor dat tijdperk. Zij mochten wetten hebben en alles wat ze maar wilden, maar wanneer dat uur komt, jaagt de Heilige Geest van God die in het begin dacht en uitsprak voor dat tijdperk, naar dat ei. En als hij die boodschap hoort, is er geen kerkdenominatie die hem kan houden. Hij zal omhoog vliegen. Hij moet wel.
71 Hij is een heel andere vogel. Hij is een heel andere schepping. Hij is een arend en hij zal het geschreeuw horen: "Mijn schapen horen Mijn stem." Zoals iemand zei (broeder Williams) "schapenvoedsel". "Mijn schapen horen Mijn stem, een vreemde zullen zij niet volgen."
72 Het doet er niet toe hoe trouw de kerk geweest is, wat voor een grote naam zij heeft, als "Mijn schapen Mijn stem horen" – wat het Woord is – "zullen zij een vreemde niet volgen." Zij zullen regelrecht naar dat Woord gaan, en zij kunnen niet anders. Het is als een magneet.
73 Op zekere dag bezocht ik in Indiana een staalfabriek en de fluit ging. Iedereen deed zijn werkkleding uit en begon zijn draaibank schoon te vegen. En wat er vanaf viel, werd naar het midden van de vloer geveegd, het afval van de hele dag. Ik liep daar met de man die mij rondleidde. Hij zei: "Kijk hier naar." Iedere man legde zijn werkkleding op de tafel en liep weg. Helemaal achterin drukte hij op een kleine knop, en daar kwam een grote magneet aan. Hij pakte elk stukje ijzer op, dat van het werkstuk was overgebleven. Hij ging naar buiten en magnetiseerde het. Hij wierp het in een soort koepel en het werd opnieuw gesmolten voor een ander werkstuk, hetzelfde ding, assen of wat ze ook maakten. Ik stond daar en keek ernaar, totdat ik buiten mijzelf raakte.
74 Ik zei: "Ik vraag mij iets af."
Hij zei: "Wat is er, meneer?"
Ik zei: "Ik merkte op dat sommige deeltjes niet opgenomen werden."
Hij zei: "Die zijn van aluminium, en de magneet trekt aluminium niet aan."
Ik zei: "O zo." Toen zei ik: "Hebt u wel opgemerkt dat daar een stuk ijzer dwars ligt?"
"Maar ziet u, meneer, het was vastgeschroefd."
Ik zei: "Ik begrijp het." Toen hij het eruit nam, zei ik: "Nu, wat gebeurt er daar buiten mee?"
Hij zei: "Het gaat gewoon weer terug in de fabriek, uitgestort in de smeltkroes, en het komt terug en wordt een wiel."
Ik zei: "Prijs de Here!"
75 Dat is het, ziet u. Er zit een grote magneet in de lucht, die God op zekere dag met Zijn vingers zal aanraken. Niemand weet de tijd dat Hij komt, zelfs de engelen in de hemel niet. God alleen weet het. Maar er waren enkele afschrapsels, die van de Bijbel genomen zijn – Bijbel-Christenen, gelovigen voor dit uur. Eén van hen kan misschien een as zijn geweest in vroeger dagen. Of een ander deel misschien. Het gaat door om het grote regime van God te maken, maar het zal gesmolten worden in de pot van Gods grote koepel en weer uitgestort worden naar het beeld van God. Slechts zij, die er door worden aangetrokken zullen worden opgenomen. O, wat een voorrecht is het om te weten dat er iets is in de opstanding dat bij ons behoort!
76 Let nu op, om de roep van Gods Woord te herkennen, dat een deel is van... en het is een arend naar een arend. Als die moeder geschreeuwd zou hebben als een buizerd, zou hij het nooit hebben geweten. Hij zou evengoed gewoon op het boerenerf gebleven zijn. Maar het was de schreeuw van een arend. Er was iets binnenin die kleine makker waardoor hij wist dat hij een arend was; en datzelfde is het geval met iedere ware gelovige.
77 Als de prediking van Gods Woord naar voren komt, en bevestigd en bewezen wordt Gods Woord te zijn voor dit uur, dan is daar iets binnenin de gelovige – het maakt mij niet uit hoe trouw zijn vader aan de kerk was, of hoe trouw zijn moeder was, of zijn grootouders, maar als die kerk leert in strijd met de boodschap van de doop met de Heilige Geest voor dit uur – dan is er in hem iets dat het uitschreeuwt. Hij zal het boerenerf verlaten. Hij moet dat wel doen. De kip mag dan eens goed geweest zijn, maar dit is het uur van de arend. Dit is wat anders. Er is iets dat hij moet verlaten – het oude kippenhok – en wegvliegen in de lucht. Dan wordt dit aardse lichaam levend gemaakt en door de levendmakende Geest tot gehoorzaamheid aan Gods Woord gebracht.
78 Nu, als deze Heilige Geest, voorgesteld als de arenden die over het land vliegen, de gelovige vindt... "Niemand kan tot Mij komen. Niemand kan tot Mij komen, zelfs al wil hij het. Al wat de Vader Mij gegeven heeft, zal tot Mij komen, maar niemand kan uit zichzelf komen." Het is niet uw eigen denken, uw eigen trekken. Het is Gods trekken. "Al wat de Vader Mij gegeven heeft, zal tot Mij komen."
79 De Heilige Geest is hier op aarde, uitziende naar die personen, die God verordineerd heeft tot leven in dit tijdperk, en zodra Hij het vindt, doet het precies hetzelfde als wat het deed op Jezus Christus, de grote Super-Zoon van God, Die ons allen verlost; het komt neer en neemt Zijn intrek in het menselijk leven.
80 Nu, let op, "... bracht de levendmakende kracht." Nu, die levendmakende kracht die op Jezus kwam, wekte Hem op om iedere belofte van het Woord voor die dag te manifesteren. En hetzelfde doet de Heilige Geest, die in deze dag op ons komt. Als het geen schijnvertoning van de Heilige Geest is... u bent niet de duivel die de Heilige Geest nabootst, maar als het de echte, waarachtige Heilige Geest is, zal Hij de belofte voor dit uur manifesteren.
81 Toen het op Luther viel, manifesteerde het de belofte voor dat uur. Toen het op Wesley viel, manifesteerde het de belofte voor dat uur. Als het in deze dag valt, manifesteert het de belofte voor dit uur. Toen het op Mozes viel, manifesteerde het de belofte voor dat uur. Toen het op Noach viel, manifesteerde het de belofte voor dat uur. Toen het op Jezus viel, manifesteerde het de belofte voor dat uur. Ziet u? Het is de Heilige Geest, die neerkomt om levend te maken, levend te maken hen, die door God voorbeschikt zijn om in de opname te zijn. Dat betekent, dat als hij een echte arend is, hij de boodschap van het uur zal begrijpen. Als hij een echte arend is.
82 De kleine arend at op het boerenerf waarschijnlijk wel, maar hij wist dat het niet helemaal goed was. Maar toen hij de waarheid hoorde, ontving hij deze waarheid.
83 In Johannes 5:24 zei Jezus het op deze manier: "Hij die Mijn Woorden hoort en gelooft in Hem die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en zal niet in het oordeel komen, maar is overgegaan van de dood in het leven." Denk gewoon eens na hoe eenvoudig dat is. "Hij die gelooft." Nu, de juiste wijze van zeggen is: "Hij die begrijpt."
84 U gaat hier buiten de straat op en zegt tegen deze publieke vrouw: "Gelooft u?"
"Zeker."
"Gelooft u dat Hij de Zoon van God is?"
"Zeker."
"Bent u gedoopt?"
"Zeker."
U gaat naar de dronkaard en zegt: "Hoorde u dat, hoorde u die prediker dat prediken?"
"Ja."
"Gelooft u dat?"
"Zeker."
Zie, maar hij die begrijpt. Hij die zijn plaats in dit uur kent. "Hij, die Mijn Woord hoort en gelooft in Hem, die Mij gezonden heeft, heeft (tegenwoordige tijd) eeuwig leven... zal niet in het oordeel komen, maar is reeds overgegaan van de dood in het leven."
85 Als dat nieuwe eeuwige leven in u woont, is dit de mogelijkheid of het onderpand, dat u opgewekt zult worden van het sterfelijke tot de onsterfelijkheid. Laat mij dat nog eens zeggen. Als deze Geest u gevonden heeft, het individu, en op u is gekomen, is dat het onderpand van uw eeuwige erfenis, die God u toedacht en voor u maakte vóór de grondlegging der wereld. Dat is uw mogelijkheid. Zoals wanneer u mij een eik zou vragen en ik zou u een eikel geven. Nu, het leven voor de eik is in de eikel. Maar u moet wachten tot hij opgroeit.
86 Zo ook met ons. Als u de Heilige Geest van God ontvangt, is het Gods onderpand dat op u wacht en dat u al herkend heeft, en u bent verzegeld door de Geest van de belofte van God in het lichaam van Christus. Toen God neerzag op Golgotha en Jezus zag sterven, was Hij niet slechts... Hij stierf voor Zijn bruid, het lichaam, hetwelk is de Woord-gemeente – de gemeente, die het Woord van God voor het tijdperk gelooft, of het nu voeten, lichaam, of hoofd is, of waar het ook is.
87 Het is Christus, Die bloedend en stervend was, en God, naar Hem ziende, zag Zijn opstanding, en de gemeente stond met Pasen met Hem op.
88 Ik wil dat u dit alles tezamen krijgt, omdat ik hier iets heb, een kleinigheidje, dat ik wil zeggen, zo de Here wil.
89 Merk op, het is het onderpand of het potentieel – de levendmakende kracht van uw opstanding, als u de Heilige Geest ontvangt – dan woont het in u, het onderpand ervan. U bent nu op weg, groeiend naar de volle opstanding.
90 Geen enkele boom komt op van vandaag op morgen. Hij moet groeien. Wij groeien in de genade en kennis van God. U bent gedoopt in de Heilige Geest. Nu, als de Pinkstergemeente doopt in de Heilige Geest, begint zij te groeien. Twijgen die gestorven zijn snijdt Hij gewoon af, maar de boom groeit nog. Het gaat maar door, omdat het tot een opstanding moet komen.
91 U wordt geleid door de Geest om het Woord aan u, die gelovigen bent, levend te maken. Het Woord blijft levend maken als u komt tot de eerste tak, de tweede tak, de derde tak en zo naar boven. Het blijft gewoon levend maken. De Geest van God blijft het voor u levend maken. Merk op, dat Pinksteren... hun lichamen werden levend gemaakt door het nieuwe leven dat zij ontvingen. Dat maakt dat ik mij echt godsdienstig voel. Denk na.
92 Hier waren mannen – vissers, een belastingambtenaar; nederige, kleine vrouwen – heel gewone huisvrouwen, kleine maagden. Zij waren gelovigen. Zij geloofden dat dit de waarheid was. Zij geloofden, dat toen Jezus stierf zij in Hem geloofden en dat Hij weer opstond uit de doden. Zij geloofden dat dit absoluut het getuigenis van God was, dat Hij hem tot leven opgewekt had.
93 Nu, zij gingen heen op de dag van Pinksteren om hun eigendomsakte te ontvangen. Weet u wat een eigendomsakte is? Dan is een akte geldig geworden. Zij gingen daar naar boven om hun eigendomsakte te ontvangen, en zij werden levend gemaakt. Wat opwindend! Zij kochten het land. Het was voor hen gekocht. Zij hadden het ontvangen.
94 Is het waar of niet? Wij hebben Hem opgestaan gezien, maar wat nu met ons? Wij zijn getuigen. Wij stonden daar en zagen hoe Hij gekruisigd werd. Wij zagen de wolken over de aarde komen die het uitspansel verduisterden, en de aardbeving schudde en bracht nerveuze verslagenheid. En toen, voordat zij Hem in een graf legden, staken zij Hem een speer in het hart; en zij namen Zijn lichaam van het kruis af en legden het in een graf van Jozef van Arimathéa. En toen ontdekte u dat Hij op de derde dag weer opstond. En zoals de discipelen zeiden: "Wij zijn hiervan getuigen." Wij zagen Hem opstaan. Wij weten dat Hij leeft.
En wat had dat als gevolg? Dat nam al de vrees weg. Geen wonder dat Jezus zei: "Vreest niet, Ik ben Degene die dood was en voor altijd leeft." Het had alle vrees weggenomen, toen zij dat deden. Maar toen zij opgingen naar Pinksteren, ontvingen zij daar de opwekkende kracht, de kracht die hen levend maakte.
95 Ik geloof dat u, Presbyterianen, Methodisten, broeders, daar staat; u ontvangt het in beginsel wel door te geloven in de Here Jezus Christus, maar de eigendomsakte is nog niet gekomen. Dat is de geldigheidsverklaring van de akte.
96 God gaf aan Abraham een belofte. Abraham geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Maar Hij verzegelde het verbond door het zegel der besnijdenis. En God geeft u potentieel een belofte, dat u het zult ontvangen, en u opgewekt zult gaan worden; dit lichaam moet met Hem verheerlijkt worden in de eindtijd. Maar ziet u, u moet een zegel hebben op die akte. En de verzegeling is, wanneer alles er tegen uitgewist is, en u het eigendomsbewijs ervan hebt. U hebt het zegel, dan is het van u. Alles erop behoort aan u. Amen!
97 Wanneer wij geloven in de Here Jezus Christus als onze Zaligmaker, ons bekeren, gedoopt worden en eraan voldoen Hem te geloven, erkent God onze bekering en ons geloof tot Hem en zendt het eigendomsbewijs neer. Het eigendomsbewijs is de verzekering. Het is een garantie dat u zich van alles wat ooit tegen u werd gehouden, grondig bekeerd hebt. Halleluja! Het bezit is gekocht, en u hebt het eigendomsbewijs in handen als zekerheid.
98 Laat maar eens iemand proberen u een land af te nemen en zeggen dat het niet aan u behoort terwijl u het eigendomsbewijs in uw handen hebt! Laat hij het eens proberen. Geen wet in het land kan dat. Omdat u het eigendomsbewijs in handen hebt. En er is geen duivel, geen kerk of welke theologie ook, die de grenzen kan overschrijden van Gods bewijs en contract dat de doop van de Heilige Geest ons erkend heeft in Jezus Christus.
99 Wij hebben de verzekering op te zullen staan... dat Hij opstond, omdat wij in beginsel al in Hem opgestaan zijn. Amen.
100 De hele zaak... Wat doet het aan ons sterfelijk lichaam? Het verandert onze mening, verandert onze denkbeelden. Het richt onze genegenheden op dingen die boven zijn en het roken, drinken, gokken – de dingen die u vroeger deed – zijn dood. Het ligt achter u, en u bent opgewekt in deze levendmakende kracht. Het brengt uw lichaam reeds in een opname-toestand.
101 Let op de Pinkstermensen daar, toen zij levend gemaakt werden door de Heilige Geest – luister naar mij! – toen die Pinkstergroep daar op de dag van Pinksteren hun eigendomsbewijs van God ontvingen... Zeker, het verheerlijkte hun ziel. Zij schreeuwden, zij zagen vurige tongen verdeeld over een ieder van hen. En het maakte hun lichamen zo levend, dat zij zelfs niet meer in een aardse taal konden spreken. Het wekte hun lichaam op tot een hemelse taal – de plaats waar zij naar toe gingen.
102 Levendmakende kracht van God schudde hun sterfelijke lichamen zodanig, dat hun hele sterfelijke taal herschapen, veranderd werd in een onsterfelijke taal. Wat een levendmakende kracht! Als de Geest die Jezus opwekte uit de dood, in uw sterfelijke lichamen woont, zal Hij ook uw sterfelijk lichaam levend maken.
103 Wij worden dan levend gemaakt door de kracht van de levende God. Tongen... opgewekt tot een nieuwe, hemelse taal – om tot hen te spreken, een opgenomen worden, een opstanding in een andere atmosfeer dan waar zij ooit in geleefd hadden. Ook maakte het, met het nieuwe opwekkende leven dat in hen kwam, hun taal levend. Zij spraken in nieuwe tongen. O ja.
104 Let nu op. Het was ook zo beschikt om hun (na deze eigendomsakte) elke belofte te geven die er op grond van Gods Woord was, die in de Bijbel beloofd werd; die levendmakende kracht werd hun gegeven om die belofte aan hen levend te maken. Daarom legden zij handen op zieken en zij werden genezen. Zij spraken in nieuwe tongen. Zij deden grote tekenen en wonderen – omdat dat in Gods belofte was. En toen Jezus stierf om dat voor hen terug te verlossen, de grond die behoorde aan de zonen van God, demonstreerde Hij wat God was. Hoe durven wij dat te socialiseren en het in een organisatie te zetten! Wij hebben geen recht om dat te doen.
105 De Heilige Geest speurt vandaag naar eerlijke harten die de boodschap zullen geloven. Alles wat in de Bijbel beloofd werd, is voor die gelovige; en als u haar in haar volheid aanneemt, dan weet God dat u het zult doen. Hij geeft u het eigendomsbewijs ervan. Dan is iedere belofte die gedaan werd in uw bezit, en de Heilige Geest moet dat voor u levend maken. O, wonderbaar! Wat voor een soort volk zouden wij moeten zijn? Hoe wonderbaar om Gods grote Heilige Geest hier die kracht te zien doen. Denk erover!
106 De Heilige Geest Zelf is hier om getuigenis af te leggen van dit uur. Jezus zei het. Hij is Dezelfde gisteren, vandaag en voor immer. Hoe durft iemand dat hier uit te wissen. "De werken die Ik doe, zult gij ook doen." (Johannes 14:12.) "Deze tekenen zullen hen volgen die geloven." Dat is de verzekering.
107 Als wij een groep mensen bij elkaar zien zitten en deze tekenen manifesteren zich, dan is dat de verzekering dat het eigendomsbewijs daar is om te bevestigen dat het bezit van God is. Amen.
108 Dus wij zijn ook Pasen. Amen. Wij zijn nu in ons Pasen. Wij zijn al opgestaan – Halleluja! – uit de dingen van de wereld tot de dingen van Gods belofte. Niet wij zullen, wij zíjn het. Het zijn de potenties. Het is Gods belofte. Hij zou Zijn Geest uitstorten in de laatste dagen en dat is wat zij zouden doen.
109 Let op, zij legden hun handen op de zieken, alles wat God beloofd had. "Ik zal Mijn Geest uitgieten in de laatste dagen op alle vlees. Uw ouden zullen dromen dromen, u jonge mannen zullen gezichten zien." Al deze verschillende beloften die Hij deed. Alles ligt daar precies in Gods belofte.
110 Jezus verloste het voor ons, en als wij worden... Als wij voorbestemd zijn om op die grond te staan, als we verordineerd zijn op die grond (zoals de arend loopt in het nest van de kip), als u voorbestemd bent op die grond, is de Heilige Geest hier om u te vinden; en als Hij u vindt, zult u Zijn roep herkennen. U moet het uur kennen waarin u leeft. U moet weten dat u verondersteld wordt deze dingen te hebben; spoedig zult u worden opgenomen om Hem te ontmoeten, en nu zit u in hemelse gewesten in Christus Jezus. O, wat een belofte! Wat een hemelse Vader die ons deze dingen wilde geven!
111 De Geest maakt hun gemeenschap met God levend, zodat zij in die dag de doden terug roepen tot leven. Zij legden hun lichamen op de doden en zij kwamen tot leven.
112 Luister heel goed. Zij deden dezelfde dingen die Jezus deed, omdat dezelfde Geest die op Hem was, op hen was. Als één Geest een mens zo laat handelen, dan laat Hij die andere mens op dezelfde wijze handelen.
Hoe kan dit op u komen, als u zegt de Geest van God te hebben en de werken van God ontkent? Hij kan dit niet doen.
113 Merk op, Gods leven – dat in het Grieks Zoë genoemd wordt, bewegend door hen en in hen, maakt hun verstand levend voor Zijn Woord. Laat mij dat nu eens echt rustig zeggen. De Geest van God die beweegt onder de mensen, maakt de geest van de persoon levend voor de belofte van God. Ziet u, dat doet het.
114 Zie, ik tracht u te laten zien... u te doen beseffen dat ik nu spreek van de gemeente, om ook tot leven in Hem op te wekken. Ofschoon zij slechts zijn attributen waren in het begin. Maar als God op die dag zei (vroeger in het begin): "John Doe zal Mijn dienstknecht zijn", miljoenen jaren geleden... Nu, John Doe werd geboren in zonde, gevormd in ongerechtigheid, en hij kwam al leugen sprekend in de wereld, omdat hij een sterveling is; maar het kan zijn dat hij een beetje godsdienstig gevoel heeft. Hij zal zich bij een kerk aansluiten, misschien bij een Pinkstergemeente. Ik weet het niet. Hij zou zich bij van alles kunnen aansluiten. Maar laat hem eens onder de atmosfeer van God komen. John Doe wordt bevonden te herkennen Wie zijn Vader is. Precies zoals die arend herkende wie zijn moeder was.
115 Hij moet het beseffen. Alleen maar dat John Doe Gods attribuut is dat een gesproken Woord is geworden, en dan spreekt de Heilige Geest dat Woord uit. Hier is het. Hij roept hem, geeft hem eeuwig leven, en brengt hem in de tegenwoordigheid van God, Gods Woord.
116 Zie, God moest hem zien toen Hij Jezus zag. Het was een volbracht werk, dat God met Jezus voleindigde toen Hij zei: "Het is volbracht." Het hele plan was klaar. En als de Geest van God op u komt, en u bent werkelijk één van Gods attributen waarvan Hij sprak... Nu, als u het niet bent, zult u zich verbazen en druk doen, hier, daar en overal heenlopen, en nooit tot de kennis der waarheid komen.
117 Als u wel één van diegenen bent, zullen de oude dingen zeer snel voorbijgaan en u wordt nieuw, en het plan der verlossing is volbracht. U bent bereid om ieder Woord dat God ooit over u sprak, te gehoorzamen. Want u bent onderworpen aan Zijn Woord.
118 Het contract, om precies te zijn, de eigendomsakte bij het contract. Het eigendomsbewijs behoort aan u. De schulden zijn allemaal betaald. Het is helemaal doorgehaald, zoals het was op de dag van Pinksteren.
119 Laten wij nu letten op deze levendmakende Geest bij andere mensen. Ik kan niet erg lang spreken en ik heb maar twintig minuten als ik mijn woord wil houden, om mij te houden aan de tijd, waarover ik sprak... ongeveer een uur.
120 Nu, deze levendmakende kracht, die alleen komt... Er is heel wat namaak van. Er zijn heel wat mensen die werkelijk denken dat zij het hebben ontvangen, terwijl zij het niet hebben. Heel wat mensen doen dat omdat zij een verkeerde indruk hebben gekregen door wat zij andere Christenen hebben zien doen.
121 Satan kan alles daarvan nabootsen. Wij weten dat. Als zendeling kunt u het nagebootst zien worden, juichen, dansen, spreken in tongen en al deze dingen, u kunt het overal nagebootst zien, absoluut, onder heidenen die zelfs ontkennen dat er zoiets is als Jezus Christus, zijnde de Zoon van God.
122 Zij doen al deze dingen zelf, maar de echte, ware levendmakende Geest die tot een gelovige komt, maakt hem levend voor Gods Woord. Dat is weer terug tot arendsvoedsel, precies terug tot waar hij leeft. "De mens zal niet leven van brood alleen, maar van elk Woord dat Gods mond uitgaat."
123 Laten wij nu op deze levendmakende Geest letten als Hij komt op andere mensen, zoals op de dag van Pinksteren. Laten wij letten op Pinksteren, hoe zij handelden, en zien of zij waren opgewekt door deze levendmakende kracht waarover wij spreken.
124 Op de dag van Pinksteren zaten zij allen daar boven te wachten. In zichzelf waren zij bang voor de Joden... voor wat zij zouden gaan doen, dus hadden zij angst. Wat gebeurde er? Toen deze levendmakende kracht uit de hemel viel, kwam er moed over hen. Er was iets, een begrip, waarvan zij een paar uur tevoren niet zo zeker waren.
125 Zij wisten dat Hij gestorven was, zij wisten dat Hij opgestaan was, zij hadden onderweg met Hem gesproken; maar was het wel voor hen, of was het alleen voor hen of voor Jezus Zelf? Maar hier op de dag van Pinksteren viel de Heilige Geest, de eigendomsakte, op de gelovigen; dat maakte hen tot een deel van Zijn opstanding, maakte hen tot een deel van Zijn gemeenschap. De Heilige Geest kwam en bevestigde aan hen dat zij opgewekt zouden worden, omdat zij toen, in beginsel, waren opgewekt van lafaards tot dappere mannen. Zij waren bang voor hetzelfde Woord waar zij aan dachten. Laat dit niet aan u voorbijgaan. Zij waren bang.
126 Zij wisten dat Hij dat Woord was. Zelfs de Joden moesten het toegeven. Nicodemus zei: "Rabbi, wij weten dat U een van God gezonden leraar bent. Niemand kan de dingen doen die U doet, tenzij God met hem is. Wij weten dat. Wij erkennen dat."
127 Dus de discipelen... Petrus vloekte zelfs in Zijn tegenwoordigheid. Allen hadden Hem verlaten bij de kruisiging, maar hier waren zij nu boven in deze opperkamer in de tegenwoordigheid van God.
128 Toen kwam plotseling de Heilige Geest neer uit de hemel, en het maakte hen levend. Toen de opwekking had plaats gevonden, waren zij niet bang meer om getuigenis af te leggen van de boodschap die zij geloofden, en waarvan zij wisten dat het de waarheid was. Daarvóór waren zij er bang voor.
129 Hoeveel Presbyterianen, Methodisten, Baptisten in de wereld vandaag, hoeveel Pinkstermensen kennen de waarheid en zijn bang om hun standpunt erover in te nemen? Ik ben geneigd mij af te vragen wat dat was, dat op u viel. Bent u een deel van Zijn opstanding? Zou u wagen het schreeuwen af te breken door een gedachte van mensenvrees, of hebt u de echte volheid en de ware mannelijkheid die nodig is om vol te houden en wat recht is recht, en wat verkeerd is verkeerd te noemen?
130 Bent u een deel van Zijn opstanding? Of bent u een aanbidder van een stel belijdenissen? Bent u een kerkganger? Hebt u uw naam daar staan en bent u dood in zonde en misdaden? Wie het volle Woord van God niet gelooft is een zondaar.
131 Die Farizeeërs geloofden van veel dingen dat het de waarheid was, zij zeiden: "Wij zijn Gods kinderen" en zij waren dat, totdat het Woord gepredikt was en bevestigd, toen werden zij zondaars, omdat zij datgene verwierpen waarvan zij wisten dat het juist was en dat ook getuigden: "Wij weten dat U een leraar bent van God gezonden. Want niemand kan die tekenen doen die Gij doet, tenzij God met hem is."
132 Ik vraag mij vandaag af: "Waar zijn wij aan toe?" Ik vraag u: "Waar vindt deze opstanding ons? Durft u uit te stappen? Durft u God op Zijn Woord te nemen?" Als u tot leven verordineerd bent, zult u het zeker doen. Als u een arend bent, kunt u niet anders dan het doen. Er is iets in u.
133 Of wilt u gewoon ergens een geloofsbelijdenis dienen en zeggen: "Ik ga naar de kerk. Ik ben even goed als u." Als u deze geboorterechten vasthoudt... zult u het nooit zien, u kunt het niet zien; maar als u in het bezit bent van dit geboorterecht, dan kunt u niet anders dan het zien, omdat het een deel van u is, en u bent er een deel van.
134 Hoe zou ik een moeder kunnen verloochenen, die mij geboren deed worden? Hoe zou ik de vader kunnen verloochenen, wiens eigen bloed in mij is? Hoe zou ik Charles Branham, als zijnde mijn vader, kunnen verloochenen? Ik zou het niet kunnen. Ik ben gewillig zijn smaad te dragen of iets anders, omdat ik zijn zoon ben. Halleluja! Als zijnde de zoon van God – en Hij was het Woord van God – hoe kan ik ontkennen dat die Bijbel de waarheid is, dat Jezus Christus Dezelfde is, gisteren, heden en voor immer? Ziende het uur waarin wij leven, hebben wij een Pasen nodig in de gemeente – opstanding. Wij hebben een opstanding tot geloofskracht nodig – mannen en vrouwen, om te staan voor datgene, wat Gods bevestigde Woord is.
135 "Wel, wij hebben onze 'Youth for Christ'." Dat is goed. "Onze kerk heeft een samenkomst. Wij willen zoveel leden." Daar is niets tegen. Dat is goed, maar dat is alleen maar de atmosfeer. Dat zouden de veren van een oude hen kunnen zijn, maar als u daar in de juiste atmosfeer zult komen, zult u een arend uitbroeden, als u een arendsei bent. Als u door God verordineerd was om het te zien, dan kunt u niet anders dan het zien. U komt voort in een opstanding.
136 Dat is de wijze waarop de Baptist geboren is. Dat is de wijze waarop de Methodist geboren is in de opstanding van die dag, maar zij keerden zich af tot een kip in plaats van tot een arend.
137 Zoals ik niet lang geleden zei toen ik van Tucson kwam. Ik ontdekte een zeer vreemde zaak. Ik zag een havik daar op een draad zitten. Die havik had al lang zijn persoonlijkheid verloren. Hij was vroeger een vogel, volgend op de arend. Hij kon een arend niet volgen; nee, in geen geval, niets kan een arend volgen; maar hij was een havik. Christus is de Arend en de gemeente zou op zijn minst een havik moeten zijn. Zij kunnen hoger vliegen dan welke andere vogel ook. Maar die havik was week geworden. Hij heeft zijn persoonlijkheid verloren. Hij zit op de telefoondraden en wacht op het een of andere dode konijn. Hij hipt als een gier in plaats van te vliegen als een havik.
138 Neen, mijn broeder, zuster... u Pinkstermensen, die mijn eigen dierbare mensen bent; de gemeente is bezig haar persoonlijkheid [identificatie] te verliezen. Zij komt neer en is afhankelijk van de een of andere dode formele geloofsbelijdenis in plaats van te vliegen in de hemelen, op jacht naar vers manna.
139 Een havik was gewoon te jagen naar zijn eigen manna, maar vandaag neemt hij wat de auto's overreden hebben, wat de gieren eten. Hij hipt als zij. Hij ziet eruit als zij.
140 Wij hebben onszelf zo versierd in de moderne wereld – onze vrouwen knippen hun haar en dragen korte broeken; onze mannen hebben niet genoeg ruggengraat om op de preekstoel te staan en de waarheid te vertellen – wij zijn al lang week geworden, wat het Woord betreft.
141 O God, zend de Heilige Geest en zoek ergens die adelaars die gereed zijn om nu stand te houden wat er ook gebeurt; die zweven naar het onbekende, die niet op de telefoondraden zitten en wat zondagsschoolliteratuur zoeken om binnen te komen. Laat mij het Woord hebben, en het is kostbaar in de kracht en demonstratie van de Heilige Geest.
142 Wij hebben een Pasen nodig, een potentiële opstanding.
143 Mijn vriend, als u voldaan bent met zulk aas van de wereld, is er iets verkeerd. Mijn zuster, mijn broeder, laat mij u dit zeggen in Goddelijke vreze, wetende dat ik misschien in mijn leven nooit meer een Pasen zal zien, maar één ding is zeker – als een echte voorbestemde zoon van God door het Woord van God die stem van God hoort, zal hij opstaan en ons gaan ontmoeten. Door dat potentieel zal hij het ware levende Woord ontmoeten. Zoals Hij was... de bruid zal de bruidegom ontmoeten. Zij is een deel van Zijn lichaam.
144 Let op, lang hebben wij... Wij zijn bezig onze persoonlijkheid te verliezen. Wij komen op woensdagavond samen, enigen van ons. Anderen blijven thuis en kijken naar "Wie houdt van Susie?" – televisie, allerlei soort wereldse dingen, allerlei soorten vermaak om u weg te houden van de gemeente. Al lang hebben wij dat verloren.
145 Onze seminaries, onze scholen, leveren een stel "Rickies" af met heel veel theologie, vermaak, en alles in de gemeente om de plaats in te nemen van de gebedssamenkomst.
146 Wij sierden ons op en probeerden te vervullen wat de modernist trachtte te doen om ze binnen te brengen. U zult ze daardoor nooit winnen. Zij hebben daar meer van dan u. U hebt helemaal niets te maken op hun grond. Laten zij naar u overkomen, waar de echte doop schittert, waar de echte kracht van de opstanding is...
147 Probeer geen kerk te bouwen als de hunne. Probeer niet om zo'n soort voorganger te krijgen. Probeer niet dit, dat of wat anders te doen, of samen te werken met de wereld. Zij schitteren als Hollywood; het ware Evangelie straalt kracht uit; zij zoeken een gloed. Gloeiend van nederigheid, gloeiend van liefde, gloeiend van kracht – daar jaagt de ware adelaar naar. U kunt niet krabben op een erf en hem behagen. Hij zal dat nooit kunnen doen. Het zal hem nooit raken, omdat hij het niet gelooft. Laat die stem schreeuwen vanuit de hemelen: "Ik ben Degene, die dood was en weer levend is." – Er heeft iets plaats gevonden. "Ik ben Dezelfde gisteren, heden en voor immer en het zal geschieden in de laatste dagen, dat Ik Mijzelf zal uitgieten op alle vlees." God zij geloofd! "Ik zal uw sterfelijke taal levend maken. Ik zal uw sterfelijke tong levend maken. Ik zal u een hemelse taal geven. Ik zal u met Mij in de opstanding brengen." Hongerige, moedige arenden strekken zich daar zo hard als zij kunnen naar uit. Het is de parel van grote waarde, waarvoor zij al het andere zullen verkopen om die te kopen. God helpe ons, vrienden. Onze gemeenten zijn bezig hun identiteit te verliezen. Laten wij nu vlug, laten wij gaan naar enige...
148 Let op de handelingen van die discipelen – een geest... Zij wisten dat Jezus de Waarheid was; maar ziet u, het was tegen het populaire idee, de populaire godsdienst van het uur. De meest nauwgezette godsdiensten – Farizeeërs, Sadduceeërs, enzovoort (de cultussen, groepen en denominaties) waren tegen die ketterij; maar Jezus was het betuigde Woord, en Jezus is de Heilige Geest in Geest. "Een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij zult Mij zien." Niet het lichaam; het leven dat in Hem was.
149 God is op de gemeente om zonen te roepen zoals Hij toen deed, gehoorzaam. "Ik doe altijd wat Mijn Vader behaagt." "Wie van u kan Mij beschuldigen van zonde?" Met andere woorden, zonde is ongeloof. "Wat heeft het Woord over Mij gezegd, dat Ik niet gedaan heb? Toon Mij wat het Woord zei dat Ik zou doen, dat Ik niet gedaan heb? Wie kan Mij beschuldigen? Wie kan zijn vinger op Mij leggen en zeggen dat Ik Mijn Vaders Woord niet vervuld heb?"
150 O, als de Pinkstergemeente tot dat punt komt: "Wie kan Mij van ongeloof beschuldigen?"
151 O Christenen, wordt vereenzelvigd, niet met een havik, maar met een arend. De havik is week; hij zal naar beneden komen. U zult een arend dat nooit zien doen, hij zal het nooit doen. Hij jaagt op zijn eigen voedsel vanuit de blauwe lucht. God bereidde hem zo toe dat hij het kan zien. Hij haalt vers manna, niet iets dat dood is.
152 Bij de Hebreeën, toen zij door de woestijn trokken, probeerden zij dood manna te eten, het werd bedorven. Er zaten wormen in. U weet wat wij bedoelen. Het is bedorven, verrot, er zitten maden in.
153 Waarom zou ik voedsel eten dat jaren geleden dood ging? Het zou nog de vorm en gedaante kunnen hebben, maar het is niet vers. Wij moeten elke generatie opnieuw vers voedsel halen. Zo ziet de arend in elke generatie uit naar dit voedsel, terwijl wij op onze reis zijn.
154 Laten wij weer enkele mensen nemen. Laten wij enige Oudtestamentische profeten nemen en bezien wat zij deden. Laten wij eerst naar Stefanus kijken, hoe Stefanus temidden van die Hoge Raad, het Sanhedrin... Toen die Raad hem daar opbracht, die grote vergadering van gelovigen daar, die verondersteld werden gelovigen te zijn, bracht men hem op en ze probeerden hem te veroordelen. "Wel", zei hij, "gij hardnekkigen, onbesnedenen van hart en oren, gij weerstaat altijd de Heilige Geest." (Dat is dat eeuwige leven.) "Gelijk uw vaders het destijds aan de profeten deden, zo doet gij het vandaag"; en ze knarsten naar hem met hun tanden.
155 Zij wilden dat niet horen. Het was tegen hun geloofsbelijdenis, het was tegen hun denominatie; en zij stenigden de man dood, en hij hief zijn handen op naar de hemel en hij zei: "Ik zie de hemelen geopend en Jezus staande ter rechterzijde." Waarom? Hij had de opstanding, de levendmakende kracht in hem die hem meenam naar de boezem van Jezus.
156 Let op, snel nu. Kijk naar Filippus, die ginds een grote opwekking had, waar het zou zijn... geen enkel mens zou durven... Wel, zij hadden samenwerking met de kerken en alles daar en zij hadden een grote opwekking, en de levendmakende kracht van God sprak tot hem en zei: "Filippus..." Misschien zei Hij dit... "U hebt een grote opwekking, maar Ik heb één man waarvan ik wil dat u tot hem spreekt." En Filippus is gehoorzaam, ongeacht wat ook, hoeveel kritiek er ook is. – "O Filippus, u kunt niet weggaan!"
157 "Maar ik kan het wel. God zei het." En hij ging heen de woestijn in, en daar vond hij deze eunuch. En wat gebeurde er? Hij zei: "Als u met uw gehele hart gelooft dat Jezus de Zoon van God is, zal ik u dopen." Toen hij hem doopte, zie, hij was opgewekt door deze levendmakende kracht om een opwekking van duizenden mensen te verlaten en de woestijn in te gaan voor één man.
158 O, dat is tegen alle verstand in. Wel, er zijn er hier tienduizend die u nodig hebben, maar er is er daar één die hem nodig heeft. en de levendmakende kracht zond hem naar Gods voorbestemde plaats. Halleluja!
159 Mannen en vrouwen, dit zal u op uw voeten doen staan. Dit zal u de dingen laten doen die God wil dat u doet. Het maakt niet uit wat iemand anders ervan zegt. De buren zeggen: "O, die persoon heeft zijn verstand verloren – bidt de hele avond, leest de Bijbel..." Het maakt mij niet uit wat zij zeggen, God riep u ertoe om dat te doen. Zo is het. "Waarom", zeggen ze, "kunnen wij deze ouderwetse Pinksteropwekkingen niet hebben?" O ja, wij kunnen het ook wel. U kunt het in uzelf hebben, en u bent in God in de meerderheid, ongeacht wat de rest van hen denkt.
160 Na in gehoorzaamheid – luister nu aandachtig – na God gehoorzaamd te hebben op Zijn Woord, toen hij zijn zending vervulde, nam die levendmakende kracht die hij ontving op Pinksteren, hem weg, maakte zijn lichaam levend. Hij werd in de geest weggenomen en mijlen en mijlen ver, in een ander land, werd hij ergens gevonden. De levendmakende kracht van God. En als wij Pinkstermensen zijn, diezelfde kracht die Jezus opwekte uit de dood, als die in uw sterfelijk lichaam woont... Ziet u?
161 Goed, let op, laten wij nog een man nemen met deze levendmakende kracht. Er was heel lang geleden een man, genaamd Henoch. Als er iets nieuws opkwam en men zei: "Wel, nu moeten wij teruggaan naar de oude school van dit, dat of dat andere", wandelde Henoch met God. Wat God ook zei te doen, Henoch miste nooit één woord. Hij wandelde met God.
162 Wat was hij? Hij was een zoon van God. Hij was een arend die voor die dag geroepen was, en toen de tijd kwam, was hij zo vol van die levendmakende kracht... Bedenk, hij had vijfhonderd jaar of meer voor God gewandeld, en niet één keer had hij Zijn Woord gemist. Niet één keer misdroeg hij zich. Niet één keer deed hij het... maar hij bewaarde het getuigenis. Alles wat God zei dat hij doen moest, ging hij doen. Hij ging er niet over argumenteren, hij ging gewoon en deed het. Waarom? Hij was vol van die levendmakende kracht.
163 Toen de tijd kwam voor die oude man om te sterven, liet God een ladder neer en hij liep omhoog naar huis. Hij wekte hem op en nam zijn sterfelijk lichaam op in een opname. Amen! Dat is die levendmakende kracht.
164 Kijk naar Elia. Nadat zijn werk op aarde beëindigd was, was hij zo vol van die levendmakende kracht, dat hij die Jackie Kennedy haarstijl van zijn dagen veroordeelde. Hij vertelde die oude Izebel wat hij van haar dacht. Hij vertelde die predikers en priesters wat juist en wat verkeerd was. Zij geloofden hem niet, maar hij veroordeelde die opgemaakte vrouwen en zulk soort dingen zeer, en hij was zo vol van die levendmakende kracht dat niets hem kon deren.
165 God had hem uit de hemelen gevoed – Hij nam hem weg en zette hem apart. Hij was zo vol van die levendmakende kracht, dat toen de tijd kwam om te sterven, de Jordaan zich opende en hij erdoor wandelde... en een wagen werd neergezonden om hem op te nemen naar huis – zo vol van die levendmakende kracht, dat hij een ware, echte zoon van God werd.
166 Merk op, hij had een opvolger, en zijn naam was Eliza. Eliza had een dubbel deel van deze levendmakende kracht. Ziet u? Hij had er een dubbel deel van. Hij predikte ongeveer tachtig jaar of hij was ongeveer tachtig jaar. Hij werd ziek en stierf. Hij ging niet naar huis zoals Elia.
167 Zie, beiden zijn vertegenwoordigd in de gemeente. Sommige heiligen gaan op en sommigen rusten; maar let op, toen Elia werd opgenomen in de opname... ontsliep Eliza daarna in God, vol van de levendmakende kracht.
168 Let op zijn profetie, vlak voordat hij stierf. Nu, laat mij het u tonen. Het maakt mij niet uit of u dood bent of hoe u eraan toe bent; die levendmakende kracht verlaat u nooit. Jaren en jaren na zijn dood... (Zijn vlees was weggerot. De huidwormen hadden het opgegeten.) Zij pakten op zekere dag een dode man en wierpen hem in dat graf op die beenderen en daar was zoveel levendmakende kracht, dat de man weer tot leven terugkwam. Halleluja! Hij wekte hem op uit de dood, omdat die levendmakende kracht die op die heilige van God was, hem nooit verlaten had, maar daar op die beenderen was gebleven.
169 O, denk eraan, wij zijn vlees van Zijn vlees, been van Zijn been, als wij Zijn bruid zijn. De dood kon die levendmakende kracht in het geheel geen moeite bezorgen. "Ofschoon de huidwormen dit lichaam vernietigen, toch zal ik in mijn vlees God zien." God zij geprezen! (Opgenomen.) Ik wil het niet zeggen...
170 Welk een hoop voor een oude man als ik, wetend dat ik met mijn zes en vijftig jaar het einde van mijn tijd daarboven spoedig zal zien.
171 Al sinds ik een kleine jongen was stond ik hier om dit te verkondigen, maar ik weet dat in mij niets goeds is... niets dat ik heb, niets dat ik heb gedaan, maar in mij is die levendmakende kracht.
172 Het wekte mij op zekere dag op, als een jonge man, van de dingen van de wereld tot het eeuwige leven. Al de dingen die gebeurd zijn... Ik heb visioenen gezien, dingen voorzegd. Hij heeft ze tot nu toe nooit laten falen. Ik sprak in andere tongen. Ik heb geprofeteerd. Ik heb die dingen gedaan door de Geest van God die in mij woont. Dat is levendmakende kracht.
173 Ik weet dat op zekere dag... Mijn Verlosser leeft nu, en op de een of andere dag, als Hij komt, zullen deze beenderen weer opstaan om Hem te ontmoeten in de lucht. U zou mij mogen begraven in de diepte, mijn lichaam verbranden, wat u ook wilt, die levendmakende kracht is eeuwig!
174 Ik gevoel een Pasen, nu op dit moment. Ja meneer, ik heb het al jaren gehad. Het is in mij. Het is in u, als de Geest die Jezus opwekte uit de dood, in uw sterfelijke lichamen woont. Die heeft u levend gemaakt van de dingen van de wereld naar het Woord van God alleen. Hij heeft u opgewekt van dit leven naar het eeuwig leven.
175 U, die eens dood was in zonden en misdaden, bent nu tezamen opgewekt om met Christus Jezus te zitten in hemelse plaatsen, feestend rondom het manna van boven, ziende dat de hand van God wordt gemanifesteerd en bewezen wordt de belofte voor deze dag te zijn. "Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn bij het komen van de Zoon des mensen."
176 Zij aten, dronken, huwden en gaven ten huwelijk. En zoals het was in de dagen van Lot, zo zal het zijn in de uren dat de Zoon des mensen geopenbaard zal worden op aarde. Niet meer de Zoon van God; de Zoon des mensen zal terugkomen als de profetische boodschap voor de laatste dagen, als die arend zal vliegen – niet de leeuw, niet de ossen – het offertijdperk...
177 Ziet u, iedere keer ging een godsdienstige kracht uit om de uitdaging van de politieke macht van de wereld het hoofd te bieden. Toen de leeuw de godsdienstige macht opwekte, bood hij het hoofd aan de uitdaging van de Romeinse macht. En toen het offeruur was aangebroken ging de os uit, omdat hij een offerdier van de Here is. Toen kwamen de hervormers door de tijdperken heen... daar kwam het aangezicht van een mens. En de hervormers zijn gezonden: Luther, Wesley, Calvijn en zo verder door tot het Pinkstertijdperk. Maar in de laatste boodschap die naar voren kwam, kwam er een vliegende arend. Het is arendstijd, openbaringstijd. Het Woord van God gemanifesteerd. Het Woord van God bewezen.
178 O kinderen, wandel in deze doop met de Heilige Geest. Kom erin en geloof het met uw hele hart. God zal u vervullen.
179 Zie hier. Bedenk, dat wij vlees van Zijn vlees en been van Zijn been zijn. Zoals God Zijn beenderen en vlees uit het graf opwekte, kan men de mens die het potentieel heeft, niet verbergen. De dood kan hem niet nemen.
180 Jezus zei: "Al wat de Vader Mij gegeven heeft, zal tot Mij komen, en Ik zal hem opwekken in de laatste dag." O, Pasen. Wel, wij zijn nu al in Pasen. Toen Hij opstond, stonden wij met Hem op. Hij zond de eigendomsakte terug; wij hebben hem in bezit. Dat is de doop met de Heilige Geest. Hij is levend voor altijd; dezelfde gisteren, heden en voor immer. Hebreeën 13:8 bewijst dat Hij Dezelfde is.
181 Hij is de Messias; gezalfden geloven dat. Wat is de Messias? Wat is de Messias? De Messias is de Gezalfde.
En nu, als Hij de Messias was – zijnde de Gezalfde voor die dag om het Woord van God te vervullen, om de Verlosser en de Gezalfde te zijn – en God wekte dat lichaam op. Zijn bruid is de gezalfde voor deze dag en is al met Hem opgewekt in de opstanding, omdat deze twee één zijn. Amen!
182 Ik zou willen dat ik het zou kunnen zeggen op de wijze dat ik het zie. Ik wenste dat ik de opleiding had, waarmee ik het zou kunnen doen. Ik hoop dat u het ziet. Ik hoop dat God, de Heilige Geest, hier neerkomt en het in uw hart legt om te zien wat ik bedoel.
183 Het is de opstanding. Wij zijn nu in de opstanding. Wij zitten met Hem in de opstanding, maar alleen zij die leven hebben. Niet zij die geen leven hebben, zij zullen het niet weten. Zij zullen het nooit weten. Zij gaan gewoon door met te denken dat zij de Heilige Geest krijgen, dat ze gered worden en de opname zal voorbij zijn en verdwenen. Hij zei: "Elia is al gekomen en heeft datgene gedaan... en u wist het niet."
184 De dood houdt de levendmakende kracht van God niet tegen. De dood kan hem niet stoppen. U zegt: "Wel, mijn moeder was een met de Geest vervulde vrouw. Mijn vader, ik heb nooit een man zo vol van de kracht gezien als mijn vader, maar hij stierf, broeder Branham." Zeker, maar dat stopte de levendmakende kracht niet.
185 Mozes had die levendmakende kracht. Gelooft u dat? Er was nooit een man als hij op aarde behalve Jezus. Want hij zag niet alleen visioenen; hij sprak van aangezicht tot aangezicht met God. Zelfs een profetes, Mirjam, betwistte op zekere dag zijn woord. Hij zei: "Vreest u God niet? Aanschouw Mijn dienstknecht Mozes. Er is niemand op de wereld als hij in dit uur. Er is nooit iemand geweest als Mozes. Ik spreek tot Mozes. Wat zei hij ooit dat niet waar was? Ik spreek met Mozes. Vreest u God niet? Zeg geen woord tegen hem." En toen werd zij meteen geslagen met melaatsheid en ze was stervende. Zij leefde daarna niet erg lang meer.
186 Mozes bad voor haar en Mozes klom de berg op na een dienst van honderd en twintig jaar – of een bediening van tachtig jaar, honderd en twintig jaar was zijn leeftijd – hij klom de berg op, stierf en werd in het dal begraven. Maar die levendmakende kracht was op hem. Ongeveer achthonderd jaar later stond hij daar op de berg der Verheerlijking. Amen. Wat was hij? Hij was ingesloten in die opstanding. Zeker was hij dat. Hij had de levendmakende kracht van God. Hier stond hij.
187 Kijk naar Job, Abraham, Izaäk, de heiligen op de dag der opstanding, die grote morgen; en Job en zij allen wisten dat het zou komen toen hij zei: "Ik weet dat mijn Verlosser leeft." Honderden en honderden jaren vóór Christus. In werkelijkheid werd het boek Job geschreven vóór Genesis. Men beweert dat dit het oudste boek in de Bijbel is.
188 En in zijn beproevingen... zoals wij er nu doorheen gaan... en zijn vrouw zei zelfs, het innigste voor hem op aarde: "Waarom vloek je God niet en sterft de dood?"
189 Hij zei: "Gij spreekt als een dwaze vrouw. De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de Naam van de Here zij geprezen." En toen de Geest van God op hem kwam, begon hij te profeteren. Hij zei: "Ik weet dat Mijn Verlosser leeft en in de laatste dagen zal Hij staan op deze aarde. Ofschoon de wormen dit lichaam doorknagen, zal ik toch in mijn vlees God aanschouwen." En hij maakte een plaats om begraven te worden. Hij zei: "Ik zal deze grond kopen." En hij kocht die plaats en werd daar begraven.
190 Later kwam er een man, genaamd Abraham. (De gemeente groeiend, opkomend.) Welnu, Abraham had ook het potentieel van God – eeuwig leven. Eeuwig, omdat God hem riep. Nu let op, toen hij stierf of Sara stierf, kocht hij een stuk grond in Palestina, vlakbij het graf van Job en begroef Sara. Abraham stierf en werd ook begraven bij Sara.
191 Abraham gewon Izaäk en toen Izaäk stierf, sliep hij met Abraham in hetzelfde stuk grond.
192 Nu, toen Izaäk Jakob gewon, stierf Jakob ver weg in Egypte, maar omdat hij een profeet was met dit potentieel – deze levendmakende kracht – zei hij: "Begraaf mij niet hier, Jozef. Kom hier, mijn profeet-zoon. Leg uw hand op deze heup die God kreupel maakte. Zweer bij de God des Hemels dat je mij niet hier zult begraven." Wat was er in die man? Waarom was Egypte niet net zo goed als elke plaats? Hij was een profeet. Hij wist waar die opstanding zou zijn. Deze zou niet in Egypte zijn, deze zou in Palestina zijn. Hij zei: "Leg je handen op mijn kreupele heup en zweer bij de God die ik dien – je bent mijn profeet-zoon – dat je mijn beenderen hier niet zult begraven. Breng mij daarheen en begraaf mij daar."
193 Jozef, die een profeet was, legde ook zijn handen op zijn kreupele vader. Hij zei: "Ik zweer bij de God van Abraham, Izaäk en Jakob, dat ik u hier niet zal begraven." Zij namen hem op en begroeven hem in dat land. Waarom? Waarom?
194 Toen Jozef stierf, zei hij: "Begraaf mij niet hier. Begraaf mij hier niet." Waarom? God is God overal, maar Hij heeft een plan. Jozef was een profeet. Hij zei: "Op een dag" – luister naar zijn woorden – "zal de Here God u bezoeken en u uit dit land wegnemen en als u gaat, neem dan mijn beenderen mee." Die levendmakende kracht was in die beenderen.
195 O, als de Geest van Hem die Christus opwekte uit de dood, in u woont, zal Hij ook uw sterfelijke lichamen levend maken.
196 Leg mijn beenderen hier niet neer. Begraaf ze daar. Maar dit zijn de beloften, als Jezus komt...
197 Ik heb hier een Schriftgedeelte (Mattheüs 27:51); toen Jezus opstond uit de dood, had Job dat zien komen en hij zei: "Ik weet dat Mijn Verlosser leeft. In de laatste dagen zal Hij op deze aarde staan. Ofschoon de wormen dit lichaam vernietigd zullen hebben, zal ik toch in mijn vlees God zien. En ik zag Hem."
198 Zij wisten dat dit een profeet was. Abraham was een profeet. Izaäk was een profeet. Jakob was een profeet. Jozef was een profeet. En zij hadden de openbaring van God overeenkomstig Zijn Woord.
199 Op die Paasmorgen kwam die Ene en verloste al degenen die in Hem geloofd hadden en zij stonden ook op, overeenkomstig de Bijbel. Die levendmakende kracht kwam in het graf van Job, waar zelfs geen lepel vol stof van zijn beenderen was overgebleven. Na al die honderden en nog eens honderden jaren waren zijn beenderen verrot en vergaan – teruggekeerd tot de gassen der aarde. Louter en alleen as-stof lag daar. Maar toch, toen die levendmakende kracht – overeenkomstig het Woord van God door de belofte, honderden en honderden, ja duizenden jaren later – toen die levendmakende kracht voortgebracht werd uit het graf, kwamen Job, Abraham, Izaäk en Jakob en al die anderen met Hem uit het graf.
200 De Bijbel zegt het. Mattheüs 27:51 zegt dat velen van de heiligen die sliepen in het stof der aarde, opstonden en met Hem uit het graf kwamen, toen Hij op Paasmorgen opstond.
201 Waarom? Zij hadden die potentie. Zij hadden die levendmakende kracht en stonden op uit de dood en gingen met Hem in de opstanding – genietend van de opstanding met Hem, omdat zij vol van die levendmakende kracht waren.
202 Zij hadden dat ware Paaszegel. "Wel", zegt u, "ik zou wensen dat ik toen in het Oude Testament leefde." Wacht een ogenblik. In 1 Thessalonicenzen 4:16 staat (ik wil dat u dat zou lezen): "Ik wil niet dat u onwetende bent, broeders, aangaande hen die ontslapen zijn, dat u niet treurt zoals de anderen die geen hoop hebben. Want indien wij geloven dat Jezus stierf en op de derde dag opstond – geen schijngeloof, maar wij geloven het – alzo zal ook God, degenen die ontslapen zijn in Hem, weder brengen met Hem."
203 De Nieuwtestamentische heiligen met die levendmakende kracht zullen ook opstaan bij Zijn tweede komst, even zeker als de Oudtestamentische gelovigen met al die levendmakende kracht op hun beenderen, hun veranderd worden, krachten, enzovoort, die door God werden getoond. Die profeten, tot wie het Woord van God kwam, stonden met Hem op, op die opstandingsmorgen.
204 Het was de belofte van God dat iedereen die in Christus Jezus is, ook met Hem zal komen in Zijn opstanding – de levendmakende kracht op de beenderen.
205 Geen wonder dat wij handen leggen op de zieken. Geen wonder dat wij elkaar liefhebben. Wij zijn broeders en zusters. Wij moeten elkaar niet haten, omdat wij gecorrigeerd worden door het Woord van God. Wij moeten elkaar liefhebben en elkander respecteren. Weet u, als u het niet doet, zal het u ook niet helpen.
206 Er zit hier nu in deze kerk een kleine knaap. Een paar dagen geleden – die man gelooft – had deze oude jongen kanker aan zijn oor, en hij wilde er niets over zeggen. Hij werkte daar aan het huis. Ik ben ginds met hem op jacht geweest, met de gebroeders Moseley en broeder Dawson hier. Wij waren hier aan het jagen, en de zoon van broeder William... Ik keek toevallig naar zijn oog en ik zag dat zijn oor helemaal opgezwollen was. Ik zei: "Wat scheelt er aan dat oor, Donovan?"
207 Hij zei: "Broeder Branham, het zit daar al lang. Ik weet het niet."
208 Ik nam hem daar gewoon bij de hand. Er zat een groot kankergezwel op zijn oor. Ik zei er nooit een woord over maar hield zijn hand gewoon vast. Het verdween bij mijn broeder. Een dag of twee daarna was er zelfs geen litteken meer van over. Het was zijn respect, en de God des hemels doodde door Zijn levendmakende kracht die kanker en spaarde het leven van Donovan Wertz daar. Zo is het.
209 Wat zijn deze dingen? Zie hier, de mensen in Phoenix. Kijk naar de mensen die hierin geloofd hebben. Kijk naar de mensen die dit hebben, die hun handen op u leggen. Let op wat er gebeurt. Het is de levendmakende kracht. "Deze tekenen zullen hen volgen die geloven. Als zij hun handen op de zieken leggen..." Die levendmakende kracht, arend op arend, er gaat iets gebeuren.
210 Een arend op een buizerd zou niet werken. Arend op arend stijgt op van het boerenerf naar de hemelen. "Deze tekenen zullen hen volgen, die geloven", wanneer zij beiden in geloof staan.
211 Zie, diezelfde levendmakende kracht van God, vertegenwoordigd in deze twee profeten Elia en Eliza... Let op, hetzelfde Woord, het ene is opnemen en het andere is opgenomen. Opnemen en opgenomen. Hij werd met Hem opgenomen. Opnemen – opnemen met hen, hen ontmoeten in de lucht, opgenomen zijnde om hen te ontmoeten in de lucht.
212 Let op, een vogel moet twee vleugels hebben om zich in evenwicht te houden. Is dat juist? Elia was een opname vleugel, Eliza was de opstandingsvleugel. Zie, beiden tezamen de heiligen vertegenwoordigend die leven en de heiligen die reeds zijn heengegaan.
213 Bedenk, levend gemaakt om achter de voorhangsels te zien. Wat werden deze mensen daar toen levend gemaakt; ze keken achter de voorhang en zagen tot in deze tijd.
214 Die profeten... Kijk naar Paulus. Hij zei hoe de mensen in de laatste dagen zouden handelen en zich toch Christenen noemen. Hij was een profeet, vol van de levendmakende kracht – hij voorzag dat het zou gebeuren. Wij geloven dat. Is het niet? Hij had levendmakende kracht ontvangen.
215 Kijk naar de levendmakende kracht vandaag, dingen voorzeggend zonder dat er één gebeurtenis wordt gemist. Niet één keer faalt het. Levendmakende kracht – niet de kracht van een mens, de kracht van God. De kracht, de eigendomsakte van Pasen, de opgestane Jezus, die het eigendomsbewijs terugzond om ons te garanderen dat wij al levend gemaakt zijn met Hem.
216 Herinner u, geschreven in het boekje van de Zakenlieden hier, 'Ziende achter het gordijn van de tijd'... Daar ik ouder begin te worden, wetend dat mijn dagen minder worden en ik echt ouder word... dan speel ik dat stukje dat de dames een poosje geleden zongen. Ik heb het nu al achttien of twintig jaar: 'Ik wil er met mijn Here over spreken.' U gaat naar buiten om te bidden en dan komt daar die levendmakende kracht. Ik ben tot rust gekomen. Ik keek daar op en ik zei: "Zie daar."
217 Ik herinner mij dat ik die morgen "opgetrokken" werd terwijl mijn vrouw die daar zit, die morgen met mij op hetzelfde bed lag. Ik richtte me op en zag dat zij sliep. Ik zei: "Als je nog iets wilt doen voor de Here, dan kun je maar beter opschieten, jongen. Je bent al over de vijftig." De Heilige Geest nam mij weg. Ik keek daar en ik zag die heiligen – net zo zeker als ik hier achter deze lessenaar sta, met dit heilige Boek hier liggend, als prediker van het Evangelie.
218 Heb ik u ooit iets verteld in de Naam van de Here dan wat gebeurde? Als het zo is, wil ik dat u het mij zegt. Is het niet iedere keer volmaakt geweest op het podium? Is het niet iedere keer precies zo gebeurd als Hij het gezegd had? Dit was ZO SPREEKT DE HERE.
219 Ik stond daar en keek voorbij in die tijd, en ik zag tienduizend maal tienduizenden komen; jonge mannen en vrouwen kwamen aanlopen, hun armen om mij heen slaand, schreeuwend. Ik keek achterom en zag mijzelf in bed liggen. O, Here laat mij voorbij het gordijn van de tijd zien.
220 Wat is het? Het is de levendmakende kracht die ons zal wegnemen – die grote levendmakende kracht.
221 De levendmakende kracht kwam in deze laatste dagen. Daarvoor ben ik nu hier in Arizona. Er zitten hier veel mensen die hier in Phoenix stonden en mij u dit van ditzelfde podium hoorden vertellen, ZO SPREEKT DE HERE. (Hoevelen herinneren zich dat?) Er zou iets gaan gebeuren.
222 Ik zag zeven engelen komen. Vermeldde Life Magazine het niet als een mist die hier overdreef, zevenentwintig mijl hoog en dertig mijl breed? Stonden Fred Sothmann en die anderen, Gene Norman, die daar achteraan zit, daar niet toen die zeven engelen precies daar op de heuvel verschenen? Het deed de heuvels mijlen schudden. En daar stonden zeven engelen (ik kreeg een zwaard in de hand geworpen) en zij zeiden: "Ga naar huis en open deze Zeven Zegels die gegeven zijn." En hier zijn zij – het ware geheimenis van huwelijk en echtscheiding, het slangenzaad en al die dingen waarover getwist is. Het is ZO SPREEKT DE HERE.
223 Wat is het? Die levendmakende kracht komt tot de gemeente, haar gereed makend in dit uur dat wij naderen – levendmakende kracht. O God, help ons om het te ontvangen. Help ons het te geloven.
224 Ziet u? Het hangt er vanaf welke houding u aanneemt, of het u enig goed zal doen of niet. U moet dat geloven. Als u het niet gelooft, zal het u geen enkel goed doen.
225 Samuël stond daar vóór het volk en zei: "Heb ik u ooit iets verteld in de Naam van de Here dat niet gebeurde? Heb ik u ooit om geld gevraagd om van te leven?"
"Nee, maar wij willen toch een koning."
226 Zo is het vandaag met de gemeente. Zij willen hun eigen ideeën. Zij willen nog niet een beetje aandacht aan je schenken. Zij lopen er gewoon omheen. Wel, het laat gewoon zien dat de levendmakende kracht daar niet is.
227 "Ah", zegt u, "ik sprak in tongen." "Ik spring en ik juichte."
228 Dat is allemaal fijn, maar als die levendmakende kracht er is, zult u het erkennen, zoals die kleine arend dat dit zijn mamma is. Dat is het Woord, dat is ZO SPREEKT DE HERE. Dat beloofde God. Dat werd voorspeld. Dat is precies wat er gebeurde.
229 Wij zijn zonder enige schaduw van twijfel, potentieel nu reeds in de opstanding. De heiligen worden klaargemaakt om opgenomen te worden in de lucht.
230 Jezus die zo vol van deze levendmakende kracht was, zei: "Als u deze tempel, waarover u veertig jaar dacht te bouwen, kunt vernietigen, zal Ik hem in drie dagen opbouwen."
231 Waarom? Waarom zei Jezus dat? Ik wil u wat vragen. Waarom kon Jezus zoiets zeggen? Hij wist dat Hij was... Amen! Ik wilde dat ik dat er goed in zou kunnen hameren. Hij wist wie Hij was. Hij wist dat Hij ieder Woord dat God daarin over Hem had geschreven, vervuld had. Hij wist dat Hij Degene was waarvan David sprak.
232 Weet u dat u degenen bent over wie de Bijbel spreekt? Weet u dat uw positie in Christus is? Als u in Christus bent, bent u een nieuwe schepping. U weet dat dit Woord als dagelijks voedsel voor u is. Wel zeker, het is voor u. U bent een arend; dat is uw voedsel.
233 Hij wist dat Hij het doen zou door de kracht van God, omdat er geprofeteerd was dat Hij het zou doen. Daarom was Hij niet bevreesd om te zeggen: "Breek deze tempel af. Ik zal hem in drie dagen opbouwen"; omdat David had gezegd: "Ik zal Zijn ziel in de hel niet verlaten. Ook zal Ik Mijn Heilige geen ontbinding doen zien." Hij wist dat niet één cel van Zijn lichaam ontbinden zou, en het ontbindt in twee en zeventig uur.
234 Hij zei: "Breek deze tempel af. Ik zal hem in drie dagen opbouwen." Waarom? Hij was zo vol van die levendmakende kracht die ieder woord levend maakte. Hij keek terug en zag dat ieder woord dat God van Hem gesproken had, wat die profeten gezegd hadden, door Hem vervuld was. Hij wist dat dit óók vervuld zou worden.
235 Nu, heeft uw geest op ieder woord dat God sprak "Amen" gezegd en is het vervuld in uw leven als gelovige? Houdt u zich ten opzichte van iets terug en zegt: "Wel, mijn kerk leert het anders?" Wees dan voorzichtig, havik!
236 Merk op, arenden geloven. Het is voor hun geen vraag; zij geloven het.
237 Hij wist dat het zou gebeuren, omdat het Woord zei dat het zo was, en ieder Woord dat over Hem geschreven was, moest worden vervuld. Hij wist dat het was geschreven door de kracht van God door de heilige profeet, die had geprofeteerd dat Hij het zou doen, en de profetie faalt nooit. Het kan niet. Het Woord van God kan niet falen. En het is geschreven door de Geest.
238 Nu, ook de Geest die Jezus uit de dood opwekte, als Die in uw wezen, uw lichaam woont, zal Hij ook uw sterfelijk lichaam levend maken. Dan mag je het doodschieten, verbranden, alles wat je wilt, er gekheid over maken, het verscheuren, er geen notitie van nemen, doen wat je wilt: God zal het opwekken, omdat Hij zei dat Hij het zou doen.
239 Iedere heilige van God die deze belofte in zich heeft, weet dat dit de waarheid is. Dus vrees niet broeder, wij zijn al in Pasen.
240 Kijk nu naar de verheerlijking, vlak voordat wij sluiten – de verheerlijking. Wij zijn daar allen vertegenwoordigd in de verheerlijking. Kijk wat wij vandaag zien. Merk gewoon op wat wij vandaag zien, de levendmakende kracht van God. Wij waren daar allen.
241 Daar waren de dode heiligen vertegenwoordigd in Mozes. Daar was de opstanding en Jezus Christus verheerlijkt. Elia... Mozes, Elia en Jezus, allen staand op de berg – de dode heiligen, de opgenomen heiligen en Jezus verheerlijkt.
242 O wonderbaar! Ik hoorde eens een kerel zeggen: "Wel als jullie dat soort kracht hebben, moesten jullie uitgaan en tegen de mensen zeggen wat jullie kunnen doen." Verre zij het dat een werkelijke Christen zoiets zegt. Zeker, wij beweren niet enige kracht te... maar wij doen één ding.
243 Toen zij rondkeken met al deze kracht op zich, zagen zij Jezus alleen; en de ware gelovige maakt er zich geen zorgen over of hij een denominatie steunt of zoiets. Hij wil dat u maar één ding ziet, die verheerlijkte Christus... Het maakt geen enkel verschil, de ware Berg der Verheerlijking-ervaring verheerlijkt alleen Jezus Christus.
244 Het verheerlijkte Mozes niet. Het verheerlijkte Elia niet. Het verheerlijkte zichzelf niet. Ook iets anders verheerlijkte het niet, maar zij zagen de verheerlijkte Christus; en het is in het hart van elke ware gelovige om Jezus Christus te verheerlijken. Dat probeert Hij de mensen te laten zien. Niet om te zeggen: "Wel, als u zich bij onze groep komt aansluiten... Als u dit of dat komt doen..." O, doe dat niet! Doe dat niet. Hij ziet dat Gods Woord, wat Christus is, verheerlijkt wordt en de belofte van deze dag vervult, in dit grote uur van de opstanding. En het geeft hun vreugde te weten, dat wij met Hem zijn, vlees van Zijn vlees en been van Zijn been. Wat een vreugde!
245 Dat is het enige waar een gelovige zich zorgen over maakt. Zij maken zich geen zorgen over een denominatie. Zij bekommeren zich niet over een organisatie. Het maakt hun niet uit wat de andere vrouwen ervan denken. Zij maken zich geen zorgen, zeker niet.
246 Zij willen deze dingen die de andere vrouwen doen, niet doen. Deze mannen willen deze dingen niet doen. Zij willen niet doelloos rondhangen bij en toegeven aan de een of andere organisatie om er niet uitgezet te worden, bevreesd dat zij geen maaltijdvergoeding meer zullen krijgen. Zij maken zich geen zorgen over deze dingen. Het is onzin voor hen. Er is maar één verlangen in hun hart en dat is naar de verheerlijkte Jezus Christus.
247 Hun gedrag moet God zijn. Het moet absoluut niets anders zijn dan alleen de heerlijkheid van Jezus Christus. En wat is Jezus? Het Woord. Is dat juist? En te zien dat Zijn zelfde bevestigde methodes Zijn opstanding bewijzen.
248 Nu, wat is het? Kijkend naar uw leven, door Zijn beloofde Woord, waarin Hij zei dat Hij Dezelfde is gisteren, vandaag en voor immer, bewijzend dat Hij nog leeft. Ik maak mij er geen zorgen over of elke deur in het land voor Hem gesloten is. Die tijd... Ik zei dat ik onlangs zes en vijftig jaar werd. Ik zou plotseling verhoogd kunnen worden. Ik ben in de leeftijd van de hartaanvallen. Ik ben in de leeftijd van al die andere dingen. Wel, wat maakt het uit? Het maakte voor mij geen enkel verschil toen ik een jongen was. Het maakt voor mij ook nu geen enkel verschil op welk uur mijn nummer wordt afgeroepen, of mijn kaart uit het rek wordt genomen. Ik maak mij er geen zorgen over of men ooit wist dat ik op de aarde leefde. Het maakt voor mij helemaal geen verschil. U behoeft helemaal geen grote monumenten of grote gebouwen te hebben om daarmee te zeggen dat ik hier op aarde was. Er is één ding waarvan ik wens dat u het allen weet: dat Jezus Christus Dezelfde is gisteren, vandaag en voor immer, en in mijn hart houd ik Zijn eigendomsbewijs.
249 Ik weet dat op zekere dag – ofschoon ik in de zee verdronken zou kunnen zijn of misschien gedood in Afrika, ik weet niet wat mij overkomen zal – maar er is één ding dat ik weet: ik heb het eigendomsbewijs in mijn bezit. Halleluja! Iedere deur zou gesloten kunnen zijn. Dat maakt ook niet het geringste verschil voor mij. Ik probeer niet om enig mens te verheerlijken of enige organisatie of mijzelf of enige groep of wat dan ook. Ik wil dat de mensen zullen zien dat Jezus Christus opgestaan is uit de dood, en dat Zijn Geest leeft. Hij is Dezelfde gisteren, heden en voor immer.
250 Geen wonder dat Jezus zei: "Vrees niet. Ik ben Degene die dood was, maar Ik ben levend voor altijd." Want nu zijn wij verlost door Hem en zijn opgestaan met Hem. En wij zijn nu, niet zullen zijn, met Hem gezeten in hemelse plaatsen.
251 Nu, als wij deze Geest in ons hebben – het eigendomsbewijs – toont dit dat al de twijfels eruit geschrapt zijn. Maar Christus leeft – niet ik leef, niet ik, maar Christus leeft in mij. Niet u leeft, maar Christus leeft in u, omdat Zijn levend Woord in u leeft, tonend dat al de verklaringen van al uw Methodisten-, Baptisten-, en Pinksterideeën en al het andere door Jezus Christus zijn doorgehaald.
252 Zoals op de Berg der Verheerlijking... en al de profeten en al het andere is voleindigd. Al de dagen van de Lutheranen, Methodisten en Presbyterianen – zij zijn in orde, maar "dit is Mijn geliefde Zoon. Hoort Hem." Het Woord van dit uur – het uur van de Zegels toen al de geheimen daar vroeger, die al deze jaren verborgen waren geweest... en van die grote piramide der tijd de hoeksteen afgeslagen werd, het afgeslepen makend, zodat de Ster van David zich op deze plaats zal zetten, en de grote gemeente van de levende God opgewekt zal worden als de vleugels van een arend, opgenomen daarginds in de heerlijkheid. Ja, nu in onze lichamen, sprekend met nieuwe tongen, profeterend en vooruitziend, handen op de zieken leggend en zij genezen... de wereld dood en al de dingen van de wereld. Wij zijn van de dood overgegaan in het leven en wij bezitten nu de kracht. Halleluja!
253 Op die opstandingsmorgen, als de zegels van de dood verbroken zullen zijn, zullen wij opstaan. Halleluja! Wij zullen opstaan. Amen.
254 Er zijn niet genoeg duivels in de hel om ons daarvan te weerhouden. Wij waren door God voor dit uur voorbestemd. Het Woord van God manifesteert Zich door ons heen, en wij leven in de tegenwoordigheid van God, door de Woord-belofte van God.
255 Er is geen duivel in de hel die mij kan weerhouden op te staan. Er is geen deur die hij in mijn gezicht kan sluiten op die morgen. De zegels zijn verbroken. Halleluja! Ik ben vrij. Ik ben een arend. Ik zit niet langer in een kooi, maar ik ben vrij. Ik ben opgewekt uit de dood tot een nieuw leven van Jezus Christus; niet alleen ik, maar iedere man, vrouw, jongen of meisje, dat hier zit en vervuld is in die Geest van God. Hij is een nieuw schepsel in Christus, en u bent een arend.
256 Wij zijn levend vandaag en genieten voor altijd van de opstanding. Omdat Hij leeft, leven wij ook en Hij leeft in ons, ons levend makend, en de Geest die Hem deed opstaan uit de dood en woont in onze wezens, zal onze sterfelijke lichamen levend maken in dat grote eeuwige Pasen. Glorie voor God!
257 O, neem de wereld, neem alles wat u wilt, maar geef mij Jezus. Amen. Ik heb Hem lief. Hij is de hele wereld voor mij; en omdat u een deel van Hem bent, ben ik een deel van u, u bent een deel van mij, en tezamen zijn wij een deel van Hem.
258 O Christenen, wat hebben wij een gelegenheid! Wij hebben een gelegenheid waarvan Paulus nooit droomde die te hebben. Wij hebben gelegenheden die Henoch, Elia en zij allen nooit hadden – de gelegenheden die wij nu hebben.
259 Er is één klein schaap hier ergens buiten en Hij zal niet voldaan zijn, totdat die ene in de kudde komt. Door de hulp van God en door een visioen, en ZO SPREEKT DE HERE, keer ik weer terug overzee. Misschien is dat kleine schaap daar zwart, want alles wat ik weet – zij geloven daar zelfs niet dat zij een ziel hebben, maar God weet dat het anders is. Ik zal zoeken tot de laatste dag van mijn leven om dat ene te vinden, waar het ook is.
260 Ik hoop dat ik nooit enigen van mijn broeders beledigd heb door deze strenge dingen te zeggen – niet dat ik niet wil dat u naar de gemeente gaat. Zeker, ik wil dat u naar de gemeente gaat. Gaat u naar de kerk, waar u ook gaat. Maar laat dàt niet uw hoop zijn, zeggend: "Wel, ik behoor hierbij", of "ik behoor daarbij." O, broeder of zuster, behoor bij Christus! Ga naar de gemeente, maar behoor bij Christus. Amen!
261 Laat dat potentieel, als dat nog niet in u is, u juist nu tot leven verwekken. Zou u het niet willen ontvangen? Deze ruimte is er vol van. Ik voel het helemaal over mij heen. Ik weet dat het hier is – de kracht van God. De grote Ziener van visioenen, de grote Voorspeller die de dingen kan vertellen die nooit hebben gefaald. De Grote die kan spreken, niemand kan zeggen dat het "nee" is. Een mens kan openen en geen mens kan sluiten. Hij, die dood was, leeft nu, en leeft vandaag hier in Phoenix, wandelend temidden van de wederom geboren bloemen.
262 Geen wonder dat er op die Paasmorgen kleine dauwdruppels als tranen op de wang van elke lelie en roos lagen. Waarom? Zij wisten dat zij opgekomen waren uit de grond en ergens is er een eeuwig bloeiende bloem. Die zal op zekere dag zijn plaats innemen. Zo is het.
263 Geen wonder dat tranen van vreugde langs onze wangen kunnen rollen. Geen wonder dat onze harten trillen en beven, wanneer wij kunnen voelen dat diezelfde veranderende kracht in ONZE levens komt en ons vervult, ja zelfs ons laat spreken in een taal die uit de hemel komt.
264 Wij worden daar zo opgewekt in Zijn tegenwoordigheid – profeteren, zien vooruit, voorspellen, en alles, volmaakt kloppend met het Woord. Als er geprofeteerd wordt in tegenspraak daarmee, geloof het dan niet; maar als het overeenkomstig het Woord is, dan is het al gezegd, ZO SPREEKT DE HERE. "Vrees niet, Ik ben Hij, die dood was en leeft voor altijd." Dat is Gods Paaszegel.
265 Dat verzegelt iedere letter van dit Woord in uw hart. Wat is het zegel? U bent geschreven brieven, gelezen door alle mensen. U weet dat. Maar als God u opgeëist heeft, verzegelde Hij u met het Paaszegel, dat u met Christus bent opgestaan, en u bent een nieuwe schepping. Als u deze morgen niet verzegeld bent, doe het dan terwijl wij onze hoofden buigen.
266 [Er wordt door iemand in de samenkomst een boodschap door middel van profetie gegeven – Vert]
Hoorde u dat? Denk nu na, met uw hoofden gebogen. Romeinen 8:11: "Als dan de Geest, die Christus uit de dood deed opstaan, in u is, zal Hij ook uw sterfelijke lichamen levend maken."
267 Waar kunnen wij naar uitzien, mensen? Wat is er nog over? Kijk naar Formosa en de hele wereld, atoomraketten en al het andere staan klaar om de wereld te treffen – men is gewoon zo nerveus, bevreesd en schreeuwend, en dan die filmkomieken daar, die maar allerlei moppen tappen – het is net als een kleine jongen die 's avonds al fluitend over het kerkhof loopt, om de mensen te laten geloven dat alles in orde is. Laat u niet bedriegen. De komst van de Here is nabij.
268 Onlangs kwam een visser naar mij toe en vertelde mij (hier zittend bij de baai) dat op de een of andere ruige punt of zoiets hier, lang voordat die aardbeving Griekenland schudde, al de vissen die gewoonlijk om die tijd 's morgens voedsel zochten, dat niet meer deden. Wat was het? Zij kwamen niet aan de oppervlakte. De tweede keer dat het gebeurde, vond hetzelfde plaats. Hij wist toen dat er iets zou gaan gebeuren, want de vissen zochten op die tijd niet naar voedsel.
269 Al de zeemeeuwen en zo, die zich voeden met vis, hielden ermee op. Zij voeden zich 's morgens vroeg. Zij zaten op de oever, gingen bij de klippen en zo vandaan – want binnen enkele ogenblikken begon het zeemos omhoog te koken uit de aarde van de zeebodem. Die vissen wisten dat voordat het gebeurde.
270 Toen ik naar India ging las ik in de krant: "Die aardbeving moet voorbij zijn." Dagenlang wilden de kleine vogels niet terugkeren naar hun nesten in de rotsen; het vee wilde niet in de buurt van hun hokken komen staan, in de schaduw in de hitte van de dag. En de schapen stonden helemaal buiten in het midden van het veld en leunden tegen elkaar aan. Zij wilden niet in de buurt van die rotsen komen, twee of drie dagen voordat de aardbeving plaats vond. Waarom? Die schapen wisten het. Zij wisten dat er iets zou gebeuren. Die meeuwen wisten dat er iets op het punt stond te gebeuren. Die vissen wisten dat er iets op het punt stond te gebeuren. Het is dezelfde God, welke die dieren in de ark leidde.
271 Kunt u het niet zien, Geest vervulde mensen, dat er iets op het punt staat te gebeuren? Zie niet uit naar een of andere grote wereldwijde beweging, maar naar niets anders dan de komst van de Here Jezus. Bedenk, herinner u slechts de woorden en de belofte van de Here. Zou u niet heel snel binnen willen komen? Ga weg bij die grote muren. De opstanding is hier nu nabij.
272 Als hier iemand is die niet weet dat hij of zij in die opstanding zal gaan en er niet zeker van is, dat die opstandingskracht aanwezig is in hun beenderen... Hoewel de huidwormen het doorknagen, al zou een atoombom tot uitbarsting komen in het midden van u, zal hij toch nooit die levendmakende opstandingskracht in u vernietigen. Nee, nee, zuster, broeder, uw kostbare naam is geplaatst in het boek des levens des Lams daarboven. Niemand kan hem eruit wegnemen. Er is niet genoeg vlakgom in de wereld om uw naam uit dat Boek te wissen, daar Zijn bloed hem gekocht heeft. Als u daar niet zeker van bent, waag het er dan nu niet op.
273 U zou misschien een kans kunnen wagen om ergens door een barricade heen te lopen zonder gedood te worden, maar u zult niet door deze barricade heen kunnen lopen. Nee, nee, u zult het gaan krijgen. U behoeft het niet. Er is een rood licht dat nu flitst. Laat het liggen. Laat uw eigen ideeën liggen. Laat de dingen van de wereld liggen. Kom. Laten wij tezamen opgewekt worden in deze grote Paastijd, de grote viering van Pasen.
274 Kunt u het deze week in uw hart vieren? Als u het niet kunt, zou u dan uw hand op willen steken en zeggen: "God, ik ben er niet zeker van. Ik weet het niet precies of ik dat alles zou kunnen doen of niet. Wilt u mij helpen? Ik steek mijn hand tot U op, Here. Help mij!"
275 God zegene u. God zegene u. Dat is goed. "Ik wil U, Here. Help mij. Ik wil opgewekt worden. Ik wil het potentieel nu hebben. Ik wil weten of het in orde is. Ik wil weten dat het in orde is, Here."
276 Ik kan geen vergissing maken. Ik wil dan geen vergissing maken. Het zal dan te laat zijn. Nu is de dag. Nu is de dag, wacht niet.
277 Niet lang geleden was ik aan het prediken. Een oude kleurling ontmoette mij daar achter in het gebouw. Hij zei: "Prediker, ik wil u zeggen dat u gelijk hebt." Hij zei: "Ik heb lang geleden tegen de Here gezegd dat ik mijn plaatsbewijs in mijn hand wil hebben op die morgen. Ik wil weten dat het juist gestempeld is. Er zal heel wat moeite zijn daar beneden aan de rivier." Hij zei: "Ik ben aan het afdalen naar die rivier. Ik wil daar geen moeilijkheden. Ik wil het allemaal hier al in orde hebben gemaakt."
278 Zo is het. Hebt u uw visum? Als u uw visum niet hebt... u mag misschien uw paspoort hebben, maar als u uw visum niet hebt, kunt u het land niet binnengaan. U weet dat. Is alles gereed? Als het niet zo is, is het juist nu de tijd om het te doen.
279 Maak de rekening op, als u nu enigszins bevreesd bent. Er zijn hier ongeveer honderd handen omhoog gegaan, dus als u enigszins bevreesd bent, maak het dan nu in orde.
280 Nu, ik weet dat wij verschillende manieren hebben gehad. Sommigen zeggen: "Kom en laten wij elkaar de hand schudden." Anderen zeggen: "Kom en kniel bij het altaar." Nu, dat is allemaal fijn. Ik heb er helemaal geen enkel woord tegen te zeggen. Geen enkel ding. Maar laat mij u gewoon mijn manier vertellen: "Zo velen er geloven..." Naar het altaar komen doet u niet geloven. Het handen schudden met de voorganger doet u niet geloven. Maar als u door God geroepen bent en u bent een adelaar van het begin af aan, dan vertelt slechts één schreeuw het u. U gelooft. Als u het werkelijk gelooft, zal ik met u bidden.
281 Zou u zich voor kunnen stellen dat die kleine arend nog langer op dat boerenerf zou blijven? Nee! nee, blijf hier niet langer, vriend. Laten wij nu in de opname gaan. De genade van God is hier.
282 Hemelse Vader, wij beseffen dat wij steeds dichter bij het sluitingsuur komen. Het zal niet al te lang meer duren dat we hier zijn. Niet wat onze leeftijd, maar wat de tijd betreft. Wij geloven dat er menig jong persoon hier zit die zal leven als dit gebeurt, en het zou misschien vandaag al kunnen gebeuren. Wij weten de minuut of het uur niet, maar Here, U vertelde ons: "Als u deze dingen ziet plaats vinden..." en zij hebben nu al een lange tijd plaats gevonden.
283 Wij weten dat wij er al voorbij zijn volgens de geleerden. Zes of zeven jaar geleden was het drie minuten vóór middernacht. Wij weten niet hoeveel tijd er weggetikt is, maar wij weten dat wij daar in orde zullen zijn. O God, om die verzekering te hebben! Om te zien dat ons hart iedere belofte van God met "Amen" onderstreept. Om te zien dat de Geest Zelf, die in ons gekomen is, ons wezen levend maakt!
284 God, laat mijn broeders dat vanmorgen zien. Laten mijn broeders dat zien. Dat die Geest binnenkomt en het Woord levend maakt. Laten mijn zusters hetzelfde zien, Here. En als zij dan iets zien dat hen niet zou opwekken tot dat Woord, o God, mogen zij dat dan onmiddellijk kwijt zien te raken. Sta het toe, Vader. Alles is nu in Uw handen.
285 Ik weet dat ik in veel dingen gefaald heb en blijf falen, maar Here, ik heb alles gedaan wat ik maar weet te doen. Nu is het in Uw handen. Zij zijn de Uwen in Jezus' Naam. Neem hen aan, Vader.
286 Nu, aan u die hier bent en aan degenen die genezing voor uw lichaam van node hebben...
287 Hoeveel gelovigen zijn hier? Steek uw hand op. "Ik ben een gelovige, voor zover ik mijn hart ken." Hoevelen bezitten, dat u zonder een zweem van twijfel weet in uw hart, dat u juist nu bent opgewekt uit de dood? O, wat zou er dan in een samenkomst als deze kunnen gebeuren!
288 Ik weet dat ik laat ben, maar wat zou er nu niet kunnen gebeuren? Denk er over na wat plaats zou kunnen vinden! De mogelijkheden liggen gewoon in u.
289 U, met uw hand omhoog, u legde zoiets als een eed aan God af: "Ik weet dat er iets met mij gebeurd is. Ik mag dan nog niet precies zijn waar ik behoor te zijn." Ik evenmin. Nee, meneer. Ik ben nog lang niet wat ik behoorde te zijn, maar dit ene weet ik: ik ben overgegaan van dood in leven. Ik weet dat er iets met mij gebeurd is.
290 Niet als een oude man nu, maar vele, vele jaren geleden gebeurde het, en ik weet nog die dag dat ik het ziekenhuis inging en mijn grote uitdaging had... Ik zag mijn vrouw sterven, terwijl ik om haar leven riep. "Wat heb ik anders gedaan dan op de straathoeken staan prediken en bidden voor de zieken." En toen zei Satan: "Wel, Hij wil je gebed niet verhoren." Ik zag haar sterven, maar ik weet dat in haar die opstandingskracht was. Die beenderen zullen weer opstaan.
291 Ik zag mijn kleine baby daar liggen. Ik legde mijn hand op haar en zei: "God, neem haar niet." Het leek alsof Hij het gordijn neertrok en zei: "Ik wil je nooit meer horen." Satan zei: "Daar heb je het, slechts één woord." Hij wist wel beter dan mij te vertellen dat er geen God was, omdat ik dat wel wist. Maar hij zei dat Hij mij niet meer liefhad, Hij Zich niets van mij aantrok. Elke redenatie. Hij zei: "Je bent nog maar een jonge man, pas twintig jaar oud. Daar ligt je vrouw in een kist, en hier is je baby die ook heengaat. En je zei dat Hij een grote Geneesheer was en dat Hij dit allemaal was, en zie nu eens, wat doet Hij? Eén woord, Hij zou het zelfs niet behoeven te spreken. Gewoon maar omlaag zien en zeggen... alleen maar met Zijn hoofd knikken, dat is alles wat plaats zou vinden. Zij zou genezen worden, maar zie je, Hij houdt niet van je. Hij zorgt niet voor je. Hij laat je baby daar gewoon sterven. Hij weigert zelfs je gebed te verhoren in dit donkere uur."
292 Alles wat hij zei was absoluut de waarheid. Hij zei: "Wat heb je gedaan? De hele dag lang gewerkt totdat je nauwelijks op kon staan, en dan de hele avond tot middernacht of één uur daar op de straathoeken staan prediken en het ziekenhuis opbellen. Thuiskomen en in een stoel gaan zitten. Daar zitten, een uur of twee slapen en weer aan het werk gaan. De volgende avond, hetzelfde. Je bent nu ongeveer eenentwintig of tweeëntwintig jaar oud. Elke vriend, elke jonge dame, iedere jonge man, waar je ooit mee omging noemt je een zonderling. Wat heb je gedaan? Je hebt van jezelf een dwaas gemaakt. Zie je het niet?"
293 Ik stond juist op het punt om hem toe te geven. Maar er was iets in mij dat die levendmakende kracht had. Ik zei: "De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen. Geprezen zij de Naam des Heren."
Als al mijn hoop vervlogen is,
Dan is Hij al mijn hoop en steun.
Op Christus, de vaste Rots sta ik,
Alle and're grond is zinkend zand,
Als Hij zal komen met bazuingeschal
O, dat ik dan in Hem bevonden worden zal...
Gehuld in de klederen van Zijn gerechtigheid, niet in mijn eigen – ik heb er geen. De mijne zijn smerige, vuile lorren.
294 Ik zou niet graag proberen op grond van mijn prediken naar de hemel te gaan. Ik zou niet graag proberen op grond van mijn visioenen naar de hemel te gaan. Ik ga naar de hemel omdat ik Zijn genade in mijn hart bewaar – Zijn genade voor mij. Daarom ga ik. Zó gaan wij.
295 O vriend, u bent een deel van dit lichaam. U bent Gods kleine kinderen. Nu, ik zeg dit om uw hoop op te bouwen. Als ik genade bij u gevonden heb en u de waarheid verteld heb, en wat ik u verteld heb... zoals de profeet zei uit die voorbije jaren – niet mijzelf tot Zijn profeet makend – beslist niet; maar ik vertel u de waarheid. Heeft Hij ooit iets anders gezegd dan wat juist was? Ik ken u hier in Phoenix nu al twintig jaar. Sedert dat lied Ik zou er graag met Hem over willen spreken, in de kerk van broeder Outlaw, geloof ik dat het was, of die van broeder Garcia. Heb ik u ooit iets in de Naam van de Here verteld dan dat het gebeurde?
296 Denk er aan, er is maar één hoop. Krijg deze levendmakende kracht. Het zal u vasthouden als alles wegvalt.
297 Enigen van hen zeiden: "Hebt u uw godsdienst behouden, broeder Branham?"
Ik zei: "Nee, het behield mij." Het behoudt mij. Ik houd Hem niet vast. Het is niet of ik vasthoud of niet, het is of Híj vasthoudt of niet. Hij hield mij vast. Hij behoefde het niet te doen.
298 Er zaten engelen in iedere boom. "Trek gewoon uw vinger los – wijs gewoon. U behoeft het niet van het kruis af te nemen. Wijs gewoon met uw vinger en let op." Zie die spottende troep. Maar als Hij dat had gedaan, zou ik vandaag dit getuigenis niet kunnen hebben. U zou het niet kunnen hebben, maar omdat Hij aan het kruis bleef, omdat Hij daar standhield, daarom houd ik stand met Hem.
Op Christus, de vaste Rots sta ik;
Alle and're grond is zinkend zand...
299 Nu, als u ziek bent, zou u dan elkaar de handen willen opleggen. Laten wij bidden. Legt uw handen op iemand naast u. Ongeacht wat er verkeerd is, heb nu geloof. Als ik ooit de waarheid verteld heb, vertel ik deze nu. Jezus zei: "Deze tekenen zullen hen volgen die geloven." En u bent gelovigen – hef dan gewoon uw handen op. Twijfelt niet. Er is een of ander arm, lijdend mens, op wie u de handen hebt gelegd. Iemand heeft de handen op u gelegd.
300 Denk aan die levendmakende kracht, die kracht die Jezus uit het graf deed opstaan. U hebt geloof in wat u in uw eigen lichaam hebt. Het zal die persoon helpen, op wie u uw handen hebt gelegd. Als Hij in u woont, zal Hij ook uw sterfelijke lichamen levend maken.
301 Dierbare God, als ik hier sta deze morgen, terwijl we de middag naderen, en het was omstreeks dit uur van de dag dat Jezus uitriep: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" ... "Mij dorst." Geen wonder dat de profeet het van tevoren zag en zei: "Al mijn beenderen staren mij aan, zij doorboren mijn handen en voeten." Maar: "Hij was gerekend met de overtreders. Hij werd verwond voor onze overtredingen. Hij werd verbrijzeld voor onze ongerechtigheden. De straf die ons de vrede aanbrengt, is op Hem en door Zijn striemen zijn wij genezen." Wij staan daar vanmorgen op, God. Wij doen daar een beroep op.
302 Merk op; in de morgen van deze opstanding, op deze bevestigde waarheid die ik verteld heb, Here, vanuit Uw Woord in de tegenwoordigheid van God. Hij is Rechter en wij zijn getuigen dat Hij ons verlost heeft, en dat in ons die opstandingskracht ligt door de genade van God.
303 Onze vrienden zijn ziek, zij op wie de handen gelegd zijn. O God, wij dagen de duivel uit vanmorgen temidden van ons geloof, terwijl handen gelegd zijn op de mensen, en ik mijn handen heb uitgestrekt over de mensen. Laat iedere ziekte, iedere kwelling die probeert de mensen vast te houden in de tegenwoordigheid van deze betuigde Waarheid, er uitkomen in de Naam van Jezus Christus. Mogen deze mensen vrijgemaakt zijn vandaag.
304 De Bijbel, de Woorden van onze God, zegt: "Als zij hun handen op de zieken leggen, zullen zij genezen." En onze handen zijn in de lucht naar U opgeheven, God. Zoals iedere plant van de aarde uit Uw fontein drinkt, en zo zeker als die plant die ontkiemd is, uit Uw fontein drinkt, begint hij zich op te bouwen. Hij begint te groeien. De graanstengel, de bloem, wat het ook is, drinkt uit Uw fontein en groeit naar U toe. En deze morgen zijn wij centimeters gegroeid, Here. Wij kunnen hoger reiken. Wij drinken uit Uw fontein. Wij zijn Uw schepselen met de opstandingskracht binnen in ons, Here, en wij bidden dat U ons gebed zult verhoren; en moge iedere kwaal die deze dierbare mensen hier, die deze kracht bezitten, hindert, hen loslaten, zodat zij God kunnen dienen. En het zal wèl zijn, Here, in de Naam van Jezus Christus. Amen.
305 Gelooft u Hem? Iets als dit verlaten? Hoe kunt u het? U moet gewoon uzelf als het ware lostrekken. Voelt u het zo? Het zou kunnen zijn dat ik alleen... maar ik heb een vreemd gevoel als ik onder de mensen kom, die zoals hier bij elkaar zitten. Ik weet dat ergens, onzichtbaar hier, iets door deze ruimte gaat. Christus is in deze ruimte. Bedenk wel, onze Verlosser. Tony, Hij is hier. Amen! En wie zouden er gelukkiger kunnen zijn dan mensen die in het bezit zijn van Bijbels bewijs, en die ieder Woord van God dat gemanifesteerd werd kunnen zien – zelfs vergeleken bij engelen en Zijn Wezen, zoals zij dat door de eeuwen heen hebben gehad, en de woorden door de zieners voorspeld, hebben gehoord, en het gebeurde precies zo. En hier zijn wij aan de vooravond van Zijn komst. O, wat een wonderbare tijd.
306 Wij zullen Hem zien. Eén dezer dagen zal Hij hier zijn. Wilt u voor mij bidden totdat Hij komt?
307 Grote gevaren liggen vóór mij. Ik weet het. Ik kom in aanraking met heidenen die je zouden kunnen neerschieten alsof zij een dronk water nemen. En je moet er gewoon voor betalen, je komt op hun grondgebied; duivels die je zullen uitdagen over de Bijbel, net zo gemakkelijk, maar ik heb nog niet één keer gezien dat God niet de overwinning behaalde. Ik ga in Zijn Naam, in de Naam van de Here Jezus Christus, de Hoop van eeuwig leven, de Opstanding en het Leven.
308 "Hij die leeft en in Mij gelooft, zal leven al ware hij gestorven. En wie leeft en in Mij gelooft, zal nooit sterven." Ik geloof dat dit Gods eeuwige Woord is. Gelooft u hetzelfde? Wilt u voor mij bidden? En ik zal voor u bidden.
309 Moge God over ons waken, totdat wij elkaar weerzien. Laten wij nu een ogenblik opstaan. Laten wij onze hoofden buigen. Het zou niet goed zijn als we dat lied niet zouden zingen, is het niet? Herinnert u zich ons lied "I love Him"["Ik heb Hem lief"]? Leeft dat in ieder hart? Laten wij het nu zingen. Geliefde zuster, zou u... Ik wil zeggen dat ik uw spel ook waardeer, zuster.
Ik heb Hem lief; ik heb Hem lief,
Omdat Hij mij eerst liefhad,
En mijn redding kocht,
Aan Golgotha's kruis.
Nu gaan wij een ander lied zingen:
Mijn geloof ziet op naar U,
U, Lam van Calvarie,
Goddelijke Verlosser!
Hoor mij nu terwijl ik bid,
Neem al mijn schuld nu weg,
O, laat mij van deze dag af aan,
Geheel de Uwe zijn.
310 Doet u dat niet iets? Hoevelen van u houden daar echt veel van? Ik houd van lofliederen, maar wanneer u in de Geest van aanbidding bent, houdt u dan niet van die oude, lieflijke liederen? Ik geloof dat de Heilige Geest bewoog over Eddie Pruitt en over hen die deze prachtige oude liederen schreven. Gelooft u dat niet? Fanny Crosby schreef:
Ga mij niet voorbij, o Heiland,
Hoor mijn nederig geroep;
Wijl Gij anderen roept, o Here,
Ga mij niet voorbij.
Gij de stroom van al mijn troost,
Meer dan 't leven zijt Gij mij,
Wie heb ik op aarde behalve Gij,
Wie in de Hemel dan Gij.
311 Is dat niet wonderbaar? Dat maakt dat wij willen zingen "I love Him", is het niet? Nu, terwijl wij deze keer zingen "I love Him", laten wij... Wij hebben elkaar lief. Als wij elkaar niet liefhebben kunnen wij Hem niet liefhebben. Laten wij nu elkaar de hand schudden, gewoon de hand schudden, gewoon opstaan en over de tafel ergens iemand de hand schudden.
Ik heb Hem lief; ik heb Hem lief
Omdat Hij mij eerst liefhad,
En mijn redding kocht,
Aan Golgotha's kruis.
312 Laten wij nu onze hoofden buigen. Ik zal broeder Williams, de jonge broeder Williams, vragen hier even te willen komen. Ik zal hem vragen met dit gehoor in gebed te willen sluiten.
313 Ik houd van broeder Williams, een jonge Christen, en ik geloof dat hij werkelijk een dienstknecht van Christus is – zijn kleine gezin. Ik heb heel wat gemeenschap met hen en de dierbare Moseley broers, zij allemaal. Wij zijn tezamen geweest, en zoveel van mijn dierbare vrienden hier in Phoenix, die ik liefheb met mijn gehele hart. En ik geloof dat Hij die morgen in dat visioen zei: "Allen die u ooit beminde en allen die u beminden, heeft God u gegeven."
314 Misschien is hier iemand die berouw heeft over zijn zonden. Daar op de vloer ligt een jonge dame te huilen. Laten wij even onze hoofden een ogenblik voor haar buigen.
315 Dierbare God, is dat dit kleine schaap dat in Phoenix was achter gelaten? Ik weet het niet, God, u weet het. Maar op zekere dag zal het gebeuren. Maar Vader, dit is er ongetwijfeld één, dus bid ik dat U haar juist nu wilt helpen. Dat U lieflijk de poort opent en zegt: "Kom, Mijn kind. Kom binnen vanaf de vermoeiende weg. Je bent daar in de duisternis aan het struikelen geweest. Ik kom vandaag naar buiten om je te ontvangen. Het is Mijn Geest die tot je spreekt en je nu tot de kudde brengt." Sta het toe, God. Moge deze jonge vrouw op de tweesprong van het leven..." Hij die Mijn Woord hoort en gelooft in Hem die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven." Sta het toe, dierbare God, aan deze jonge Christin.
316 "Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen." En bedenk dan, terwijl heiligen over de jonge vrouw staan te bidden – dat zelfs bij Paulus, toen hij zo hevig werd gestenigd dat hij stervende was, en toen de heiligen zich over hem bogen en baden, het leven terugkwam; omdat in de lichamen van die heiligen die levendmakende kracht was, die de levensgeest weer in Paulus terugbracht. God, zeker kan door het gebed des geloofs te bidden, iemand uit de dood tot leven komen. Sta het toe, dierbare God. Zegen ons nu, terwijl wij op U wachten. In Jezus' Christus Naam, bidden wij. Nu, met uw hoofden gebogen, zal ik broeder Williams vragen...











