Terug

De verworpen koning



Door William Marrion Branham




1 ...voor de heerlijkheid van de Here om op ons te worden gebracht door de bediening van het Woord. Deze afgelopen week ben ik gewoon een beetje in de put geweest, - niet in de put, om precies te zijn; het was een test die ik moest ondergaan, een lichamelijke test; en daarom hoorde u dat ik in het ziekenhuis lag. Ik ging er heen om de reden dat ik niet heen en terug zou hoeven te gaan over de rivier. Je ondergaat een onderzoek van het spijsverteringssysteem en ze moeten... elke paar ogenblikken komen ze terug om je weer door te lichten.

2 Maar wij worden geacht (als we zending overzee bedrijven) dit elke zes maanden te ondergaan. Broeder Roberts en de zijnen, geloof ik, krijgen elke zes maanden de hunne, maar ik had in vier jaar geen onderzoek gehad.

3 De moeilijkheid - ik houd gewoon niet van die Castor-olie. Dat is het enige. En zij zeggen dat er niets anders is wat zij ervoor in de plaats kunnen geven, dus ik... O, ik werd zo ziek, toen ze me dat spul gaven. Weet u, ik heb u in mijn levensgeschiedenis verteld, hoe ziek dat spul me maakt, en ik vind het gewoon verschrikkelijk om het spul in te nemen. En ik zei tegen mijn hoffelijke dokter-vriend: "Is er niet iets anders?"

Hij zei: "Dat denk ik niet, broeder Branham."

4 O, toen die dame daar binnenkwam met... misschien overdrijf ik, maar het leek wel ruim een liter. Ik heb nog nooit zoveel gezien, en ik hield gewoon m'n neus dicht en kokhalsde, maar tenslotte kreeg ik het binnen.

5 Maar nu, door de beproeving heen en alles waar ik doorheen ging, wil ik de Here danken voor een volmaakt onderzoek. En ik kwam er honderd procent door; kan overal ter wereld gaan waar ik wil. Ik vroeg de dokters, die drie van de beste specialisten waren, geloof ik, in Louisville, en ik vroeg hun; ik zei: "Ben ik tenminste voor tien procent afgekeurd?"

6 Hij zei: "U bent voor niet één procentje afgekeurd." Hij zei: "U verkeert in elk opzicht in perfecte gezondheid." Ik ben God zo dankbaar. Van Wie anders kon het komen dan van onze Hemelse Vader, dat ik zo ben. En hij zei: "Heel uw bloedstroom toont daarbinnen dat u jong zou zijn."

Hij zei: "Uw bloedcellen zijn zelfs nog niet begonnen af te breken, of wat ook." Hij zei: "U bent in een erg goede conditie, broeder Branham."

En ik zei: "Wel, ik ben zo blij."

7 En ik had het voorrecht te spreken, te getuigen tegen elke verpleegster in dat ziekenhuis en elke dokter over het Koninkrijk van God. Eén bepaalde dokter - ik geloof dat hij hier zou zijn deze morgen. En ik ben blij te weten dat er nog steeds goede mannen in deze wereld zijn, echte mannen. Mannen die me vijf dagen lang een lichamelijk onderzoek laten ondergaan, wat waarschijnlijk twee of driehonderd dollar voor elk zou kosten; en toen ik erdoor gekomen was, zeiden ze: "Het is onze bijdrage aan het werk van de Here dat u doet." Zelfs geen... Zeiden: "Wel, u maakt het ons moeilijk door ons zelfs te vragen of u ons iets schuldig bent." Ze zeiden: "Bidt u slechts voor ons."

8 "En van binnen", zeiden ze, "vinden we een emotioneel iets wat we niet kunnen begrijpen." Hij zei: "Van de buitenkant bent u niet nerveus of in onrust, maar", zei hij: "van binnen is er een emotie die we niet kunnen begrijpen."

9 Ik zei: "Als u hier even een ogenblikje wilt gaan zitten, zal ik het u vertellen." En ik ging spreken over visioenen. Het was een ander terrein voor hen. Ze wisten er niets over. En ik vertelde hun over de Bijbel. Toen vertelde ik hun van het visioen wat de Here me onlangs gaf en ze huilden als baby's - zaten daar maar en huilden.

10 Ik zei: "Ik hoop dat u mij niet beschouwt als de een of andere religieuze zonderling of de een of andere..." Hij zei: "In geen geval, broeder Branham. Ik geloof dat met heel mijn hart." Hij zei: "Maar ik wil even één ding zeggen, je gaat niet naar schóól om die dingen te leren. Ik geloof dat ze komen van de Almachtige God." En dat waren drie van de vooraanstaande artsen in Louisville, de besten die ze hadden. En ik was daar zo blij over en om te weten dat misschien de Here me daar wat zaad laat planten.

11 Elke verpleegster sprak tegen me... Op een morgen, toen ik uit de röntgenkamer kwam, zei ik tegen de... Ik keek naar een arme, oude vrouw; ze was zo ziekelijk. En ik kwam in beweging tot ik bij haar kwam. Ik dacht dat ze op sterven zou kunnen liggen en ik zei: "Ik wil u een vraag stellen, zuster."

Ze zei: "Ja meneer?"

Ik zei: "Bent u een Christen?"

En ze zei: "Ik behoor tot een bepaalde kerk."

12 En ik zei: "Ik wil dat even een beetje duidelijker maken. Ik wil weten of u een Christen bent, echt een Christen. Dat als u deze levenszee zou oversteken het andere land binnen, houdt u dan van Hem?" Ik zei: "Zou u werkelijk gered zijn?"

En ze zei: "Jazeker, dat zou ik."

En ik zei: "God zegene u dan. Het geeft niet uit welke hoek de wind waait, dan bent u in orde. Zolang als het zo gaat." En als we rondgaan, zijn er zo nog vele fijne mensen achtergebleven in de wereld.

13 Nu, vandaag ben ik binnengekomen met een visioen, dat ik u straks zal vertellen, en ik zou eerst over iets van het Woord willen spreken, omdat ik geloof dat het Woord erg belangrijk is - het allerbelangrijkste nu.

14 Nu, ik ben blij Charlie Cox te zien en broeder - mijn vrienden die daar bij elkaar staan - broeder... ik kan niet... Jefferies (ik kan niet op zijn naam komen), velen van u, andere dierbare broeders uit Georgia, van verschillende delen van het land - mijn oude makker, Bill, die hier zit (geloof ik) deze morgen, en vele - en de broeder daar uit Georgia, de mensen die mij dit pak gaven. Weet u, dat is één van de beste pakken die ik ooit droeg. Het voelt gewoon zo goed aan. Het is werkelijk erg fijn en... U betekent zoveel voor mij. Wanneer ik u vertel wat deze laatste paar dagen met me gebeurde, zult u zien waarom ik vind dat het zoveel voor me betekent.

15 Nu, ik geloof zo de Here wil, dat ik de strijd harder dan ooit tevoren in mijn leven wil aanbinden, omdat ik nu ontdek, als - natuurlijk, ik zou vandaag kunnen sterven. Dat weet u niet. Elektrische cardiogrammen en alles, zestien verschillende soorten röntgenfoto's - een volledig onderzoek van het lichaam toonde dat ik zo normaal was als welk persoon dan ook zou kunnen zijn - een menselijk wezen op aarde. Dus ik ben daar dankbaar voor. Maar alle dingen, zelfs dat alles, en zo dankbaar en vol dank aan God dat ik ben, dat ik geloof dat Hij mij nog steeds in Zijn dienst houdt, het was niét wat Hij mij even vlak daarvoor toonde, ziet u? Dit maakte me gewoon zo gelukkig.

16 Nu, ik denk vanavond... Het is in orde is het niet? Onze dierbare broeder Neville is een onzelfzuchtig mens. En als iemand van u hier vorige zondag was en die geweldige boodschap hoorde die hij bracht over 'De Oliekruik' - het was één van de bijzonderste boodschappen die ik ooit hoorde, wat broeder Neville bracht door de Heilige Geest, de vorige zondag aan deze kleine kudde schapen die God heeft samen vergaderd. En als het de Here behaagt, en in orde is, met broeder Neville en de gemeente, wil ik weer spreken vanavond, en een serie beginnen van zeg maandagavond, ik bedoel zondagavond, en woensdagavond en de volgende zondag, een serie over wat ik bestudeerde...

17 Ik zou daar niet in het ziekenhuis hebben hoeven te blijven, maar ze waren zo goed voor mij. Ze gaven me de kamer voor ongeveer een derde van de prijs, dus nam ik gewoon mijn Bijbels, mijn boeken, en bracht het hoofdeinde van het bed omhoog tot zithouding en zat daar met mijn knieën helemaal opgetrokken en had al mijn Bijbels en dergelijke om me heen liggen en ik had werkelijk een goede tijd totdat ze die 'Castor'-olie binnenbrachten. Mijn goede tijd hield daar precies op; toen was het uit voor mij. Broeder Pat, ik was werkelijk misselijk. Dat spul kan ik gewoon niet verdragen. Maar ik had de eerste drie of vier dagen een goede tijd. Ik had een goede tijd, en ik bestudeerde het Boek van de Efeziërs. O, ik geloof dat dit tezamen zetten van de gemeente, een prachtig iets is.

18 Nu, als u een kerk hebt waar u heengaat, gaat u dan door en staat op de post waar uw plicht is, maar als u geen gemeente hebt, en u zou graag vanavond terugkomen, woensdagavond en zondagavond, dan zou ik vanavond het eerste hoofdstuk van Efeze willen nemen, en woensdagavond het tweede hoofdstuk van Efeze, en de volgende zondag het derde hoofdstuk van Efeze om de gemeente op orde te zetten. U weet wat ik bedoel, haar te plaatsen in haar positie, en ik geloof dat het de gemeente zal opbouwen.

19 Nu, ik ben niet... ik spreek dit slechts tot degenen van de Branham Tabernakel die komen. En als enigen van u dierbare broeders... ik weet dat sommigen van u, geloof ik, samenkomsten hebben. Onze kleine broeder daar in Sellersburg en verschillende anderen hadden samenkomsten. Nu kijk, dit zijn opwekkingssamenkomsten. Woont u deze bij. Ze zijn dienstknechten van Christus - jonge mannen die op de bres staan, die eruit kwamen. Toen zelfs hun eigen kerk de Waarheid ontkende en dat soort dingen, liepen ze er regelrecht van weg, en God riep hen tot de bediening.

20 Jazeker, ik... ik bewonder mannen... Ik kan zelfs niet op de naam van de man komen. Maar hij is een jonge kerel; fijne, knap-uitziende man met een lieflijke vrouw en kinderen.

21 En broeder Junie Jackson heeft hier wat samenkomsten gehad in het zuiden hier, wat nog een wonderbare opmerkelijke trofee van Gods verbazingwekkende genade is.

22 En wanneer men opwekkingsdiensten in uw kerken heeft, gaat u door met er naar toe te gaan omdat dat uw... dat de zaak is om te doen, omdat u niet weet - het zou kunnen zijn dat een zondaar naar voren komt, en u zou mogen worden gedrongen (letterlijk: beïnvloed - Vert.) om die persoon tot Christus te leiden, wat voor u een grote beloning aan de andere zijde zal zijn. Dit is alleen onderwijzing en de gemeente in orde stellen hier in de Tabernakel, voorthelpend terwijl we voortgaan.

23 Nu, ik heb mijn horloge niet meegenomen, dus iemand zal voor me moeten opletten. Doc heeft me al laten zien dat hij er een heeft, dus... (Broeder Branham praat even met zijn broeder Edgar, 'Doc' Branham - Vert.).

24 Nu, ik zal niet erg lang spreken. Nu, als er vreemdelingen in onze poorten zijn, willen we u zeker met heel ons hart welkom heten. U bent hier welkom in deze kleine tabernakel. We hebben geen al te mooi gebouw. Het staat nu op het programma om het te verbouwen, niet een groot gebouw, maar gewoon een... Dit gebouw is tamelijk bouwvallig, en we zullen gaan proberen ons een fijne, kleine geriefelijke kerk hier te bouwen, zodra de Heer ons zal toestaan om het te doen. En velen van u allen doen al inspanningen hiertoe, en we waarderen dat zeker.

25 Nu, ik wil dat u met mij opslaat deze morgen om te lezen, 1 Samuël, het 8e hoofdstuk en laten we beginnen omstreeks het 19e vers, het 19e en 20e vers misschien, als een kleine tekst voor het verband. Als u het hebt, en voordat... We zullen het lezen en dan willen we gaan bidden; en zouden er deze morgen enige verzoeken zijn, en zeggen: "Gedenk mij slechts?"

26 In onze laatste - twee of drie weken geleden, toen ik de samenkomst had... Zeg, tussen twee haakjes, terwijl u het opzoekt, de samenkomsten beginnen in Chautauqua, op de zesde. We verwachten een geweldige tijd - Middletown, Ohio. U, die uw vakantie in het vooruitzicht hebt, kom erheen. Er is een groot kamp vlak bij de rivier waar u van alles kunt horen prediken. Ze zijn er allen bij de rivier - predikers, elke morgen, de hele dag en avond door. Zo hebben ze allen gezamenlijk samenkomst. Het is een groot terrein om tenten op te zetten, veel groter dan 'Silver Hills' - vele keren groter - en dan een grote plaats daar, waar we tussen de acht- en tienduizend mensen kunnen bergen, en het is altijd afgeladen. We hebben het geweldig in Ohio.

27 En de oude broeder Kidd, voor wie ik onlangs 's morgens ging bidden - u herinnert het zich allen dat ik het u vertelde drie weken geleden; de dokter gaf hem nog vierentwintig uur te leven - hij is op en loopt rond. Hij haalde het Schriftgedeelte aan; een lied dat hij niet kon zingen. En toen ik binnenging en naar hem keek onlangs 's morgens en die kleine shawl over zich heen; (ik ging hier ongeveer drie of vier uur voor het daglicht weg zodat ik hem kon bereiken). Men zei dat hij die dag zou sterven; prostaatkanker.

28 En zijn dierbare kleine, oude vrouw waste voor vijftig cent per dag. En dat betekende van voor zonsopgang tot na zonsondergang voor vijftig cent, om haar man op het veld te houden als prediker. Predikte opwekkingssamenkomsten gedurende twee weken, haalde een collecte op en kreeg tachtig cent. Maar ik zag ze daar onlangs 's morgens zitten, die twee oude paartjes, of paar, liever gezegd, daar zittend, met zijn shawl over zijn schouder; en één van zijn bekeerlingen - tweeënnegentig jaar oud en net zo helder en opgewekt en Pinksteren tot in de pit, en daar zat hij, weet u.

En ik zei: "Weet u, waarvoor zit u, oude mensen, hier?"

"We wachten gewoon tot de boot komt."

29 Hun werk, alles wat ze hebben bereikt; hun doel hebben ze bereikt en ze zijn nu gereed om naar hun beloning te gaan. En ik zei die morgen tegen broeder Kidd: "U zult op de Chautauqua samenkomst zijn."

Hij belde me gisteren op en zei: "Ik zal er zijn, broeder Branham." Het was gewoonweg fijn.

30 Velen van de samenkomst van mijn nieuwe bediening komen binnen. Een broeder, Baptistenbroeder, die hier stond, zijn dochter, een tiener, was een beetje weerspannig geweest en ik vertelde hem onlangs 's morgens: "Ik geef u uw dochter voor de Here Jezus", en toen hij naar huis ging was ze gered, en de andere hier deze morgen om te worden gedoopt, en zo doorgaand.

31 En een man, Mr. Sothmann, een vriend van mij uit Canada - zijn schoonmoeder, in een stervende toestand; ik zei: "U zult uw schoonmoeder, wanneer u daar aankomt, gezond vinden, op weg naar haar herstel en in orde." Dat is precies zoals het was. Precies... mensen komen gewoon binnen. Het is nu nog maar in zijn kinderschoenen, in beweging. Maar o, wij verwachten het buitengewone, overvloedige boven alles. We zijn in de boze en laatste dagen, maar in een heerlijk uur.

32 Nu, hebt u uw Bijbel voor het lezen? Het 8e hoofdstuk van Samuël. En ik beloofde Gene daar achter bij de opname te blijven om de rest van deze... we waren nog maar aan het beginnen in onze samenkomst.

Doch het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: Neen, maar wij willen een koning over ons hebben.

En wij zullen ook zijn gelijk al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren.

Toen Samuël al de woorden van het volk gehoord had, zo sprak hij die voor de oren des HEEREN.

De HEERE nu zeide tot Samuël: "Hoor naar hun stem, en stel hun een koning." Toen zeide Samuël tot de mannen van Israël: "Gaat heen, een ieder naar zijn stad.

33 Nu, als ik zou proberen om hieruit vanmorgen te kiezen wat ik een tekst zou willen noemen voor de volgende paar minuten, zou ik graag de tekst willen kiezen van: De Verworpen Koning.

34 Het was een tijd waarin de mensen, zoals in alle tijden, nooit hebben gewild dat God hen leidde. Zij willen hun eigen wijze van leiderschap. En deze geschiedenis deze morgen - en wanneer u naar uw huis gaat, zou het goed voor u zijn om het helemaal door te lezen. Het was gedurende de tijd van de dagen van Samuël, de man Gods - de profeet. En hij was een rechtvaardig mens geweest en een goed mens, eerbaar, stond goed bekend, trouw en oprecht met de mensen, misleidde hen nooit en vertelde hun niets dan rechtuit: "Zo spreekt de Here."

35 Maar de mensen waren tot een toestand gekomen dat ze dit programma wilden veranderen. Ze hadden gekeken naar de Filistijnen en de Amalekieten, Amorieten, Hethieten en de andere naties van de wereld, en zij hadden gezien dat deze koningen hadden die hen regeerden, hen bestuurden, hen leidden, hun krijgen vochten, enzovoort. En het scheen te zijn dat Israël zich dit ten voorbeeld nam, om te doen zoals deze koningen en zoals deze volken.

36 Maar het is nooit, in geen enkel tijdperk, Gods bedoeling voor zijn volk geweest om te handelen zoals de mensen van de wereld, of geregeerd te worden, of geleid, zoals de volken van de wereld. Gods volk is altijd een bijzonder volk geweest, een volk dat anders is, eruitgeroepen, afgescheiden, totaal anders in hun handelen, in hun wegen, in hun manier van leven, dan wat de volken van de wereld hebben. Hun smaak voor dingen en alles wat hun opmaak is, is altijd het tegendeel geweest van de dingen die de mensen van de wereld wensen.

37 En het volk van Israël kwam tot Samuël en zei: "Nu, u bent oud aan het worden, en uw zonen wandelen niet in uw weg"; (omdat ze niet trouw waren zoals Samuël; ze waren corrupt en namen geld aan). En ze zeiden: "Samuël, uw zonen zijn niet zoals u, dus willen we dat u voor ons een koning gaat zoeken en hem zalft, en ons een volk maakt zoals de rest van de volken van de wereld."

38 En Samuël probeerde hun te vertellen dat dit niet zou werken. Hij zei: "Als u dat doet, weet u, zult u meteen ervaren dat hij al uw zonen van uw huis zal wegroepen om soldaten van hen te maken, om voor zijn strijdwagens uit te lopen en wapens en speren te dragen. Niet alleen dat, maar hij zal uw dochters oproepen om broodbaksters te zijn en hen van u wegnemen om het leger te voeden." En hij zei: "Afgezien van dat alles, zal hij bepaalde belastingen van u heffen, van uw graan, en al uw inkomen. Hij zal dat allemaal belasten terwille van bepaalde staatsschulden en dergelijke, die zullen moeten worden betaald." Hij zei: "Ik geloof dat u alles bij elkaar genomen een fout maakt."

39 Maar toen zei het volk: "Maar we willen toch zijn zoals de rest van de mensen."

40 Er is iets met mannen en vrouwen dat ze aan elkaar gelijk willen zijn. En er is slechts één Mens Die ooit op aarde leefde Die ons voorbeeld was, en dat was Degene Die voor ons allen stierf, onze Heer en Redder, Jezus Christus. Hij was het volmaakte voorbeeld van wat we behoorden te zijn - altijd in de dingen des Vaders en datgene doende wat juist was.

41 En het gaf niet hoezeer Samuël probeerde het volk te overtuigen, voortdurend gingen ze achter hem aan, dag en nacht: "We willen een koning. We willen een mens. We willen een man, zodat we kunnen zeggen: 'Dit is onze gids.'" En dat is nooit de wil van God geweest. Het was nooit de wil van God, of het zal nooit de wil van God zijn, dat de mensen over elkaar heersen. God regeert over de mens. God is onze Wetgever, onze Koning. En het loopt heel veel parallel met vandaag omdat de mens datzelfde idee schijnt te hebben. Ze schijnen niet in staat te zijn te vatten dat God nog steeds de mensen regeert, in plaats van dat de mens de mens regeert.

42 Dus, ze kozen zich een man genaamd Saul, die de zoon was van Kis. En hij was een goed bekendstaand man, een eerbaar man. Maar hij was precies helemaal geschikt voor het volk, omdat hij een grote, lange, edele mannelijke gestalte was. De Schrift zei dat hij met hoofd en schouders boven elke man in Israël uitstak. Hij zag er koninklijk uit, en hij was knap van uiterlijk. Hij was een briljant en buitengewoon man.

43 Nu, dat is het soort man dat de mensen vandaag graag kiezen. De mensen schijnen niet bevredigd te zijn met de wijze waarop God Zijn Gemeente instelde, om te worden bestuurd en geleid door de Heilige Geest. Zij willen iemand, de een of andere man, het een of andere kerkgenootschap, een paar bepaalde mensen, om de kerk te besturen, omdat ze niet in staat zijn om zich volledig in Gods handen te werpen om geestelijk te zijn, om te worden geleid door de Heilige Geest. Zij willen iemand die hun godsdienst voor hen doet, iemand die hun precies zal vertellen hoe het moet en alles erover. Dus deze man scheen precies op de plaats te passen, omdat hij een erg intellectueel mens was.

44 En dat lijkt een heleboel op vandaag. Wij houden er ook van om zulke mensen te kiezen, om onze kerken te leiden, om de kerk van God te leiden. Niets dat ik er tegen heb te zeggen, maar slechts enkel en alleen om vast te stellen, dat het niet is, het niet was, en het nooit de wil van God zal zijn dat zoiets er is. God behoort Zijn volk te besturen, om ieder persoonlijk te leiden.

45 Dan ontdekken we dat deze zoon van Kis - groot man, en zijn gestalte, en zijn... Hij scheen het volk aan te staan, dat zijn mantel om hem groots zou lijken en de kroon op zijn hoofd, ver boven al de andere mensen als hij liep, het zou een werkelijke aanwinst zijn voor het koninkrijk van Israël. Want de andere koningen van de andere naties zouden denken: "Kijk, wat een man!" Hoe zouden ze met hun vinger kunnen wijzen en zeggen: "Kijk eens hier wat een groot koning wij hebben gekregen! Kijk wat een groot man boven ons staat!"

46 Het is droevig om te zeggen, maar hoe waar is dit vandaag met de kerk. Zij houden ervan te zeggen: "Onze herder is geen bekrompen man; hij is een groot man. Hij is een afgestuurde van Hartford of een of andere grote theologische school. Hij heeft vier graden uit zus-en-zo'n plaats, en hij kan zich erg goed onder de mensen begeven." Dat alles mag in orde zijn en z'n plaats hebben, maar Gods manier voor Zijn Gemeente is om te worden geleid door de Heilige Geest en door Zijn Geest. Maar zij houden ervan te zeggen: "Wij hebben deze grote kerkgenootschappen waartoe we behoren. We zijn begonnen vroeger in de vroege pioniersdagen, toen we in de minderheid waren, met slechts erg weinig mensen en klein. En nu zijn we uitgegroeid tot het punt dat we bij de grootste kerkgenootschappen behoren die er zijn. Wij hebben de beste scholen en de best bestudeerde predikers. We hebben de best-geklede groepen, en de meest intellectuele mensen van de stad gaan naar ons kerkgenootschap. En we geven aan liefdadigheid, en we doen goede daden en al zulke dingen", en helemaal niets - God verhoede het dat ik één woord daar tegen zou spreken, want dat is allemaal goed; maar toch is het niet de wil van God dat de mens zou heersen over de mens.

47 God zond op de dag van Pinksteren de Heilige Geest om te heersen in de harten der mensen en te regeren in hun levens. Het was niet de bedoeling dat de mens over de mens zou heersen, maar wij houden ervan dat te zeggen.

48 Het is iets heel bijzonders wanneer we kunnen zeggen dat we tot zo'n grote organisatie behoren: "Bent u een Christen?" - zo kwam ik op deze tekst terecht. Toen ik in het ziekenhuis was en ik vroeg iemand: "Bent u een Christen?" "Ik hoor daar en daar bij."

"Bent u een Christen?"

"Ik hoor daar en daar bij."

49 En de kleine verpleegster kwam aan mijn bed waar ik de Bijbel aan het lezen was, en zij was een nieuwe verpleegster op de zaal en ze vroeg: "Hoe maakt u het?" Ze zei: "Ik geloof dat u de eerwaarde heer Branham bent, die hier is voor een lichamelijke controle."

Ik zei: "Dat ben ik."

En ze zei: "Mag ik uw rug inwrijven met alcohol om u zich een beetje beter te laten voelen?"

En ik zei: "U kunt dat doen."

En terwijl ze op mijn rug aan het wrijven was, zei ze: "Tot welke kerkdenominatie behoort u?"

En ik zei: "O, ik behoor tot de oudste denominatie die er is."

En ze zei: "Welke denominatie is dat?"

Ik zei: "Diegene, die werd georganiseerd voor de wereld ooit werd georganiseerd."

"O", zei ze, "wat... ik geloof niet dat ik precies weet welke..." Ze zei: "Ik hoor bij die-en-die kerk. Is het die organisatie?"

50 Ik zei: "Nee mevrouw. Dat was pas ongeveer tweehonderd jaar geleden - die organisatie. Maar deze organisatie begon toen de morgensterren samen zongen en de zonen Gods jubelden van vreugde, toen zij de komst van de Redder zagen om het mensdom te verlossen."

51 En ze hield gewoon op met mijn rug te wrijven, en ik was een beetje deze kant opgeleund, zodat de dame kon wrijven (en ze kwam van vlakbij Corydon, hier ten zuiden) en we kwamen aan de praat en ze zei: "Meneer, ik heb altijd geloofd dat als God ooit God was, dat Hij nog steeds God is vandaag net zoals Hij was in de dagen van ouds." Ze zei: "Hoewel mijn kerk dat ronduit ontkent, geloof ik echter dat het de Waarheid is."

En ik zei: "U bent niet ver van het Koninkrijk Gods, jonge vrouw."

Ze zei: "Als Hij ooit een Genezer was, is Hij niet nog steeds een Genezer?"

Ik zei: "Dat is Hij zo zeker als het maar kan, mijn zuster."

52 Maar de mens wil besturen en regeren over de mens, en de mens wil dat de mens over hem heerst. Hij wil God niet laten regeren.

53 Dus deze zoon van Kis (Saul geheten), was precies het antwoord op wat ze hadden gewenst. De grote statige man en de... o, hij kon ze gewoon leiden naar hun veldslagen, enzovoort. Toch was het niet Gods wijze om de dingen te doen. God wilde dat Zijn getrouwe, oude profeet hen leidde en Zijn Woorden tot hen sprak.

54 Nu, vandaag, in ons geweldige gemeentetijdperk waar we in leven, zijn we, denk ik en ik geloof dit met mijn hele hart, precies de tegenovergestelde kant opgegaan van wat God ons opdroeg te doen. De laatste woorden van onze Verlosser waren in Markus 16, waar staat:

...Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle schepselen.

Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal gered worden; maar wie niet gelooft, zal verdoemd worden.

En degenen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken,

Slangen zullen zij opnemen; en al is het dat zij iets dodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.

55 Er is geen mens; er is geen zoon van Kis, of iemand anders die dit kan voortbrengen buiten het leiderschap van de Heilige Geest. Maar wij hebben scholen gemaakt; we hebben seminaries opgericht en organisaties gemaakt om ons te bevredigen en eruit te zien als de rest van de wereld.

56 Nu, de Heilige Geest was vroeger de Leider in dit land. Dit land was gewoon geregeerd te worden, destijds... toen men de Onafhankelijkheidsverklaring opschreef, toen stond er daar een extra stoel. Er is geen spoor van twijfel in mijn gedachten dan dat de Zoon van God aan die tafel zat. Toen dit land werd gesticht op de principes van vrijheid van godsdienst, en vrijheid voor allen, en op de basis van Gods Eeuwige Woord. Maar wij hebben dat bedorven - politiek. Wij hebben daar mannen in gekozen met omkoperij en valse beloften, totdat ons land en onze politiek, en onze democratie zo bezoedeld is, dat het verweven is met communisme en allerlei 'ismen'.

57 En vaak vragen we bij de opening van de zittingen om gebed, wanneer de Volkenbond daar binnen samenkomt om discussies te hebben. En op een bepaald belangrijk moment onlangs, werd er zelfs niet één keer om gebed gevraagd! Hoe zullen we ooit geschillen oplossen zonder gebed? Hoe kunnen we ooit ter wereld verwachten ooit iets te doen zonder het Leiderschap van de Heilige Geest?

58 Maar laat me dit zeggen met liefde en respect voor ons land en voor haar vlag, en voor de Republiek waarvoor ze staat: we hebben onze Leider verworpen, de Heilige Geest! We hebben door bedorven politiek mannen met een bedorven geest binnengebracht. En als u niet oplet, zullen ze een van de meest fatale fouten gaan maken op ditzelfde ogenblik die ze ooit hebben gemaakt: omdat de mensen willen dat de mens regeert.

59 Wat wij nodig hebben in het Capitool van deze Verenigde Staten als President, wat wij nodig hebben in het Congres; wat wij nodig hebben in onze rechtbanken, zijn mannen die hun leven aan God hebben toegewijd en vervuld zijn met de Heilige Geest en worden geleid door Zijn Goddelijke leiding. Maar in plaats daarvan, kozen we intellectuele mensen, mensen die vormen van godsvrucht hebben en de kracht van God ontkennen, mannen die atheïsten zijn en soms zelfs slechter dan dat - hebben we in onze politieke kringen van ons land gebracht; niet alleen dat, maar ook in onze kerken.

60 Onze kerken zijn bedorven op grond waarvan we, bij het kiezen van de herders om ons te leiden, naar de bijbelscholen zijn gegaan, en mannen hebben uitgekozen die grote intellectuele reuzen zijn; mannen die erg briljant van verstand zijn, mannen die geleerd zijn en geweldig met de mensen kunnen omgaan en grote mannen zijn in de omgeving, waar ik niets op tegen heb; mannen die vriendelijk zijn in hun manier van optreden, zorgvuldig in hun levenswijze, in hoe ze zichzelf gedragen onder andere mannen en onder de mensen; grote mannen op hun gebied, waar ik geen kwaad van spreek - God verhoede dat mijn geest ooit zo slecht zou zijn - maar toch, dat is niet wat God voor ons koos! Het is het leiderschap van de Heilige Geest - Christus in het hart van de mens.

61 Velen van die intellectuele mannen die op onze preekstoel staan ontkennen het werkelijke bestaan van de Heilige Geest. Velen van hen ontkennen het bestaan van Goddelijke genezing en de kracht van de Geest.

62 Ik was een artikel aan het lezen (gisteren was het geloof ik) een serie kranteknipsels van Jack Coe, wijlen Jack Coe, een van mijn bekeerlingen tot de Here Jezus, die een machtig en moedig man was in zijn dagen, en hij werd ter verantwoording geroepen in het zuiden van Florida, vanwege het vragen aan een jong kind om zijn beugels van zijn benen af te doen en over het podium te lopen. En dit zo doende, liep het kind normaal dwars over het podium en viel toen het bij zijn moeder kwam - dit was alles opgezet door de vijand van Christus.

63 Deze jonge vrouw en haar man brachten onze dappere broeder voor de rechtbanken van het land. En terwijl elke kerk broeder Jack terzijde had behoren te staan, terwijl elk kerkmens die de Naam van Jezus Christus noemt moedig aan zijn zijde had behoren te staan; elk mens die de Naam van de Here Jezus aanroept zou op de knieën gevallen moeten zijn in gebed, maar in plaats daarvan stond in de krantekoppen - zei een van onze grote denominaties dat ze de handen ineen sloegen met de atheïsten om broeder Jack Coe te veroordelen en op te sluiten. Zou u zich een kerk kunnen voorstellen die zichzelf noemt met de Naam van Christus, die de handen ineen zou slaan met een atheïst om een godvrezend man te veroordelen, die probeerde om met heel zijn hart stand te houden voor de Bijbel? Maar ze deden het.

64 En toen kwam broeder Gordon Lindsay te hulp, en toen de ongelovige rechter zei: "Deze man is een bedrieger, omdat hij de beugels van dat kind afnam en hem dwars over het podium liet lopen en zei dat hij genezen was, en hij loog en hij deed iets wat tegen de voorschriften van de dokter was; daarom wordt er een aanklacht wegens bedrog tegen hem ingediend."

65 En meneer Coe stond op en hij zei: "Meneer, ik vecht die bewering aan. God genas de jongen."

66 En de rechter zei: "Ik wil iedereen in deze rechtszaal vragen of die bewering waar zou kunnen zijn dat God die jongen aan het ene eind van het podium zou kunnen genezen, om hem aan het andere eind weer ziek te laten zijn. Als die bewering kan worden bewezen door de Bijbel, dan zeg ik dat meneer Coe het recht heeft op zijn verklaring."

67 En een prediker stak zijn hand op en zei: "Edelachtbare, mag ik het bevestigen?"

En de rechter zei: "Bevestig maar."

En de prediker ging staan en zei: "Op een nacht op een woelige zee, toen een klein schip op het punt stond naar de bodem te zinken; alle hoop om gered te worden was verloren, zagen ze Jezus, de Zoon van God, komen aanlopen op het water. En een van de apostelen, Petrus genaamd, zei: 'Indien Gij het zijt, Here, vraag mij tot U te komen op het water.' De Here zei tot de apostel Petrus: 'Kom.' En hij stapte uit de boot, meneer, net zo goed wandelend als Jezus op het water liep. Maar toen hij bang werd, begon hij te zinken vóór hij bij Jezus kwam."

Toen zei de rechter: "De zaak is afgewezen."

68 Wij hebben Heilige Geest leiderschap nodig - geen intellectueel mens.

69 Saul, de zoon van Kis, werd toen leidsman over het volk gemaakt. En hij nam tweeduizend man en Jonathan nam er duizend, en Jonathan ging naar een garnizoen en versloeg een stel Amorieten, Ammonieten liever gezegd. En toen hij hen had verslagen liet Saul een bazuin klinken en zei: "U ziet wat Saul heeft gedaan." En hij begon opgeblazen te worden.

70 Zo gauw als een mens ertoe komt de een of andere grote Doctor in de Godgeleerdheid te zijn of een klein iets achter zijn naam krijgt, wordt hij min of meer een 'weet-al'. Gods mannen zijn nederige mannen. Gods mensen zijn nederige mensen.

71 Wanneer u iemand ziet die zegt dat ze de Heilige Geest hebben ontvangen en ze beginnen zichzelf af te scheiden, schijnbaar het geloof niet hebbend, rondlopend, proberend iets te zijn wat ze niet zijn, bedenk dan slechts, dat zij de Here Jezus niet hebben ontvangen.

72 Dan zien we dat de vijand binnenkwam, en hij zou komen bij een kleine groep van Gods volk om het rechteroog van elke man uit te rukken. Dat is wat de vijand altijd probeert te doen, om u beide ogen uit te rukken als hij kan, zodat de mensen niet kunnen zien wat ze aan het doen zijn. Dat is wat Satan vandaag probeert te doen bij elke Christen - zijn geestelijk gezichtsvermogen uitrukken, zodat hij alleen de intellectuele zin van de dingen kan volgen en niet het besef heeft dat de Heilige Geest hem leidt.

73 Dus toen ze dat deden, toen de grote nederlaag kwam, toen slachtte Saul twee grote ossen en zond die tot heel het volk. En ik wil dat u hier opmerkt, dat toen Saul de stukken van de os naar heel Israël stuurde, hij zei: "Laat elke man die niet Samuël en Saul wil volgen, laat hem zijn als deze os." Ziet u hoe misleidend hij probeerde zichzelf voor te stellen met de man Gods? Wat was het onchristelijk. De vreze van het volk was vanwege Samuël. Maar Saul kreeg ze er allen toe om hem te volgen, omdat de mensen Samuël vreesden. "Laat ze achter Samuël en Saul komen."

74 En hoevele keren hebben we vandaag gehoord: "Wij zijn de grote kerk"; "Wij zijn de Kerk van Christus"; "Wij zijn de Kerk van God"; "Wij zijn de zus-en-zo." Het maakt dat de mensen vrees krijgen en denken dat dit werkelijk is waar God werkt. En ze willen het Leiderschap van de Heilige Geest niet; ze volgen liever dat soort mensen omdat ze graag hun eigen individuele leven leven. Zij houden ervan te geloven wat ze wensen te geloven.

75 Ziet u dat de Heilige Geest onze Rechter is! God gaf ons nooit een paus, of een bisschop, of iemand om rechter te zijn. De Heilige Geest, de Persoon van God in de vorm van de Heilige Geest is onze Rechter en onze Gids. Nu waarom is dat?

76 Alstublieft, vergeeft u mij deze ruwe en rauwe uitdrukking. Ik bedoel het niet om gemeen te zijn; ik zeg het uit liefde. Maar de Heilige Geest zegt dat het verkeerd is dat onze vrouwen hun haar knippen, en het is fout dat onze vrouwen kleine, korte broekjes dragen en lange broeken en hun lippen en gezicht opmaken met verf; de Heilige Geest zegt dat het fout is. Maar wij willen mannen die ons vertellen dat het in orde is!

77 "Zolang als we mij en Samuël volgen." Ze houden ervan om zes dagen lang te leven op elke manier die ze maar willen, maar gaan op zondagmorgen naar de kerk - en zijn fijne intellectuelen, afgestudeerden van de universiteit met meer dan genoeg graden; men kan een kleine prediking tot ze spreken met een paar grappen die hun oren zullen strelen en hen wat amusement geeft zoals het een of andere film- of televisie-programma, en men spreekt een klein gebed over hen uit, en zendt ze naar huis met een soort zelfgenoegzame zekerheid dat ze hun godsdienst hebben gedaan.

78 Dat is niet de wil van de Heilige Geest. De Heilige Geest wil dat u godsvruchtig leeft, elke dag en elke nacht in de week, uzelf afscheidend van de dingen van de wereld. Maar de gemeente wil dat niet. Zij willen iemand die de Bijbel kan uitleggen op de wijze dat zij Het willen horen. Zij willen niet luisteren naar de Stem van de Heilige Geest sprekend door de Bijbel.

79 Velen van hen willen zeggen: "De dagen van wonderen zijn voorbij." Dat is wat de mensen streelt. Ze willen zeggen: "Er bestaat geen Doop van de Heilige Geest." De mensen willen helemaal niet anders handelen dan de rest van de wereld handelt. Zij willen niet de straat opgaan met hun gezicht gewassen en de mannen met een net voorkomen en geen sigaretten in hun mond, en sigaren, en pijpen, en de dingen die mannen doen; en de vrouwen willen hun haar heel kort geknipt hebben en korte jurkjes aan, die hun vormen tonen en zo, wat zij willen... Ze willen mannen die hun zeggen dat dit in orde is.

80 Onlangs 's avonds kwam hier een man mij vertellen dat, omdat ik tegen zoiets had gepredikt, dat een groot kerkgenootschap, ongeveer vijf van hen, zeiden: "We zullen broeder Branham laten vallen en niets meer met hem te maken hebben. U zult òf die geluidsbanden herroepen en uw verontschuldigingen daarvoor aanbieden, òf we zullen u laten vallen."

Ik zei: "Ik zal standhouden bij Gods Woord, al neemt u alles wat in mijn leven is. Ik zal bij het Woord blijven en ik..."

Ze zeiden: "Wel, zou u niet die-en-die geluidsband behoren te herroepen?"

Ik zei: "Ik heb nooit iets in mijn leven gepredikt waarvoor ik me schaamde. Ik zal geen banden herroepen, of geen grammofoonplaten. Ik zal blijven bij wat de Heilige Geest zegt. Daar zal ik bij leven en bij sterven." Ik probeer niet over mijzelf te spreken nu, maar ik probeer u gewoon een illustratie te geven van wat er gaande is, zodat u het zult zien en begrijpen. Het is dat de mensen willen worden geleid door de mens.

81 Zij wilden Samuël niet. Toen voor de gezalfde koning Samuël, of koning Saul, neemt u mij niet kwalijk. Samuël kwam weer tot hen. En ik zal precies in een taal spreken zoals hij het vandaag zou hebben gezegd. U zou het kunnen begrijpen.

Hij zei: "Wat is er mee aan de hand, dat God uw Koning is?"

"Wel, we zien God niet."

82 "Wel, ik ben Zijn vertegenwoordiger." Samuël zei: "Heb ik ooit iets verkeerds verteld? Heb ik ooit iets geprofeteerd, dat niet precies kwam te gebeuren zoals ik zei dat het zou gebeuren? Heb ik u niet het Woord des Heren gezegd en ik zal u dit vragen: Ben ik ooit tot u gekomen en heb om iets van uw geld gevraagd? Heb ik ooit iets van u genomen? Heb ik u ooit iets anders gebracht dan rechtstreeks: 'ZO SPREEKT DE HERE'? En God heeft elke keer betuigd dat het de Waarheid was, en Hij zond een onweersbui en regen." U kent het Schriftgedeelte daar precies, om te bewijzen dat Samuël Gods spreekbuis was.

83 En zoals Samuël volmaakt de Heilige Geest vandaag voorstelde. De Heilige Geest is Gods spreekbuis. Die spreekt helemaal precies wat de Bijbel zei. Die gelooft precies wat de Bijbel zei en zal er niet één stukje van afwijken, maar ze wilden iemand die het hun anders kon vertellen.

84 En de mensen konden niet zeggen dat de profetie van Samuël niet volmaakt was. Ze antwoordden en zeiden: "Samuël, alles wat gij hebt gesproken in de Naam van de Here, heeft de Here doen geschieden precies zoals u zei. Er is niet één zwakke plek. U bent nooit tot ons gekomen en hebt ons om ons geld gevraagd. U hebt uzelf onderhouden. U hebt ons nooit gevraagd om enig groot buitengewoon iets voor u te doen. U hebt op uw God vertrouwd en Hij heeft u uit alle dingen bevrijd. En uw woorden zijn waar - alles wat u sprak in de Naam van de Here is precies geweest zoals u zei, maar toch willen we een koning!"

85 Kunt u de tegenstrijdigheid zien? Kunt u zien hoe de sluwheid van de duivel kan werken aan een menselijk wezen? In plaats van hemzelf toe te wijden, of haarzelf, aan de Heilige Geest en te luisteren naar wat 'ZO SPREEKT DE HERE' is, voor een zuiver leven, een onbesmet karakter, voor een ander leven, een uitzonderlijk volk, een heilige natie, een vreemd handelend volk, wilden ze liever overeenstemming met de wereld, wilden ze handelen als de wereld en naar de een of andere kerk gaan die zegt: "Dat is in orde; handel gewoon zo en ga door."

86 Kunt u zien wat het is? Ze zeggen: "Er bestaat niet zoiets als genezing. O, de doop van de Heilige Geest was het steigerwerk voor de kerk." Met andere woorden, toen heeft God de mens genomen, nam de Heilige Geest uit de kerk weg en liet het kerkgenootschap het opbouwen. Nooit, nooit. Er bestaat niet zoiets. De Heilige Geest, het Woord der Waarheid, moet u leiden tot Jezus komt. Maar dat is de weg die het is opgegaan.

87 Saul kwam aan de macht. Hij kreeg een grote aanhang. O, hij had prachtige wapenrustingen; hij had zangers, hij had schilden; en hij had speren. O, hij stelde heel de rest van de naties in de schaduw. En hij bracht hen in een democratie die boven alles uitstak wat iemand ooit had gehoord.

88 En dat is precies wat onze kerkgenootschappen en kerken vandaag hebben gedaan. Wij hebben de grootste kerkgebouwen ter wereld. Wij hebben de best geklede mensen ter wereld. Wij hebben de meest verheven geleerdheid die gebracht kan worden. Zoals de getrainde mannen van Saul, die die speer konden nemen en konden hanteren en manoeuvreren tot de naties hen vreesden. Ze waren een getraind volk en alles.

89 Maar op een dag kwam er een tijd dat er een uitdager verscheen. En het bracht het hele Israëlitische leger in zo'n opwinding, dat ze stonden te trillen op hun benen. Goliath daagde hen uit: "Als uw God is wat u zegt dat Hij is, bent u de best getrainden", en hij daagde hen uit. Ze wisten niet wat te doen. Hun fijne opgepoetste wapenrustingen zouden niet werken. Hun speren zouden niet werken. Er was iets waarvan ze tevoren niet gehoord hadden, wat er plaats vond. En met alle eerbied en goddelijk respect en eer en waardigheid en liefde, en Christelijke gemeenschap, zeg ik dit. Ik las onlangs in een Afrikaanse krant, waar dat onze zoon van Kis, onze Evangelie-uitdager - toen een Mohammedaan hem uitdaagde - Billy Graham - zei: "Als uw god God is, laat Hem de zieken genezen zoals Hij zei dat Hij zou doen!" en de zoon van Kis, met de rest van het leger, bonden in en verlieten verslagen het land. Het is een schande. Onze God is God!

90 Wij hebben onze goede kerken; wij hebben onze fijne evangelisatie; wij hebben onze betaalde zangers; wij hebben de beste koren, de hoogste kerktorens in het land; wij hebben de fijnste mannen, sommigen met het meeste geld. Wij hebben het intellectuele; wij hebben theologie tot in de puntjes; wij kunnen het prediken; wij kunnen het vertellen; wij kunnen evangeliseren en mensen binnenbrengen en elk jaar miljoenen bekeerlingen de kerk binnenhalen. Onze betaalde zangers, onze intellectuele evangelisatie weet niet hoe men op zo'n uitdaging in moet gaan. Ze weten er niets over. Ze weten niets van Zijn genezende kracht, van de Doop van de Heilige Geest, van een Kracht die een schim van een man kan nemen, die stervende is aan kanker en hem vrijmaken. Zij weten er niets over. Zij zijn niet getraind op dat gebied, zoals Saul en zijn mensengemaakte groep.

91 Maar laat mij tot het volk van God en tot u kinderen zeggen, opdat u zou mogen weten dat God u nooit zonder een getuige laat: het was Saul niet bekend; Saul wist er niets van, maar God had een kleine David achter de hand, over de heuvels ergens, die de schapen niet met kerkelijk onkruid voedde. Hij leidde ze langs stille wateren en groene weiden! Hij was opmerkzaam op zijn vader's schapen, en als er iets op in kwam lopen (een vijand) om één van zijn vader's schapen te grijpen, dan kende hij de kracht van God om dat schaap te bevrijden!

92 God heeft nog steeds ergens een David, die weet wat het betekent om één van Gods schapen te bevrijden door de kracht van God. Hij weet er nog steeds alles van. Hij had vertrouwd... Hij wist niets over Saul's wapenrusting en evenmin wilde hij er iets van. Hij wilde geen van hun kerkgenootschappen, hij wilde die oude wapenrusting niet op zich hebben. Hij zei: "Ik weet er niets vanaf! Maar laat mij gaan in de Kracht die ik ken."

93 Hij had zijn vader's schapen gevoed. Hij had voor de weiden gezorgd. Hij had hun het juiste soort voedsel gegeven, en ze leefden en gedijden. "De mens zal niet leven bij brood alleen, maar bij elk Woord dat de mond Gods uitgaat zal de mens leven." De trouwe herder voedt ze - "Jezus Christus, Dezelfde, gisteren, heden en voor immer". En als de vijand er één grijpt in ziekte, kent hij de kracht van God.

94 Kijk de kleine David daar staan. Hij zei: "Die kerel is een krijger van zijn geboorte af. En van zijn jeugd af heeft hij niets gekend dan een speer en een wapenrusting. Hij is goed getraind. Hij is theoloog. En u weet er niets van?"

95 Hij zei: "Dat is waar, meneer. Ik weet niets over zijn theologische training, maar er is een ding wat ik wel weet: toen er een vijand kwam om één van mijn vader's schapen te nemen, ging ik erop af met de kracht van God. Ik bevrijdde hem! Ik bracht hem veilig weer terug tot goede gezondheid. Ik bracht hem terug naar de schaduwrijke groene weiden en de stille wateren. En de God, Die de leeuw in mijn handen overleverde, die ik doodsloeg toen hij een van de lammeren nam, en mij de beer liet verslaan; die God des Hemels zal met mij gaan om deze onbesneden Filistijn te slaan!" Wij hebben leiderschap van de Heilige Geest nodig.

96 Ik ken mijn dagen niet. Niemand weet dat.

97 Onlangs 's morgens lag ik in mijn bed en ik had geslapen en ik droomde dat Jozef ziek was en ik had hem opgenomen om voor hem te bidden. En toen ik wakker werd was ik erg ontsteld. Ik zei: "Wel, misschien zal Jozef ziek gaan worden." En ik keek, voor mij uitgaande, in een kleine, donkere schaduw, liever gezegd van een bruinachtige kleur, en het scheen alsof ik het was. Ik keek ernaar en er achteraan komend was iemand in het wit en dat was Hij. Ik keek in de richting van mijn vrouw om te zien of ze wakker was zodat ik het haar kon tonen; of zij het visioen kon zien, maar ze sliep. Ik zei: "O, het spijt mij Heer, maar dat is mijn leven geweest. U moest mij voortdrijven tot alles wat ik heb gedaan. Elke keer dat er iets zou gebeuren, geloof ik dat U het was die het deed, en ik besef dat het Satan was die probeerde me ervan weg te houden." Ik zei: "Als U mij slechts kon leiden." En toen ik keek zag ik het innemendste gelaat dat ik ooit van een mens zag. Hij stond voor mij en keek om. Hij hief Zijn hand op en pakte de mijne vast en begon deze kant op te gaan. Het visioen verliet mij.

98 De vorige zondagochtend werd ik vroeg wakker. Dat was op zaterdag, dit visioen. Ik heb altijd gepiekerd. Ik heb altijd aan sterven gedacht. Ik, die vijftig ben, mijn tijd is niet... geloof ik niet dat het al te lang was. Ik vroeg mij af wat ik in deze theofanie, het hemelse lichaam zou zijn. Zou het zijn dat ik mijn dierbare vrienden zou zien en een kleine witte nevel voorbij zou zien gaan en zeggen: "Daar gaat broeder Neville", en hij zou niet kunnen zeggen: "Hallo, broeder Branham". En wanneer Jezus kwam, dan zou ik weer mens zijn. Ik dacht dat dikwijls.

99 Ik droomde dat ik ginds in het westen was en ik... naar beneden komend door een kleine plek met sage-struiken, en mijn vrouw was bij mij, en we waren aan het vissen geweest op forel. Ik stopte en opende het hek, en de luchten waren zo prachtig. Ze zagen er niet zo uit als hier boven de vallei. Ze waren blauw en mooie witte wolken. En ik zei tot mijn vrouw: "We hadden hier al een lange tijd geleden heen moeten gaan, lieveling."

100 Ze zei: "Omwille van de kinderen hadden we het moeten doen, Billy."

101 Ik zei: "Dat is zo..." En ik werd wakker. Ik zei: "Ik droom zo veel. Ik vraag mij af waarom." En ik keek omlaag en zij lag naast mij. En ik ging omhoog op mijn kussen, zoals veel van u mensen hebben gedaan. Legde mijn hoofd op de plank aan het hoofdeinde van het bed en legde mijn handen achter mij. En ik lag daar zo op deze manier en ik zei: "Wel, ik vraag me gewoon af wat het zal zijn aan de andere zijde. Ik ben al vijftig, en ik heb nog niets gedaan. Als ik slechts iets kon doen om de Heer te helpen. Want ik weet dat ik niet onsterfelijk zal zijn. De helft van mijn tijd is voorbij minstens; of meer dan de helft. Als ik net zo oud word als mijn familie, is nog maar de helft van mijn tijd voorbij." En ik keek rond en ik lag daar, van plan om op te staan. Het was omstreeks zeven uur. Ik zei: "Ik geloof dat ik naar de gemeente zal gaan vanmorgen nu ik schor ben. Ik zou graag broeder Neville horen prediken."

Dus ik zei: "Ben je wakker, lieveling?" En ze sliep erg vast.

102 En ik wil dat u dit niet mist. Het heeft mij veranderd. Ik kan niet dezelfde broeder Branham zijn die ik was.

103 En ik keek, en ik hoorde iets wat bleef zeggen: "U begint nog slechts. Bind de strijd aan. Blijf gewoon aanhouden."

104 Ik schudde mijn hoofd een ogenblik en toen dacht ik: "Wel, ik ben dit waarschijnlijk zo aan het denken, weet u, iemand kan zich wat dingen verbeelden", en ik zei: "Ik heb me dat waarschijnlijk gewoon verbeeld."

105 Er werd gezegd: "Bind de strijd aan! Blijf doorgaan! Blijf doorgaan!"

106 En ik zei: "Misschien zei ìk het."

107 En ik beet op mijn lippen, en deed mijn hand over mijn mond en daar kwam het opnieuw. Zei: "Blijf doorgaan. Als u slechts wist wat er aan het eind van de weg was." En het scheen alsof ik Grim Snelling kon horen of iemand die dat lied zong op deze manier; ze zingen het hier - Anna Mae en u allen:

Ik heb heimwee en ben weemoedig en ik wens Jezus te zien.
Ik zou graag die lieflijke havenklokken horen luiden;
Het zou mijn pad verlichten en zou alle vrees doen verdwijnen;
Heer laat mij voorbij het gordijn van de tijd kijken.

U hebt het hier in de gemeente horen zingen.

108 En ik hoorde Iets zeggen: "Zou u graag even achter het gordijn willen zien?"

109 Ik zei: "Het zou me zoveel helpen." En ik keek, en in een ogenblik, een zucht, was ik gekomen op een plaats die glooide. Ik keek om en daar lag ik in het bed. Ik zei: "Dit is iets vreemds."

110 Nu, ik zou niet willen dat u dit navertelt. Dit is voor mijn gemeente, of mijn schapen waarover ik de herder ben. Of het was dat ik in dit lichaam was of erbuiten, of het een opname was... Het was niet zoals enig visioen dat ik ooit had. Ik kon daarheen zien, en ik kon hierheen zien. En toen ik op die kleine plaats kwam; ik heb nooit zoveel mensen gezien die kwamen aanlopen, schreeuwend: "O, onze dierbare broeder." En ik keek, en jonge vrouwen, misschien voor in de twintig (achttien tot twintig) sloegen hun armen om me heen en riepen: "Onze dierbare broeder."

111 Hier kwamen jonge mannen in de schittering van jonge mannelijkheid, en hun ogen glinsterden en zagen eruit als sterren op een donkere avond, hun tanden wit als een parel en ze riepen en grepen me vast en riepen: "O, onze dierbare broeder." En ik stopte en ik keek en ik was jong. Ik keek terug naar mijn oude lichaam dat daar lag met mijn handen achter mijn hoofd. Ik zei: "Ik begrijp dit niet." En deze jonge vrouwen sloegen hun armen om me heen.

112 Nu, ik besef dat dit een gemengd gehoor is en ik zeg dit met de liefelijkheid en met de zachtheid van de Geest. Mannen kunnen hun arm niet om vrouwen heenslaan zonder een menselijk gevoelen. Maar het was daar niet zo. Er was geen gisteren noch morgen. Ze werden niet vermoeid. Ze waren... Ik heb nog nooit zulke aardig uitziende vrouwen gezien in heel mijn leven. Ze hadden haar, ver neer tot hun middel, lange rokken tot hun voeten en ze omhelsden me gewoon. Het was geen omhelzing zoals zelfs mijn eigen zuster die daar zit me zou omhelzen. Ze kusten mij niet, en ik kuste hen niet. Het was iets waarvoor ik de woordenschat niet heb; ik heb de woorden niet om het te zeggen. 'Volmaaktheid' zou het niet beschrijven. 'Verheven' zou er zelfs nergens aan kunnen tippen. Het was iets wat ik nooit... U zult daar gewoon moeten zijn.

113 En ik keek deze kant op en die kant en ze kwamen bij duizenden. En ik zei: "Ik begrijp dit niet." Ik zei: "Waarom ze..." En hier kwam Hope - dat was mijn eerste vrouw. Zij liep naar mij toe en zei nooit: "Mijn man." Zij zei: "Mijn dierbare broeder." En toen ze me omhelsde, was er nog een vrouw die daar stond die mij omhelsd had, en toen omhelsde Hope deze vrouw en ieder... Ik dacht: "Dit moet iets anders zijn, het kan gewoon niet. Er is iets..." O, zou ik ooit weer terug willen naar dat oude karkas. Ik keek daar rond en ik dacht: "Wat is dit?" En ik keek heel goed en ik zei: "Dit kan ik niet begrijpen." Maar Hope scheen te zijn als een... o, een ere-gast. Ze was niet anders, maar gewoon als een ere-gast.

114 En toen hoorde ik een stem die tot mij sprak die in de kamer was en zei: "Dit is wat u predikte dat de Heilige Geest was. Dit is volmaakte liefde. En niets kan hier binnenkomen zonder dat."

115 Ik ben meer vastbesloten dan ooit in mijn leven, dat er volmaakte liefde nodig is om daar binnen te gaan. Daar was geen jaloezie. Daar was geen vermoeidheid. Daar was geen dood. Ziekte kon daar nooit binnenkomen. Sterfelijkheid kon u nooit oud maken, en ze konden niet huilen. Het was gewoon één vreugde - "O, mijn dierbare broeder".

116 En ze namen me op en zetten me op een heel grote hoge plaats. En ik dacht: "Ik droom niet. Ik kijk terug naar mijn lichaam dat daar op het bed ligt." En men zette me daar op en ik zei: "O, ik hoorde hier niet op te zitten."

117 En hier kwamen vrouwen en mannen van beide kanten, gewoonweg in de bloei van hun jeugd, roepend. En één vrouw stond daar en ze schreeuwde: "O, mijn dierbare broeder. O, we zijn zo gelukkig u hier te zien."

118 Ik zei: "Ik begrijp dit niet."

119 En toen zei die stem, die van boven mij sprak: "U weet dat er in de Bijbel geschreven staat, dat de profeten werden vergaderd met hun volk."

En ik zei: "Ja, ik herinner me dat in de Schriften."

Zei: "Wel, dit is wanneer u zult samenkomen met uw volk."

Ik zei: "Dan zullen ze werkelijk zijn, en kan ik hen voelen."

"O ja."

Ik zei: "Maar ik... Er zijn er miljoenen. Er zijn niet zovele Branhams."

120 En die stem zei: "Zij zijn geen Branhams, zij zijn uw bekeerlingen. Dit zijn degenen die u tot de Here hebt geleid." En zei: "Sommigen van die vrouwen daar van wie u vindt dat ze zo mooi zijn, waren meer dan negentig jaar oud toen u hen tot de Heer leidde. Geen wonder dat ze roepen: 'Onze dierbare broeder.'"

121 En zij riepen allen plotseling: "Als u niet was gegaan, zouden wij hier niet zijn."

122 Ik keek rond en ik dacht: "Wel, ik begrijp het niet." Ik zei: "O, waar is Jezus? Ik wil Hem zo graag zien."

123 Ze zeiden: "Nu, Hij is even wat hoger, recht omhoog, die kant op." Zei: "Op een dag zal Hij tot u komen." Ziet u? Zei: "U werd gezonden als leider en God zal komen en als Hij komt, zal Hij u eerst oordelen betreffende dat wat u hun leerde; of ze binnengaan of niet. Wij zullen binnengaan in overeenstemming met uw onderwijzing."

124 Ik zei: "O, ik ben zo blij! Moet Paulus staan op deze wijze? Moet Petrus op deze manier staan?"

"Ja."

Ik zei: "Dan heb ik elk woord gepredikt dat zij predikten. Ik heb er nooit van verschild, van begin tot eind. Waar zij doopten in de Naam van Jezus Christus, deed ik het ook. Waar zij de Doop van de Heilige Geest leerden, deed ik het ook. Wat zij ook leerden, deed ik eveneens."

125 En die mensen riepen en zeiden: "Wij weten dat, en we weten dat we op een dag met u terug naar de aarde zullen gaan. Jezus zal komen, en u zult worden geoordeeld volgens het Woord dat u ons predikte. En dan, als u wordt aanvaard op dat moment, wat u zult worden, dan zult u ons aan Hem voorstellen als uw zegetekenen van uw bediening." Zeiden: "U zult ons naar Hem toe leiden en tezamen zullen we teruggaan naar de aarde om voor altijd te leven."

Ik zei: "Moet ik nu terugkeren?"

"Ja, maar blijf doorzetten."

126 Ik keek en ik kon de mensen zien; zover als ik maar kon zien, nog steeds komend, wilden ze me omarmen, roepend: "Onze dierbare broeder."

127 Op dat moment zei een stem: "Allen die u ooit hebt liefgehad en allen die u ooit liefhadden, heeft God u hier gegeven." En ik keek en hier kwam mijn oude hond aanlopen. Hier kwam mijn paard en legde zijn hoofd boven op mijn schouder en hinnekte. Zei: "Allen die u ooit liefhad en allen die u ooit liefhadden, God heeft hen in uw hand gegeven door uw bediening."

128 Ik voelde mijzelf weggaan van die prachtige plaats. En ik keek rond. Ik zei: "Ben je wakker, lieveling?" Ze sliep nog steeds en ik dacht: "O God, o help me, o God. Laat mij nooit over één woord een compromis sluiten. Laat me helemaal precies bij dat Woord blijven en Het prediken. Ik maak me er geen zorgen over wat komt of gaat, wat iemand, wie dan ook doet, hoevele Sauls of zonen van Kis er opstaan, hoeveel dit, dat, of wat anders, laat mij Heer, doordrukken tot die plaats."

129 Alle vrees voor de dood... ik zeg dit met mijn Bijbel voor me deze morgen. Ik heb daar een kleine jongen, vier jaar oud, die moet worden opgevoed. Ik heb een dochter van negen jaar en een teenager waarvoor ik dankbaar ben, die de weg van de Heer is opgegaan. God, laat mij leven om hen op te voeden in de vreze van God. Behalve dat, schijnt de hele wereld tot me te roepen. Negentig jaar oude vrouwen en mannen en alle soorten: "Als u niet was gegaan, zouden wij hier niet zijn geweest." God, laat mij doorgaan met de strijd. Maar als het komt tot sterven, ben ik niet meer... Het zou een vreugde zijn, het zou een genoegen zijn om binnen te gaan vanuit dit bederf en deze schande.

130 Als ik ginds boven, een honderd biljoen mijlen hoog, een vierkant blok kon maken, en dat is volmaakte liefde. Elke stap deze kant op, wordt het smaller, totdat we komen waar we nu zijn. Het zou gewoon min of meer een schaduw van bederf zijn. Dat kleine iets wat wij kunnen bespeuren en voelen dat er ergens iets is; we weten niet wat het is. O, mijn dierbare vriend, mijn geliefden, mijn lievelingen van het Evangelie, mijn verkregen kinderen tot God, luister naar mij, uw herder. U... Ik wilde dat er de een of andere manier was dat ik het aan u kon uitleggen. Er zijn geen woorden. Ik zou ze niet kunnen vinden. Het wordt nergens gevonden. Maar vlak achter deze laatste ademtocht ligt het allerheerlijkste wat u ooit... Er is geen wijze om het uit te leggen. Er is geen manier voor; ik kan het gewoon niet. Maar wat u ook doet, vrienden, leg al het andere opzij, totdat u volmaakte liefde krijgt. Kom tot een plek dat u iedereen kunt liefhebben, elke vijand, al het andere. Dat ene bezoek daar, voor mij, heeft me tot een ander mens gemaakt. Ik kan nooit, nooit, nooit dezelfde broeder Branham zijn die ik was.

131 Of de vliegtuigen nu schudden, of de weerlicht nu flitst, of de spionnen nu een geweer op me gericht hebben, wat het ook is, het maakt niet uit. Ik zal de strijd aanbinden door de genade van God terwijl ik het Evangelie predik aan elk schepsel en tot iedere persoon die ik kan, hen overhalend naar dat prachtige land ginds. Het mag moeilijk schijnen; het mag misschien een heleboel kracht kosten.

132 Ik weet niet hoeveel langer nog. We weten het niet. Lichamelijk gesproken, vanuit mijn onderzoek onlangs, zei hij: "U hebt vijfentwintig jaren van hard, goed leven gehad. U bent solide." Dat hielp mij. Maar o, dat was het niet. Dat is het niet. Het is iets hier van binnen. Deze vergankelijkheid moet onvergankelijkheid aandoen; dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.

133 Zonen van Kis mogen opstaan. Ik heb... alle goede dingen die ze doen, ik heb er niets verkeerds tegen te zeggen; ze geven aan de armen en doen aan liefdadigheid. En bedenk wel, Samuël zei tot Saul: "Gij zult evenzo profeteren." En velen van deze mannen zijn grote, machtige predikers, kunnen het Woord prediken als aartsengelen, maar toch was het niet Gods wil. God zou hun Koning zijn. En broeder, zuster, laat de Heilige Geest u leiden. Laten we onze hoofden even een ogenblik buigen. (Broeder Branham zingt:)

Ik heb zo'n heimwee, ben zo weemoedig en ik wil Jezus zien,
Ik zou graag die lieflijke havenklokken horen klinken.
Het zou mijn pad verlichten en zou alle vrees doen verdwijnen.
Heer, laat mij voorbij het gordijn van de tijd kijken.

Heer, laat mij voorbij het gordijn van zorgen en vrees kijken;
Laat mij dat zonnig klare klimaat zien,
Het zou ons geloof versterken en alle vrees doen verdwijnen.
Heer, laat hen kijken voorbij het gordijn van de tijd.

134 Ik ben er zeker van, Heer, als deze kleine gemeente deze morgen even voorbij het gordijn zou kunnen kijken. Geen droefenis onder hen, noch zou het ooit kunnen zijn. Geen enkele ziekte, niets dan volmaaktheid - en het is slechts één ademtocht tussen hier en daar - van ouderdom tot jeugd, van tijd tot eeuwigheid. Van een moeite van morgen en een zorg van gisteren tot een tegenwoordige tijd van Eeuwigheid, in volmaaktheid.

135 Ik bid God, dat U elk persoon hier wilt zegenen. Als hier diegenen zijn, Heer, die U niet kennen op die wijze van liefde. En waarlijk Vader, niets zou ooit die Heilige Plaats kunnen binnengaan zonder dat soort liefde; de nieuwe geboorte om wedergeboren te zijn. De Heilige Geest - God - is Liefde. En we weten dat dit waar is. Het geeft niet of we bergen verzetten door ons geloof, of we grote dingen deden, toch zonder dit daar, zouden we nooit die grote ladder ginds kunnen beklimmen. Maar met dat, zal het ons opheffen boven deze aardse zorg.

136 Ik bid Vader, dat Gij de mensen hier zult zegenen, en moge voor elke persoon die mij deze morgen deze Waarheid heeft horen vertellen, Gij mijn getuige zijn, Heer. Zoals Samuël van ouds: "Heb ik hen ooit iets in Uw Naam verteld, dan dat het waar was?" Zij zijn de rechters. En ik vertel ze nu, Heer, dat U mij hebt meegenomen naar dat land. Gij weet dat het waar is. En nu Vader, als er enigen zijn die U niet kennen, moge dit het uur zijn dat ze zeggen: "Here, leg binnenin mij de wil om Uw wil te doen." Sta het toe, Vader.

137 En nu, u met uw hoofden gebogen, zou u uw handen willen opheffen en zeggen: "Bid voor mij, broeder Branham." Gods wil binnen in mij.

138 Nu, terwijl u daar bent waar u bent, gewoon heel lieflijk, waarom zegt u niet gewoon tot Vader: "God, binnen in mijn hart, vandaag verzaak ik alle dingen van de wereld. Ik zweer alles af om U lief te hebben en U heel mijn leven te dienen. En ik wil, van deze dag af aan, U volgen in elk Schriftgedeelte van Uw Bijbel." Als u niet bent gedoopt in de Christelijke doop: "Ik wil het, Heer. Als ik nog niet de Heilige Geest ontvangen heb..." gij zult weten wanneer u Het hebt ontvangen. Het zal aan u geven... Het zal u de zekerheid en de liefde geven die u nodig hebt. O, u mag anders hebben gedaan - sensaties gehad hebben zoals dat, u mag hebben gejubeld of in tongen gesproken, wat fijn is, maar als die Goddelijke Liefde er niet is... geloof me nu.

139 Zeg: "Heer, leg binnen in mijn hart en in mijn ziel het zich uitstrekken van Uw Geest opdat ik zou mogen liefhebben en eren en die Goddelijke Liefde in mijn hart hebben vandaag die me mee zou nemen naar dat land wanneer mijn laatste ademtocht mij verlaat." Terwijl we bidden, bidt u zelf nu. Op uw eigen manier, bidt u. Vraag God om dat voor u te doen. Ik heb u lief. Ik heb u lief. U dierbare mannen met grijs haar die hier zitten, die hard hebben gewerkt en kleine kinderen hebben gevoed. U arme, oude mamma's die de tranen van hun ogen wiste. Laat me u verzekeren, geliefde zuster, zo is het niet voorbij de andere ademtocht ginds. Ik geloof dat het absoluut in de zaal is. Het is gewoon een dimensie waar we naar binnen leven; dit is slechts een bederf waar we nu in leven. "Wil in mij, Here, dat Uw wil er zij." Bidt u terwijl we samen bidden.

140 Eerbiedig Here, op grond van Uw Woord en Uw Heilige Geest, wij zijn zo blij dat we weten waar onze geboorte vandaan is. Wij zijn blij dat we werden geboren, niet uit de wil van de mens, noch uit de wil van het vlees, maar uit de wil van God. En we bidden vandaag, Vader, voor dezen die nu vragen om vergevende genade, dat Uw Geest dat werk zal doen, Heer. Er is geen manier voor mij om het te doen. Ik ben slechts een mens; een andere zoon van Kis. Maar wij hebben U nodig, de Heilige Geest. God, laat mij zijn als Samuël - een die de Waarheid van het Woord vertelt. En U hebt het tot zover betuigd, en ik geloof dat U zult doorgaan zolang als ik trouw blijf aan U.

141 Mogen zij allen nu Eeuwig Leven ontvangen, Vader. Moge deze dag nooit van hen wijken. En wanneer het uur komt dat ze deze wereld moeten verlaten, moge dit, wat ik zojuist tot hen heb gezegd, een werkelijkheid voor hen worden. En zoals wij hier zitten, sterfelijk, vandaag, kijkend op ons horloge, denkend aan ons middageten, aan het werk morgen, aan de zorgen en inspanningen van het leven, dan zullen die er niet zijn. Dat zal allemaal verdwijnen. Er zullen geen zorgen zijn - één grote vreugde van Eeuwigheid. Geef hun dat soort Leven, Vader - iedereen. En moge... Ik vraag u dit Vader, dat elke persoon die hier vanmorgen is, die me dit visioen heeft horen vertellen, moge ik elk van hen aan de andere zijde ontmoeten. Hoewel hier mannen mogen zijn die het niet met mij eens zouden zijn, en vrouwen evenzo, maar Vader, laat dat ons nooit in de weg staan. Mogen wij hen daarginds ontmoeten wanneer ook zij aan komen lopen en we elkaar vastgrijpen, roepend: "Onze dierbare broeder." Laat het zijn zoals het daar werd getoond, Here, voor iedereen. Allen die ik liefhad en allen die mij liefhadden. Ik bid dat het op die wijze zal zijn, Heer. En ik heb hen allen lief. Laat ze verschijnen, Vader. Ik bied hun nu Eeuwig Leven aan. Mogen zij hun deel doen om het te aanvaarden. Want ik vraag het in Jezus' Naam. Amen.

142 We hebben maar een paar ogenblikken om voor de zieken te bidden. Ik zie dat we hier een ziek meisje hebben en de dame in de stoel. Nu, tot mijn allerdierbaarste broeders, zusters. Alstublieft, begrijp mij niet verkeerd. Ik weet niet wat er gebeurde. Ik weet niet wat er gebeurde. Maar God, wanneer ik sterf, laat mij daarheen teruggaan. Laat me gewoon terugkeren naar die plaats; daar wil ik zijn, waar het ook was. Ik probeer niet een Paulus te zijn die werd opgenomen in de Derde Hemel. Ik zeg dat niet. Ik geloof dat Hij probeerde om mij te bemoedigen, proberend mij iets te geven om me een duwtje te geven in mijn nieuwe bediening die opkomt.

143 Zou het oneerbiedig schijnen als ik hier even een ogenblik iets voorlas? Zou dat in orde zijn? Een van de vooraanstaande tijdschriften in het land - Billy Graham: Dr. Billy Graham, uitgenodigd bij de Mohammedanen. Op de voorpagina van de 'Afrikaans Times', 15 februari 1960. De schrijver van het artikel, die een moslim was (een Mohammedaan) gelooft dat wonderen de prediking van het Evangelie van Christus - Dezelfde, gisteren, heden en voor immer - behoorden te volgen. Wij citeren:

Het is dit wat Christus Zijn volgelingen beloofde, toen Hij zei: "Hij die in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen; zelfs grotere dan deze zal hij doen." Heeft de kerk ooit de werken gedaan die... de kenmerken (letterlijk: attributen - Vert.) van Christus waren in de Bijbel; kan het vandaag nog? Kan iemand van de voortreffelijken van de kerk zelfs maar de helft van de wonderen doen als door Christus werden gedaan? Om niet te spreken over grotere werken. Kunt u als vermaard persoonlijkheid, verdediger van het Christelijke leven, de doden opwekken tot lichamelijk leven? Kunt u op de zeeën lopen? Kunt u de zieken genezen en de blinden het gezicht geven? Is dit niet overeenkomstig het bovengenoemde tijdperk vermeld door de Mohammedaan? Of gezet... of de test door Christus die volgt als de bevestigingen van ergens in uw geloof?

144 Veel betreffende het artikel van de Moslim is duidelijk de ene onjuiste voorstelling na de andere. Zij geloven niet in deze Moslim, maar hij had gelijk. Hier is wat men erop had te zeggen:

Het beste antwoord erop: de Bijbel te lezen en de Koran te kennen. De Koran gaat mank door de vergelijking. De bewering van het Mohammedanisme is buitengewoon en streeft het Christendom voorbij, is puur b-o-m-b-a-s-t-i-s-c-h-e (bombastische, veronderstel ik) inbeelding. De schrijver heeft desalniettemin een belangrijk punt aangeroerd met betrekking tot wonderen horend aan de kerk. Maar hier opnieuw twijfelen we aan de oprechtheid van de schrijver. Want wie zou er op kunnen wijzen en zou de wonderen kunnen betwisten gedaan door de Eerwaarde William Branham voor de Moslims in Zuid-Afrika, toen tienduizend het ontvingen, Christus de Redder. Onder de bediening van William Branham in Durban, Zuid Afrika en elders door de hele wereld, of van T.L. Osborn in Oost-Afrika. Natuurlijk staan we honderd procent in voor Billy Graham. We hebben de vraag waarover het ging besproken. Deze kwestie is van geen belang."

145 Maar temidden van dit alles vertelde hij mij - stond er dat we fanatiekelingen waren; we wisten niet wat we deden. Ze moesten het echter betuigen in hun eigen krant dat Gòd het deed, hoe dan ook, God is vandaag net zozeer God als Hij ooit was. U zou niet mogen denken dat ze het niet geloven; ze het niet zien. Het is niet verborgen; het is niet in een uithoek geschied. En honderdduizenden mensen die daar zaten zagen dat. Toen ze die gebrekkige aangevochten jongen daar zagen komen, en de Heilige Geest hem over zijn leven en zo vertelde, en wat er plaats vond, en daar... zag men tienduizend Moslims zichzelf plat op de grond werpen om Jezus Christus te aanvaarden als persoonlijke Verlosser.

146 We hebben nog steeds T.L. Osborn's, enzovoort, die nog steeds schapevoedsel geven. Ik veronderstel dat broeder Osborn nog niet onder de Moslims is geweest. Men beweert dat ze zo overheersend zijn. Maar we hebben nog steeds een God die het schaap van de leeuw kan bevrijden; het schaap van de beer kan bevrijden. En het deed me goed te weten dat ze het moesten schrijven en het erkennen. Ze denken dat ze het niet doen. Ze zouden weglopen en hun rug toekeren en zeggen: "O, die dagen zijn verleden tijd." De Moslims zeggen: "Ah, zij, dan is de hele Bijbel verleden tijd. U bent helemaal verkeerd. U aanbidt een mens. Een mens die stierf en Zijn Naam was Jezus, en Hij stierf lange jaren geleden, en er bestaat niet zoiets als dat Hij een opgestane is." Maar ze konden dat niet zeggen in die Durban samenkomst.

147 Daar stond Hij, dezelfde dingen doende die Hij deed en bewees het aan hen. Nu, zelfs de denominaties moeten erop terugkomen... Dezelfde persoon die schreef en me zei dat ik mijn lering over de Bijbel zou moeten herzien, was degene die dat in hun krant moest schrijven. God zal Zich toch door hen laten prijzen, hoe dan ook. Zo is het. Hij zal Zich hoe dan ook door hen laten prijzen.

148 Heb hier een klein ziek meisje zitten. Is dat uw kind? Wat is haar kwaal, zuster? Hersenbloeding (Broeder Branham praat even met de moeder van het zieke kind - Vert.). Er is slechts één ding, moeder, dat het kind kan redden. Dat is God. U weet dat. Bent u erheen geweest en hebt voor haar gebeden, broeder Neville? Sinds broeder Neville heenging en voor haar bad, is het beter met haar geworden. We hebben nog steeds herders die schapevoedsel kennen.

149 Wat is uw kwaal, dierbare zuster, die daar in de stoel zit? De uwe? Kanker. Wel, als ik u even iets vraag, misschien op dit moment. Hoevelen hier binnen zijn genezen van kanker, steek uw hand op. Kijk eens hier, zuster.

150 God is de Genezer. Dat weten we. Als ik u zei dat ik daar naar beneden kon gaan en die bloeding van dat kind afnemen en haar gezond maken, dan zou ik u iets verkeerds zeggen. Of dat ik de kanker van de vrouw weg kon nemen. Maar ik weet één ding: er was een beer, een kanker, een tumor, een blindheid, en zelfs de dood greep op een dag een van Gods schapen. En ik ging heen met de kracht van God, en ik sloeg hem en bracht dat schaap terug. Dat is zo. We gaan vandaag voorwaarts, niet met enig groot zus-en-zo iets. Ik ga heen met een eenvoudige kleine slinger van gebed. Het zal haar terugbrengen. U gelooft dat, is het niet, zuster? U gelooft evenzo, is het niet, zuster? Hoevelen van u geloven er met hun hart nu? Nu, buigt u uw hoofden terwijl ik ga bidden. (Broeder Branham verlaat dan het podium om voor de zieken te bidden - Vert.).

151 Zou u uw hoofd even een ogenblik willen opheffen. De herder heeft me net verteld dat deze mensen erg, erg ziek waren. Ze zullen in orde zijn. Het is okay. Gods belofte faalt nooit. We gaan achter hen aan.

152 Ze hebben een doopdienst. Er zijn enige mensen die moeten gaan. We zullen vanavond weer dienst hebben. Is er iemand hier, die vanavond niet zou kunnen komen en zou willen dat we nu voor u bidden? - die hier vanavond niet kan zijn. U die vanavond niet kan komen? U die vanavond niet kan komen - Ik zal vanavond meer tijd hebben voor mijn gebedsrij. Ze moeten deze mensen gaan dopen.

153 Nu, als u ons nog een paar minuten langer geeft, zullen we daarna de dienst hebben voor de doop. Ik weet dat u het zult willen zien. En diegenen die de doop wensen deze morgen, wel u - de dames gaan hierheen om zich om te kleden, en de mannen gaan naar deze kant. En dan, terwijl ik voor deze zieke mensen bid, kunt u zich misschien gereed maken voor de doopdienst. En diegenen nu die...

154 Nu, vanavond zal ik proberen een kleine gebedsrij te hebben, vanavond. Direct, zo gauw ze binnenkomen. En we zullen beginnen in het eerste Boek van Efeziërs vanavond. En we zullen erg blij zijn om u hier te hebben als u geen kerk hebt om heen te gaan. Maar als u uw eigen herder en gemeente hebt, gaat u dan naar uw dierbare gemeente waar u uw steun aan geeft. Indien u, die moet gaan, op dit moment wilt weggaan, God zegene u. Kom opnieuw bij ons wanneer u kunt. We zullen u graag hebben. Nu, de rest van u, terwijl u uw hoofd een ogenblik buigt; we willen bidden.

155 Vader, ik dank u vandaag voor de kleine herdersslinger, het gebed, dat de leeuw op zijn knieën bracht, en het kleine lam werd bij hem weggerukt en teruggebracht naar zijn mamma en pappa. Ik bid voor onze broeder. Ik vraag dat U hem ook veilig binnenbrengt, Heer. Moge de bloeddruk en de kwalen van zijn lichaam stoppen. Ik ga hem achterna, Heer, breng hem terug. In de Naam van Jezus Christus; zo zij het. God zegene u, broeder.

156 Naar beneden gaande zie ik nog een kleine, blinde jongen... Nog één ding meer zou ik willen zeggen. Ik was erg ziek... ik gaf over. Ik dacht... Ik wil niet dat u dit mist als u kunt. Ik dacht: "God, wat zou ik ervoor geven als ik buiten iemand kon horen stilhouden."

157 Mijn vrouw zou zeggen: "Billy, daar is een oude heer hier om je te bezoeken." En hier komt een kleine, kaalhoofdige man binnen, met grijze bakkebaarden hangend langs zijn gezicht.

Hij zou binnenlopen en zeggen: "Bent u broeder Branham?"

Ik zou zeggen: "Jazeker, dat ben ik."

"Mijn naam is Simon." Reikt met zijn hand naar me en legt hem op me en kijkt me een ogenblik aan. Zegt: "U bent een gelovige, broeder Branham."

"Ja."

"Het zal in orde komen" - Simon Petrus van de Bijbel. Wat zou ik dat waarderen! Hij zou niet veel hoeven te zeggen - gewoon zijn hand op mij leggen. Het zou in orde zijn.

158 En dan, wat tot mij kwam: Door Gods hulp en door Gods genade zijn er tienduizenden mensen die hetzelfde zouden geloven als ik tot hen kwam. En ik dacht: "Heer, laat me dan gaan, naar iedereen waarheen ik kan. Laat me gewoon..." Ik dacht als Simon alleen maar zou... Paulus - enigen van hen gewoon binnen zouden komen en zeggen: "Bent u broeder Branham?"

"Ja."

159 Ze leggen hun hand op mij en kijken me aan en zeggen: "In orde, broeder Branham" - gaan gewoon naar buiten. Ik zou gezond worden. Ik zou in orde zijn. Zeker. Ik zei... "Jongen, mijn moed zou op datzelfde moment terug zijn." Ik zou zeggen: "Ik zal in orde gaan zijn." Jazeker. En er zijn mensen die datzelfde vandaag geloven. En dat is waarvoor ik hier naar beneden kom om te doen: u de handen opleggen, en God vragen.

160 O genadige God, buiten het bereik van doktoren. Bij de geboorte van deze kleine jongen die blind geboren werd...?... Deze fijne lieflijke kleine jongen. En de vijand, voordat de kleine jongen een kans had, rukte hij hem buiten het bereik van de dokter. Maar ik kom hem achterna deze morgen, Heer! Met de kleine slinger van het gebed...?... En ik ontmoet de vijand, de duivel, in de Naam van Jezus Christus. En ik eis deze jongen op voor God. En ik eis zijn gezichtsvermogen op voor God. Hem teruggevend waar Satan hem van beroofde. Moge hij het hebben in de Naam van Jezus Christus...?...

161 Nu, geliefde zuster, ik wil dat u niet één zweem van twijfel hebt, de kleine jongen zal in orde gaan zijn. En breng hem terug naar de gemeente om de mensen te tonen dat hij kan zien...?... Ik geef hem zijn gezichtsvermogen in de Naam van Jezus Christus.

...(De gebedsdienst wordt voortgezet - Vert.)





TerugTerug