Wees niet bevreesd

Door William Marrion Branham

1 Laten we even een ogenblik blijven staan, terwijl wij ons hoofd buigen voor God. Met onze hoofden en harten gebogen, vraag ik mij af of er vanavond in het gebouw speciale verzoeken zijn, waarvoor u gebed zou verlangen. Laat het dan bekend worden door uw opgestoken hand. De Here zegene u.

2 Onze hemelse Vader, wij naderen nu de grote troon, in de Naam van de Here Jezus, want ons is verteld dat als wij komen en iets vragen in Zijn Naam, het ons zal worden toegestaan. En wij willen U eerst danken voor deze wonderbare bijeenkomst, deze vier avonden, met Geest vervulde mensen die hier tezamen vergaderd zijn. En we ontdekten dat de Schrift opnieuw bewijst gelijk te hebben dat "waar twee of meer tezamen vergaderen, Ik in hun midden zal zijn". En we hebben gezien dat U de zieken geneest, de zegeningen uitspreekt, de mensen vertelt wat er zal zijn; en we zijn daar zo dankbaar voor.

3 En wij, als broeders hier op het podium; Here, ik ben dankbaar voor deze groep mannen waarvan ik weet dat... Voor deze Christenen, deze pasgeboren baby's, die deze week in Christus kwamen, Here, bid ik dat zij hier elk een comfortabel thuis zullen vinden, een thuisgemeente, en voor U zullen leven en werken totdat Jezus komt.

4 En mogen deze resultaten van ons samenkomen een ouderwetse opwekking doen komen in de hele stad, Here. Velen... Moge het nooit eindigen totdat Jezus komt. Moge er voortdurend opwekking zijn. Mogen deze kerken overal helemaal vollopen en het heerlijke Evangelie van Jezus Christus door de landen heen bekend gemaakt worden.

5 Nu, Vader, wij bidden voor dezen die hun handen opstaken; U weet wat onder de hand is. Wij... U weet er alles over, dus bevelen wij het gewoon bij U aan en vragen dat U hun hun verzoek zult toestaan.

6 En breek het brood des levens nu voor ons, Here. Wij willen dat U tot ons spreekt door het Woord, want "geloof komt door het horen van het Woord". En wij bidden dat U het vanavond aan ons bekend zult maken, Uw Goddelijke wil. Toon Uzelf vanavond opnieuw onder ons, Vader. Wij danken U voor alles wat gedaan en gezegd is en zien er naar uit dat dit een grote climax van de dienst zal zijn. In Jezus' Naam bidden wij. Amen.

     U mag gaan zitten.

7 Ik acht dit één van mijn grote voorrechten om hier deze tijd van gemeenschap met u te hebben gehad, met u fijne mensen in deze gehoorzaal in Tucson. En ik was hier slechts voor een paar dagen... en ik ben hier slechts gedurende een paar dagen geweest, liever gezegd, en ik dacht misschien als ik hier kom en niet... Weg te gaan zonder iets te zeggen of een samenkomst te hebben zou er wat slecht uitzien. En ik kreeg geen kans om al deze fijne broeders die ik hier ontmoet heb sinds ik op het podium ben geweest, te bezoeken. En ik wenste dat ik in elke kerk een week zou kunnen blijven. Ik zou dat zeker graag willen doen. En...

8 Maar ik ben zo blij dat u, pas geboren baby's, die pas deze week Christus vonden... Als ik in uw plaats was, zou ik voor mijzelf een goede thuisgemeente uitzoeken onder deze mannen hier, waar ik het dichtste bij was, of waar ik zou kiezen om naartoe te gaan. En van de gemeenten die ik bezocht, zijn er sommigen van de mannen hier bij wie ik in hun gemeenten ben geweest, mannen die werkelijk in brand staan voor God, brandend van ijver, proberend hun best te doen om het licht van het Evangelie vast te houden. Ik waardeer dergelijke mannen. En bedenk dat deze mannen hetzelfde Evangelie geloven dat ik hier sta te prediken. Zij zijn mijn sponsors. Zij zijn degenen die hier op het podium staan. Zij schamen zich hier niet voor. Zij staan er voor in. Zij geloven erin. En ze zijn hier terwijl zij mij steunen en elke avond voor mij bidden. En ik geloof dat als u niet naar de kerk gaat, waarom gaat u dan niet naar één van deze fijne mannen en komt in hun gemeente en hebt gemeenschap met hen? Als ik hier woonde en zelf geen prediker was, is dat wat ik zou doen. Ik zou zeker een goede thuisgemeente voor mezelf zoeken bij enigen van deze mannen en mijn plaats in Christus innemen.

9 En als u nog nooit gedoopt bent, u die uw hart aan Christus hebt gegeven, raadpleeg één van deze mannen en u zult de Christelijke doop ontvangen. En dan, als u de Heilige Geest niet hebt ontvangen, zullen zij weten hoe u te instrueren, hoe u het ontvangen moet.

10 Ik zal daarover in de morgen bij het ontbijt van de Zakenlieden spreken, zo de Here wil, over de doop met de Heilige Geest. Ik heb mij hier een beetje weerhouden van de leer omdat we hier binnen een gemengde groep zijn. Maar morgenochtend wil ik een evangelische boodschap uitbrengen over de Heilige Geest, zo de Here wil. Nu geloof ik dat het ontbijt om negen uur begint. Is het om acht uur? Acht uur in de morgen.

11 En nu zou ik graag iemand willen oproepen die we geprobeerd hebben te vinden sinds we in Tucson zijn. En misschien zou de dame behoren tot de kerk van enigen van u, broeders, hier. Ik geloof dat haar naam Charlotte Raney is. Is er iemand... Kent u haar? Is zij hier in de stad? Charlotte, ben je hier? Ik, ik... Zij is een persoonlijke vriendin van ons, en we konden haar niet vinden. Zij is verpleegster.

12 [Iemand zegt: "Haar dochter is hier." – Vert] Haar dochter. Wel, my, my! Ik vraag mij af hoe groot zij is? Sta op, lieverd, waar je ook bent. Ik hoop dat je niet te groot bent om je nog "lieverd" te noemen. ["Daar is zij."] O, o my! Bijna bij dat "lieverd" genoemd worden vandaan gegroeid, is het niet? Dank je. Vertel maar aan je moeder: "God zegene haar, en we hebben haar lief, en we zouden haar zeker graag willen zien voordat we vertrekken." Probeer even iemand van de... Billy Paul of iemand hier te pakken te krijgen en laat ons weten waar je woont. We probeerden jullie via de inlichtingendienst van de telefoon te vinden. We hebben overal geïnformeerd en konden jullie niet vinden. Dank je zeer. En de laatste keer dat ik je zag was je nog maar een kleine peuter.

     Deze mevrouw Raney, haar... haar zuster.

13 Een zeer goed bekendstaande verpleegster, ze was één van de eerste kankergevallen die ik de Here zag genezen. Ze wist zelfs niet waar zij zich bevond, of zoiets, verbrand door de radium. En de Here had mij pas een avond of twee daarvoor tot deze bediening geroepen. O, het is vele, vele jaren geleden, misschien twintig of vijfentwintig jaar geleden. En zij was in Louisville en stond op de kankerlijst in Louisville; ze zou al twintig jaar dood zijn geweest. En ze verpleegt nu, en net zo gezond en sterk als ze maar kan zijn.

14 En dit is haar zuster die hier naar het Westen kwam, zij en de kleine baby die ze toen was. En sinds we hier zijn hebben we geprobeerd hen te vinden. En ik vertelde Meda, mijn vrouw, dat ik overal gekeken had en haar niet had kunnen ontdekken. En ik dacht dat ze misschien verhuisd was of zoiets. En elke avond dacht ik haar op te roepen. Toen schreef ik hier enkele dingen op een stukje papier die ik wilde zeggen, zodat ik het niet zou vergeten. Ik word oud.

15 Ik vertelde broeder Moore... Hoeveel kennen Jack Moore? Zeker kent u hem, u Christen Zakenlieden. Een fijne prediker in Shreveport. Hij was vroeger een van mijn medewerkers in de diensten. Ik zei: "Broeder Jack, weet je, het wordt moeilijk voor mij om mij dingen te herinneren zoals tevoren. Ik kon mij vroeger alles heel snel herinneren."

     "O", zei hij, "is dat alles hoever je gevorderd bent?"

     Ik zei: "Dat is ver genoeg."

16 Hij zei: "My!" Zei: "Ik belde iemand op en ik zei: 'Wat wilt u?'" [De samenkomst lacht – Vert]

17 Dat is een heel eind op weg. Hij is ongeveer vier of vijf jaar ouder dan ik. Ik hoop dat ik dat niet krijg. Maar hij zei dat werkelijk. Hij is een Ier met gevoel voor humor. Maar iemand opbellen en vragen wat hij wilde, dat zou erg zijn.

18 Nu, nog iets, ik dank je, geliefde zuster, en wees zeker dat je ons te pakken krijgt. Vertel je moeder dat we haar willen ontmoeten en dat wij op de terugweg tante Margie zullen bezoeken; oom Bill.

19 Nu, ik ben dankbaar, zeer dankbaar voor deze groep predikers die dit programma hier ondersteunden. En aan de Christen... de Christelijke Volle Evangelie Zakenlieden hier in de stad ben ik dankbaar.

20 Ik probeer in elke kleine plaats te komen waar ik maar kan, maar we kunnen niet naar alle gaan. Hier is mijn manager die hier zit, broeder Borders, die met mij meegaat en de samenkomsten regelt. En ik heb thuis een boek, zoiets als dat, vol met uitnodigingen rondom de wereld en ze vertellen mij dat hij er nog één heeft die hij mij morgenochtend zal geven.

21 Maar gewoonlijk ga ik alleen waar God mij leidt. Als ik dan daarheen ga, kan ik komen in de Naam van de Here Jezus, omdat Hij mij als een ambassadeur zond. En ik voelde mij geleid, terwijl ik hier in Tucson was, om deze samenkomst te hebben. Ik dacht dat het fijn zou zijn, en speciaal om gemeenschap te hebben.

22 En hoeveel herinneren zich nog Fred Bosworth, broeder F.F. Bosworth, de grote, oude heilige van God? En hij ging kort geleden op vierentachtigjarige leeftijd naar huis in de heerlijkheid, pas geleden. En hij zei: "Broeder Branham, weet u wat gemeenschap is?" [Engels: "Fellowship" – Vert]

     Ik zei: "Ik denk het wel, broeder Bosworth."

23 Hij zei: "Het zijn twee personen in één schip." Dus heb ik plaats voor de ander, daarom ben ik zeer dankbaar.

24 En het doet mij altijd denken aan een klein verhaal. Ik kwam van buiten naar binnen en één van de suppoosten kwam naar me toe en schudde mij de hand. Hij zei: "Zeg prediker, ik ben uw medebroeder."

25 Ik zei: "Ik ben blij u te ontmoeten." En hij vertelde mij zijn naam en hij was ook een Ier.

26 En iemand vroeg mij eens, zei: "Van welke nationaliteit bent u, broeder Branham?"

27 Ik zei: "Ik ben een Ier. En als er is... en als zíj gered kunnen worden is er hoop voor de hele wereld."

28 Dus toevallig was hij ook een Ier. En hij zei: "Ik houd van die verhalen over jagen." Hij zei: "Ik houd ook van jagen."

29 Dus, wel, je moet "alles zijn voor allen," weet u, "opdat we enigen voor Christus zouden kunnen winnen".

30 En over gemeenschap gesproken, ik herinner me dat ik eens daarboven in noordelijk New Hampshire was. Ik was... Dat is het verblijf van het witstaart hert. Ik viste op deze kleine bronforellen en hoekstaarten. En wij... En ik had een plaats waar ik mij had geïnstalleerd, terwijl mijn kleine tent daar hoog op de berg stond. O, ik zag een plaats waar het water neerkwam...

31 En ik weet dat ik heel wat visvrienden heb. Ik heb in Arizona niet genoeg water gevonden om te gaan vissen, maar sinds ik hier ben, drink ik al het mijne. Maar het is slechts een... Dat is het enige. Ik houd van dit land, maar ik wenste zeker dat we enkele meren of vijvers of iets hier rondom hadden. En ik ben een Baptist, weet u, en ik houd van veel water. En dus, zij...

32 Ik had deze kleine poel om in te vissen. O my! Ik vang ze gewoon, weet u, houd ervan met ze te spelen en ze dan weer los te laten. En als ik er een dood, zal ik die natuurlijk opeten. En helemaal onder aan mijn vislijn bleef ik haken aan een bosje wilgentakjes.

33 Ik sliep dus 's nachts in een kleine tent waarin ik een paar dagen verbleef. En de volgende morgen nam ik mijn kleine handbijl en ging naar buiten. Ik dacht erover om die bosjes te gaan loshakken en een poosje met die forellen te gaan spelen. Binnenkort, waarschijnlijk morgen, zal ik weer met mijn kleine tent op mijn rug daarheen gaan.

34 En op mijn terugweg was er een berin met haar twee jongen in mijn kleine oude 'bonenzak' tent gekropen. Ja, en het gaat er niet om wat zij eten, maar wat ze kapot maken. O my! Ze houden ervan om dingen te laten ratelen. Ze zijn op die wijze door en door Pinksteren. Dus houden zij er gewoon van om te... Ze houden daar gewoon van. Ze gingen naar binnen en braken een kachelpijp af en stampten hem fijn. Nu, over lawaai gesproken, wel, dat kan ik maar beter laten rusten. Zie?

35 Ik kan bewijzen dat alles wat geen emotie in zich heeft, dood is. Dus als uw godsdienst geen beetje emotie in zich heeft, kunt u haar maar beter begraven en iets gaan krijgen. U moet emotie hebben om levend te zijn.

36 En let nu op deze kleine oude... Toen ik daar kwam, hoorde ik een geluid. En ik keek er naar en daar zat een oude moederbeer met haar twee kleine jongen, die erin waren gegaan. En ze vernielden gewoon alles wat er was. Dus wist ik: "Dat was de tent opbreken en vertrekken." Toen ik keek liep de berin hard naar één kant. En ze koerde, weet u. Het was een zwarte beer. Die zijn niet zo groot. En ze liep dus hard weg en koerde naar haar jongen. En één van de jongen kwam naar haar toe en de andere kwam niet. Wel, ik vroeg mij af: "Wat ter wereld is er aan de hand?"

37 En ik had daar in die tent een oud roestig pistool liggen. En... maar ik denk dat het ondertussen stuk was. En ik had de bijl in mijn hand en ik... Weet u, een oude berin met een paar jongen kan flink boos worden. En als ze dat wil kan ze je ook krabben. Dus lette ik goed op haar, weet u, steeds maar een boom in gedachten houdend. Zodat ik zou kunnen...

38 U hebt gehoord over de prediker in een kaneelboom, wel, elke soort boom voldoet als er een beer achter je aan zit. Dus lette ik op die boom en ik vroeg mij af wat er aan de hand was met die kleine oude beer. Hij was niet van plan om te gaan. En zijn mama bleef naar hem roepen en hij bleef gewoon zitten. Hij zat helemaal gekromd, zoals dat. Ik dacht: "Wat heeft die kleine knaap te pakken?" Ik dacht dat ik misschien naar binnen kon rennen en dat oude pistool grijpen. Ik dacht: "O, ik zou deze oude berin niet willen doden als zij achter mij aan zou komen stormen, omdat ik dan twee wezen in de bossen zou achterlaten." Dus dat wilde ik niet.

39 Dus ik dacht: "Ik zal gewoon deze boom in de gaten houden en kijken wat de kleine makker te pakken heeft." En nu was hij helemaal zo ineengedoken en ik zag hem bewegen. En de oude moeder was aan het roepen en liep wat rusteloos heen en weer. En ze lette ook op mij. En toen ze haar rug omkeerde om naar de andere beer te kijken, stapte ik zo opzij om te proberen erbij te komen om te zien wat de kleine makker aan het doen was en waar hij zo in geïnteresseerd was. Weet u wat hij had? Hij had mijn emmer met stroop.

40 En weet u, ik houd van pannenkoeken. Ik weet dat ik heel wat medeburgers heb met dezelfde smaak. Dus, en ik weet dat ik... ik geloof niet in besprenkelen. Ik houd ervan ze werkelijk te dopen. Ik houd ervan om het er flink op te gieten, weet u, er heel wat stroop op te doen. De laatste keer dat ik hier onlangs in de Ramada at, hadden we een aller heerlijkst ontbijt. En ze hadden lekkere pannenkoekjes. Wij in het Zuiden noemen ze "flapjacks". Maar u... Als we ze morgen krijgen, vraag de kelner dan om er een beetje meer stroop op te doen alstublieft, omdat dat niet genoeg was. Ik moest er suiker bovenop doen, weet u, om het af te maken.

41 Maar hoe dan ook, deze kleine oude beer, de kleine makker had met zijn poot deze emmer open gemaakt. Hij had zijn... Ze houden van zoet spul, weet u. En hij hield zijn pootje in deze emmer met stroop. Hij wist niet hoe hij het met zijn voorpoten moest eten, dus smeerde hij ze gewoon in en likte ze af, weet u. Dan smeerde hij weer en likte, totdat hij de emmer helemaal had uitgesopt.

42 Ik zei: "Ga hier vandaan!" Ik bleef naar hem schreeuwen. Hij wilde zich zelfs niet omdraaien. En nadat hij de emmer had uitgesopt, keerde hij zich om en keek naar mij. En hij kon zijn ogen niet open krijgen, weet u. Vanaf de bovenkant van zijn oren tot aan zijn buikje zat hij gewoon onder de stroop.

43 Ik dacht: "Dat is juist. Er is geen veroordeling. Dat is net als een goede oude Pinkstersamenkomst. Als je je hand helemaal onderin de stroopemmer hebt of tot aan je ellebogen in de honingpot, juicht en God prijst, dan maakt het me niet uit wat er zich voordoet; je hoort het niet." Zie?

44 Maar, weet u, het vreemde was, nadat hij was weg gekomen – en de anderen stonden hem daar uit te schelden – toen hij bij ze kwam, hadden de anderen gemeenschap. Zij likten hem allemaal af. De natuur bevat enkele vreemde dingen, is het niet, broeder? Ze waren allemaal aan het likken. Nu, de mensen die deze samenkomst niet bijwoonden, kunnen gewoon uw stroop aflikken in de... zie, nadat het voorbij is. In orde.

45 We zijn dankbaar, vol van dank voor deze fijne groep mensen. En zij... Ik geloof dat alles in orde zal komen. En wij doen niet... Wij, absoluut... Eén zaak die we niet zullen toestaan is de financiën, elke soort druk op de financiën. De broeder vertelde mij daarbuiten dat ze het allemaal hadden op honderd dollar na. Ik gaf hem een cheque. Ik zei: "Vergeet het. Zie? Ik betaal het zelf." Dus dan, we... Alles is fijn en in orde. En we willen...

46 Als hier vanavond iemand van het personeel van het Ramada Motel is, wil ik hen bedanken, want zij schonken ons dit gebouw. Ik geloof... En ik was niet... Ik weet... De enige manier waarop ik het wist is dat broeder Tony mij erover vertelde. Ik geloof dat het is... dat wanneer iemand in deze stad was, of een motel zocht, ik zeker reclame zou kunnen maken en hun vertellen dat de Ramada een plaats is om naartoe te gaan.

47 Als mensen zoveel achting hebben voor de... voor ons en onze godsdienst en onze Christus, geloof ik dat wij genoeg dapperheid behoorden te hebben om iets goeds over hen te zeggen en het aan iedereen te vertellen. Dat is juist. Moge de Here deze instelling zegenen. We zijn altijd naar hun gelegenheden gegaan, waar we het land ook maar doorkruisen. We hebben altijd zoveel hoffelijkheid ondervonden. En de Zakenlieden gebruikten hun zalen, Phoenix en overal waar we kunnen om samenkomsten en conferenties te houden. En ik zeg dit, heren, als u hier bent, de Almachtige God zegene u rijkelijk. En aan het einde van de weg, bid ik, dat God Zijn deuren zal openen en u welkom zal heten in Zijn grote Koninkrijk op die dag.

48 En dan is er nog één ding meer. Ik heb heel wat stof met een paar aanhalingen en enige teksten opgeschreven, die ik over een paar minuten wil gebruiken. Maar nog iets anders, u mensen hier in Tucson bent zeer bevoorrecht. Nu, ze vertelden mij altijd dat Tucson de dichtst bij zijnde plaats bij de hel was, omdat het er zo heet is. Maar ik vertel u dat ik mij werkelijk hierin verheug. Wel, als het thuis net zo heet is als hier, wel, je zou er niet kunnen staan met een jas aan en de airconditioning aan. Het zou zijn... Je zou gewoon zweten. Wel, ik heb nooit... Ik heb tamelijk hard gewerkt en ik heb nog geen druppel gezweten.

49 Wel, ik houd hiervan. "Waarom ga je terug naar het oosten in de zomertijd?" Hier is een plaats om te komen. Deze is fijn. Het is in ieder geval heel wat beter dan ons moeras daarginds. Dus houd ik hier van. En ik hoop dat de goede Here mij terug laat komen, hier ergens naartoe verhuizen en blijven. En ik houd werkelijk van deze plaats.

50 En één van de grote dingen, de gebeurtenissen, één van de grote kenmerken van de plaats, zijn natuurlijk de mensen die de plaats maken. Ik... Zelfs in uw warenhuizen, alles – en een toeristenstad – ben ik op een van de fijnste manieren behandeld, de aardigste mensen die ik ooit zou willen ontmoeten, sinds ik in Tucson ben.

51 En toen ik hier aankwam, zette ik mijn radio aan en ik vond hier een station dat voortdurend niets anders dan Christelijke muziek uitzendt. Het is station KAIR. En ik vernam juist vandaag dat hun hoofdkwartier hier in de Ramada is. Weet u wat ik gedaan heb – als iemand van het personeel van KAIR hier is – ik kocht een radio, alleen om hem steeds aan te laten staan, zodat mijn kinderen en mijn huisgezin het juiste zouden kunnen horen.

52 Want op de meeste stations die je aanzet is het altijd de een of ander soort boogly-woogly of wat voor spul het ook is, en rock and roll, en al deze andere onzin die ze vandaag hebben. Het is niet om aan te horen. En ik geloof dat u, Christenen, alles moet doen wat u maar kunt om dat station daar te houden. Dat is juist. En zet het thuis aan zodat uw kinderen het juiste kunnen horen.

53 Nu, u zult natuurlijk van alles horen. Het is een interdenominationele aangelegenheid met elk soort prediking en zo. U zou het oneens kunnen zijn met enigen van de broeders, met hun programma. My, als we vanavond allen zaten te eten en we hadden allen taart, dan zou ik misschien kersentaart nemen en u appeltaart, maar we eten allemaal taart. Is het niet? Dat is waar. Dus zijn zij gewoon broeders. En zij hebben een recht om uit te drukken wat zij denken.

54 Houd dus uw radio aan en luister naar die fijne muziek. En ik geloof dat ik dat waardeer. Ik wenste dat ik KAIR mee naar huis kon nemen en ergens in Louisville een dergelijk station kon plaatsen dat steeds Christelijke muziek uitzendt. Daar houd ik van. De Here zegene dat station KAIR.

55 En dan is er nog een station daarbuiten. Ik kan mij de letters ervan niet herinneren, maar het heeft ook heel wat fijne godsdienstige muziek. En ik vertel u – ik hoop niet dat ik de man verlegen maak door te zeggen dat ik heel de tijd naar broeder Gilmore luister – hij is soms op dat station. En ik ben gewoon vergeten welk station het is. Maar hebben zij ook... KAIF? [Een broeder zegt: "Nee, KFIF." – Vert] KFIF. Dat is nog een fijn station. We waarderen hen ook.

56 Weet u, het is net als het oude gezegde, als we onze zegeningen tellen en om ons heen kijken, dan is het nog verbazend om te zien hoeveel goede mensen er in de wereld over zijn en hoeveel mooie dingen we nog hebben. De Here zij geprezen. Ik ben blij een Amerikaan te zijn. Ik ben blij om, als een zendeling die uit andere landen komt, enzovoort, weer thuis te komen.

57 O, het doet mij pijn in mijn hart om onze luxueuze levenswijze te zien terwijl de rest van de wereld verhongert. En om de fijne plaatsen te zien, een grote mooie kerk op elke hoek, en die arme mensen daar waarvan velen zelfs nooit de Naam van Jezus Christus hebben gehoord.

58 Ik had daar kleine zwarte jongens staan bij de duizenden, terwijl de tranen over hun wangen liepen, met zelfs niet één draad kleding aan, die niet wisten wat hun rechter- en linkerhand is, die daar gewoon de hele dag en de hele nacht bleven en naar mij zaten te luisteren terwijl ik over de Here Jezus sprak, zie, waar ze nooit tevoren over hadden gehoord. Vertelde hun dat er Iemand is Die hen liefheeft. O my! Dat wilden ze horen, iets dat... Iemand Die hen liefheeft.

59 Wie wil niet bemind worden? Dat willen wij allen. Wij hebben dat allen nodig. En dan, de wijze om het te krijgen is door iemand anders lief te hebben, dan zult u beminnelijk zijn.

60 God zegene u allen. Ik hoop u morgenochtend bij het ontbijt te zien, degenen die kunnen. En ik geloof dat ze de kaarten ook morgenochtend verkopen in het kantoor. En als u voor het ontbijt komt, wel, ik ben er zeker van dat we een beetje meer stroop zullen krijgen als we pannenkoeken krijgen. En dan... En misschien dat sommigen niet altijd zoveel nodig hebben, weet u. En als ik dus...

61 Ik predikte eens in een Zendingsbaptisten kerk in Georgië. Het was een... Ik predikte tot ver in de avond en had een grote altaaroproep. Het was laat. En ik sliep achter op een veranda, en de wind blies in de oude beschutte veranda. En ik was vermoeid. Ze stonden daar om vier uur op. En daar kwam de oude gekleurde vrouw naar buiten. Ze riep mij drie of vier keer. En ik vergeet het nooit. Ze zei: "Parson", dat daar 'prediker' betekent. "Geliefde parson, waarom staat u niet op?" Ze zei: "Ik heb uw pannenkoeken deze morgen al vier keer gebakken." Gezegend zij haar oude hart. Ze was toen ongeveer zeventig; ik denk dat ze nu naar de heerlijkheid is gegaan en rust. "Bakte uw pannenkoeken al vier keer vanmorgen."

62 Nu, heeft iedereen de Here lief? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Zo blij. Bent u niet gewoon blij te weten dat u zich vrij en gelukkig kunt voelen zonder veroordeling?

63 En ik wil dat kleine kwartet hier bedanken dat ze gebleven zijn. Ik weet dat ze op het programma stonden voor andere plaatsen. En ze zeiden... Ik zal naar jullie luisteren op jullie platen. Ik heb er enige van, en de banden en zo. Ik vind dat jullie erg fijn zijn.

64 En dit kleine meisje hier. My, o my! Ze heeft een stem als een spotvogel. Ze kan werkelijk echt zingen, en de kleine jongens ook. En ik vertelde die kleine knaap, de kleine makker die een bril draagt – ik ontmoette hem gisteravond en ik zei: "Zoon, je zult een dezer dagen een basstem krijgen." Hij lachte wat en keek over die bril heen. Ik zei: "Je zult je wel afvragen waarom ik dat zei." Ik zei: "Wel, je maakt nu een geluid als een hommel in een kruik." En het monterde hem op. En het zijn fijne mensen. De Here zegene jullie.

65 Ik geloof dat ik de moeder won toen ik dat zei. Goed. Ik had onlangs 's avonds nog een dame. En ik denk dat de vader hier ergens is. Iemand wees hier naar de vader. Ja. In orde. De Here zegene hem. En ik hoop dat onze paden elkaar weer ergens in het leven zullen kruisen. Zo niet, dan zullen we daar die morgen de poort bereiken. Zo is het. Nu, voordat we...

66 Na onszelf uitgedrukt te hebben op de manier zoals we deden... en ik geloof dat blijdschap met Christenen samengaat. Ik ben nooit bedroefd geweest omdat ik een Christen was. Ik ben altijd blij een Christen te zijn. En o, vreugdeklokken hebben nu zo'n vijfendertig jaar in mijn hart geluid sinds Jezus in mijn hart kwam. Ik ben nooit in staat geweest om het uit te drukken. Het is onuitsprekelijke vreugde en vol van heerlijkheid. Maar nu, daar wij het Woord benaderen, laten we even ons beetje lachen aan de kant zetten, en laten we nu voor een ogenblik rechtstreeks in het Woord kijken.

67 Here Jezus, helpt U ons nu als wij het Woord lezen. En moge de grote Heilige Geest Die gezonden werd om onze Leraar te zijn – gezonden om ons wakker te maken en ons de dingen en de weg van God te onderwijzen – moge Hij nu komen en het Woord nemen en het aan elk hart bedienen zoals wij het nodig hebben. We bidden het in Jezus' Naam. Amen.

68 Nu, als u de Schrift wilt opslaan die ik wil lezen, het wordt gevonden in Matthéüs het veertiende hoofdstuk en we zullen beginnen bij het tweeëntwintigste vers.

     En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.

     En toen Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op de berg alleen, om te bidden. En toen het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.

     En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen.

     Maar in de vierde nachtwake kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.

     En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vrees.

     Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Weest goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.

69 Nu, als ik dit als tekst zou nemen... En ik probeer de kleine boodschappen eenvoudig te houden en als een drama, zodat de kleine makkers ervan kunnen genieten. En ik zal dit als tekst nemen: Wees niet bevreesd.

70 Drie woorden. Dat gebruik ik heel wat keren: Gelooft u dit? en Kom, zie een Man. En het zijn kleine teksten van drie woorden.

71 En nu wil ik dit als tekst gebruiken: Wees niet bevreesd. En dan als onderwerp zal ik dit gebruiken: "Een getuigenissamenkomst op de zee."

72 Het moet al wat laat in de middag zijn geweest. De zon was ongeveer ondergegaan; de schemering zette in en ze waren allemaal vermoeid en uitgeput. Het was een geweldige dag voor de groep geweest. De grote, sterk gespierde, kaalhoofdige visser duwde de boot naar de zee van Galiléa. En toen hij tenslotte de boot drijvende kreeg, klom hij aan boord en ging naast zijn broer Andréas zitten. Het wordt in de Bijbel een schip genoemd.

73 Nu is een schip niet wat wij vandaag een schip noemen. De schepen werden toen meestal voortgedreven door een roeispaan. En ze hadden de... De dolboorden waren hoog en omdat de grote golven daar op het meer nogal dikwijls voorkwamen, moesten ze hoge zijkanten hebben. En gewoonlijk zaten twee mannen aan elke roeispaan, die aan één kant van het schip zaten en eveneens aan de andere kant, en soms trokken zes of acht man het schip aan. Ze waren vissers van beroep langs het meer van Galiléa. En ze hebben het vandaag nog. Het is geen spatje veranderd sinds die dag. Nog steeds hetzelfde, vissen op dezelfde wijze, dezelfde soort netten en van alles.

74 Nu, en terwijl zij het schip keerden en afvoeren, stond de oever vol mensen. En ze maakten een paar slagen met hun roeispanen en zwaaiden tot ziens naar hen. En iedereen zei: "Kom terug en bezoek ons opnieuw. Zorg ervoor uw Meester mee te brengen als u terugkomt en ons weer bezoekt." Ze waren op weg om de zee over te steken en het was een behoorlijke afstand. En ze moesten hard trekken om daar die avond aan te komen.

75 Ik kan mij dus op een bepaalde manier indenken hoe ze zich voelden. Het was een geweldige dag geweest. Ze hadden grote dingen zien gebeuren. Velen waren gered en geloofden in de Here Jezus. En ze hadden een zeer moeilijke dag gehad om de mensen weg te houden bij hun Meester, zodat Hij kon bedienen om leven te brengen tot de verlorenen. En ze waren vermoeid en uitgeput.

76 Maar toch, om hun vrienden achter te laten, er is iets met het verlaten van vrienden, als je vaarwel moet zeggen. Dat is een verschrikkelijke zaak. En ik voel op die wijze, kan zoveel meevoelen met de last die zij hadden, omdat ik weet hoe het bij mij gaat. Ongeveer tegen de tijd dat je bekend raakt met een groep mensen, juist als ze weten dat je niet de een of andere supermens bent, maar dat je een broeder bent en ze beginnen te... Alles begint goed te voelen. En dan moet je zeggen: "Vaarwel, ik zal u te eniger tijd weerzien. Dat hoop ik." Dat is een moeilijke zaak om te doen.

77 Ik zie uit naar de tijd dat we elkaar zullen ontmoeten waar we nooit vaarwel zullen zeggen, daar aan de andere kant. En sommigen van mijn dierbare oude broeders hier en mede jagers, ik zal u daar ergens ontmoeten langs die sporen van groot wild, daar waar ze nooit eindigen. Ik zal naar u uitzien daar langs de weg, als ik u niet weer terugzie voordat we worden opgenomen.

78 En wat moeten ze hebben gezwaaid. En na een paar keer aan de roeispanen getrokken te hebben opnieuw zwaaien. En tenslotte, toen de zee kalmer werd, net toen de zon onderging, ondernam de kleine boot zijn oversteek met de kracht van de roeispanen. Ze zouden een paar slagen doen en dan zwaaiden ze opnieuw gedag. En dan, als iemand een ander zou herkennen, zou je naar hen zwaaien. En dat moet het geval geweest zijn terwijl het schip vertrok over de wateren. En tenslotte werd er voor het laatst gedag gezegd, zover als ze het konden horen.

79 En er moet een lange stilte zijn geweest. Niemand zei iets, omdat ze het kleine schip vooruit moesten trekken. En ze hebben daar allen samen een soort ritme als zij deze schepen voortroeien, omdat je er een onverwachte wending aan zou geven als je dat niet deed. En zo roeiden zij ritmisch en werden misschien tamelijk vermoeid.

80 Het moet de jonge Johannes zijn geweest die zoiets als eerste begon met "van wal steken", zoals wij dat noemen. Hij was jong en nog teer. En hij was niet zo sterk als die oude gespierde vissers die op de zeeën en in die stormen geweest waren en die boten getrokken hadden. En hij moet het eerst vermoeid zijn geworden. Hij moet dus gezegd hebben: "Poeh, broeders, laten we een ogenblik rusten." En toen hij stopte en zijn zwarte haar uit zijn ogen veegde en het kleine schip verder door het water gleed, kan ik hem horen beginnen, en hij zegt: "Ik voel dat ik graag zou willen getuigen."

81 Daar houd ik van. Ik houd van een goede getuigenissamenkomst als je iets hebt om van te getuigen. Nu, als je niets hebt, alleen maar opstaat en hetzelfde zegt als wat je de avond daarvoor en verleden jaar hebt gezegd, dan wordt het vervelend. Maar als je een echt vers getuigenis hebt dat je gewoon niet langer kunt inhouden, dat de Here iets voor je gedaan heeft en je moet het eruit gooien, daar houd ik van.

82 Gewoonlijk noemden we het thuis een popcorn getuigenis. Nu, hoeveel weten wat popcorn is? Ik wil u vertellen wat het doet. U neemt een kleine gele maïskorrel en legt hem op een hete kachel en hij springt heel hoog op in de lucht, geel, verandert in wit, komt tweemaal zo groot terug en half zo licht, half zo zwaar als dat hij was, liever gezegd. Het is een getuigenis. Zie? Dat is wat een getuigenis doet. Een beetje geel, bang om iets te doen en dan, het eerste wat er gebeurt, de kracht en het vuur van de Heilige Geest treft u en het verandert u van geel in wit. En u, u dus, voelt u zo licht, zie, dat u niet meer aan de grond verankerd bent. Dus houd ik van het popcorn getuigenis.

83 Het moet de kleine Johannes zijn geweest die er een wilde geven. Hij stond op in de boot en zei: "Wel, ik wil eerst getuigen en dit zeggen terwijl wij uitrusten. Ik ben volmaakt tevreden en verzekerd, mijn broeders. Vandaag stond het vast in mijn gemoed dat we niet de een of andere fanaticus volgen, zoals de rest van de wereld ons wil laten geloven. We volgen Hem van Wie de Schrift sprak. Het stond vandaag voor mij vast. Ik wil mijn getuigenis geven.

84 " Ik werd geboren en opgevoed ginds bij de Jordaan. Ik kan mij herinneren dat ik vele jaren geleden aan de oever van de Jordaan woonde, dicht bij de doorwaadbare plaats waar Israël overstak met een machtig krijgsman, Jozua. Hij nam de ark van het verbond en de Heilige Geest opende de zee, de... of de Jordaan, en al onze mensen trokken over over droge grond toen we naar dit land kwamen.

85 " Ik kan me herinneren hoe ik in de lente gewend was naar buiten te gaan en kleine bloemen langs de oever van de Jordaan te plukken. En als de middag ver gevorderd was, kan ik mijn moeder me nog horen roepen en zeggen: 'Kom nu naar binnen, Johannes. Je moet naar bed. Je moet een dutje doen. Kleine jongens moeten in de middag een dutje doen.' En dan zat ze buiten op de veranda en wiegde mij in haar armen. En ik kan nog haar lieve gezicht zien terwijl haar grote, mooie, Joodse bruine ogen op mij neerzagen. En ze vertelde mij Bijbelverhalen."

86 En weet u, het is al te erg dat onze moeders vandaag niet lang genoeg buiten de kroeg kunnen blijven en uit plaatsen waar ze niet behoorden te zijn, om hun kinderen opnieuw te wiegen om hun een paar verhalen uit de Bijbel te vertellen. Dat is de kwaal van onze natie vandaag. Zij, bijna elk kind op straat kan u meer vertellen over Davey Crockett dan over Jezus Christus. Zo is het. En wat maakt de zakenwereld daar gebruik van! En, oh! "Voed een kind op in de weg waarin het moet gaan." Het is waar.

87 Nu, hij zei: "En ze was gewoon mij verhalen te vertellen. En een van de voornaamste verhalen waarvan ik het meeste hield was... Trouwens, de kleine jongen die de grote profeet Elia uit de dood opwekte, ik hield zo van dat verhaal en ik vroeg mij af wat voor soort man Elia moet zijn geweest. En dan zei ze tegen mij: 'Weet je, Johannes? Diezelfde grote Elia en Elisa liepen beiden gearmd over die straat op weg naar de rivier. Bedenk eens dat ze dat niet lang geleden deden. Die twee grote profeten liepen naar de rivier, en de rivier opende zich. Ze kwamen vlak langs Jericho voorbij.'

88 " Nu, maar het voornaamste verhaal dat ze mij vertelde, wat mij altijd trof en waarvan ik wilde dat ze mij dat iedere dag vertelde, was hoe God ons volk uit de slavernij in Egypte, waar zij slaven waren, uitleidde en hen in de woestijn bracht en hen daar veertig jaar onderhield en hen voedde uit de hemel. Wel, zij vertelde mij dat elke avond, dat ze op een morgen uittrokken, nadat heel Israël in bed was gestopt en sliep, net zoals zij klaar stond om mij in bed te stoppen. Weet je wat? Ze zei dat Jehova God neerkwam, en de volgende morgen lag er overal brood op de grond. Dat zou de hele dag voor hen zorgen.

89 " En ik zei altijd tegen mama: 'Mama, heeft God een speciale groep van engelen daarboven die 's nachts werken en die een heel stel ovens door heel de hemel heen hebben en dat Hij zou zeggen: "Maak nu haast, deze kinderen hebben honger, en bak al dit brood"? En is er dan een andere groep engelen die het naar beneden brengt en het overal op de grond neerlegt?'

90 " Ze zou me aankijken en zeggen: 'Nee, Johannes, lieveling. Je bent nog maar een kleine jongen. Je begrijpt het niet. Onze grote Jehova is een Schepper. Hij heeft geen speciale engelen nodig om brood te bakken. Hij heeft geen ovens in de hemel nodig. Hij spreekt alleen maar het Woord en het brood valt overal op de grond. Hij is een Schepper.' En ik kon niet begrijpen hoe dat was. Maar het verhaal trof mij altijd op de een of andere manier.

91 " En ik heb onze Here in veel dingen gadegeslagen; in het genezen van de zieken, enzovoort. Maar vandaag, broeders, toen ik Hem die vijf broden en twee vissen zag nemen van die kleine jongen, wiens maaltijd het was en die van school spijbelde. Toen ik Hem die zag nemen en Hij zei: 'Laat de mensen zitten in groepen van vijftig'... Zodra ik mijn vijftig had laten zitten, klom ik op die rots en lette op om te zien wat Hij zou doen. En terwijl Hij dat stuk brood nam en er de helft vanaf brak en het in de schaal legde, tegen de tijd dat Hij Zijn hand weer terug deed, was er nog een half gebroken... gebakken brood.

92 " Nu, er is enig verband tussen Hem en Jehova, omdat Hij dat brood en die vis daar vlak vóór mij schiep. Niemand anders zou dat kunnen dan Jehova. En dat is dezelfde God waar mijn moeder mij over vertelde, Die daarachter in de woestijn brood naar beneden bracht, door schepping, uit de hemel. Wij zagen Hem vandaag met onze eigen ogen, recht vóór ons brood scheppen."

93 Hebt u er ooit over nagedacht wat voor soort atoom Hij heeft moeten loslaten? Waar kwam het meel vandaan? Niet alleen meel, maar het was al gebakken tot een brood en klaar om te eten. Hij had vis. Hij liet de vis eerst groeien. Maar nu breekt Hij de vis in tweeën en er komt nog een vis aangroeien. Maar deze vis die eraan komt is al gekookt en gebakken, en ook volgroeid. Wat deed Hij? O! Hij is God. Het slechts spreken, dat is alles wat Hij moet doen. Hij is... Het is...

94 Nu, de kleine jongen, die kleine lunch die hij had, was niet erg veel in zijn handen, maar toen hij wat hij had in Jezus' handen liet, voedde het duizenden. En misschien wat klein geloof... U zegt: "Wel, ik wenste dat ik groot geloof had." Maar het kleine geloof dat u hebt... U had genoeg geloof om naar de kerk te gaan. En dan, als u zoveel geloof hebt, waarom geeft u het niet over in de handen van Jezus en het zal duizenden voeden als u... Er is niet veel in uw handen. Maar eens in Zijn handen zal het wonderen doen, als u dat geloof in Zijn handen laat.

95 Let op. En Johannes was helemaal opgewonden. Ik hoor Andréas zeggen: "Wacht een ogenblik, zoon! Laat die boot niet zo schudden. Neem je tijd. Word hier niet te opgewonden over, weet je. Tenslotte zijn we hier buiten op deze zee."

96 "Wel, het vervult mijn hart zo met geestdrift," zei hij, "om te zien en te weten dat God Zichzelf hier aan ons geopenbaard heeft, een Man die wij kunnen aanraken. Hij is de..."

97 Geen wonder dat de profeet zei dat Hij Immanuël zou zijn, dat God hier in Hem vertegenwoordigd zou worden. En we zien Hem dezelfde werken doen die de Vader deed. Geen wonder dat Hij die Farizeeërs kon vertellen: "Als Ik... Wie kan Mij overtuigen van zonde? Wie kan Mij beschuldigen? Als Ik niet alles wat de Bijbel zei dat Ik zou doen gedaan heb!"

98 Weet u, zonde is ongeloof. Weet u... Wist u dat liegen geen zonde is? Overspel plegen, dat is geen zonde. Whisky drinken, sigaretten roken, vloeken, de Naam des Heren ijdel gebruiken, dat is geen zonde. Dat zijn de attributen van ongeloof. U doet dat omdat u geen gelovige bent. Er is maar één zonde.

99 Ik zei dat op een avond in een Methodistenkerk. En een oude zuster stond daar, weet u, met haar kraag omhoog, ze zei: "Dominee Branham, wilt u mij alstublieft vertellen wat zonde is?"

     Ik zei: "Ongeloof." Dat is juist.

100 U doet dat omdat u een ongelovige bent. Als u dat doet bent u nog steeds een ongelovige. Zo is het. Er zijn maar twee dingen: òf u bent een gelovige òf u bent een ongelovige. En dan zegt de Bijbel: "Hij die niet gelooft is reeds veroordeeld." Zie? Dus zonde is maar één ding en dat is het attribuut van ongeloof.

101 En Jezus zei: "Wie kan Mij beschuldigen van ongeloof? En als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, geloof Mij dan niet. Maar als Ik de werken doe en u Mij toch niet kunt geloven, geloof dan de werken die Ik doe." Dus ziet u hier dat Hij hetzelfde deed als wat God deed.

102 Nu wil ik u vragen, broeders. Als het leven van Jezus Christus in de gemeente is, dan zou de gemeente zeker hetzelfde moeten doen als Hij, omdat hetzelfde leven erin is.

103 Als hier een perzikboom staat en ik neem al het perzikleven eruit en plaats er appelleven in, wat voor soort vruchten zal hij dragen? Appelen. Dat is het soort leven dat erin is.

104 Wel, als dan het leven dat in Christus was in ons is, zal het de vruchten dragen die Hij droeg. Het moet wel.

105 En in welk een verwarring zijn de mensen vandaag gekomen, die denken dat Christendom één van de zachtste dingen is. Alles wat ze doen is hun naam in een boek plaatsen en iemand hebben die hen besprenkelt of het een of ander, en ze geven de prediker de rechterhand der gemeenschap. En dat is al wat ermee is. Ga daaruit vandaan. Dat is geen Christendom.

106 Christendom is zelfverloochening. "Neem uw kruis dagelijks op. Volg Hem." Sterf aan de dingen van de wereld. Als alle veroordeling weg is, "is er daarom nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn". Hoe komt u in Hem? Door u aan te sluiten? Nee. Door het schudden van handen? Nee. Door een vereniging? Door scholing? "Door één Geest zijn wij allen gedoopt in één lichaam." Door de doop met de Heilige Geest zijn we in Christus. "En er is geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet wandelen naar het vlees maar naar de Geest." Amen. O, dat zou iedereen moeten laten juichen. Amen. Om daarin te zijn is hoe dan ook het goede deel. In orde.

107 Nu ontdekken we hier dat de volgende persoon die opstond om te getuigen Petrus moet zijn geweest. Ik kan hem horen zeggen: "Kan ik als volgende mijn getuigenis geven?"

108 Weet u, als je iets hebt om van te getuigen moet je bijna toestemming vragen, omdat er werkelijk een bezieling is. En deze getuigenissamenkomst was bezield. De oude boot schudde gewoon en deze broeders stampten met hun voeten en hadden daar een geweldige tijd. Ik zou daar graag bij zijn geweest! Zou u daar niet graag bij zijn geweest en hebben geluisterd naar dat getuigenis? De kleine Johannes moest gaan zitten. Hij had toen alles gezegd wat hij maar kon zeggen.

109 Simon stond op. Hij zei: "Weet je, toen Andréas een begin maakte om naar die man te gaan, waarvan het land dacht dat hij – die Johannes – de een of andere soort wildeman was, de kerk dacht dat het een man was die niet helemaal goed bij zijn verstand was. Tenslotte was zijn vader een priester. En hij... Weet je, het is een gewoonte onder onze mensen dat de zoon de vader in hetzelfde opvolgt. Maar weet je, zijn werk was zo belangrijk. In plaats van naar die hele grote school te gaan en daarin gehersenspoeld te worden, was zijn zendingsopdracht te groot. God bracht hem op negenjarige leeftijd naar de woestijn.

110 " En hij vertoonde zichzelf weer toen hij dertig jaar oud was, omdat het zijn zendingsopdracht was de Messias te introduceren. En de Messias zou een teken hebben en hij moest weten wat dat teken was. Als hij daar gekomen was en een injectie van die denominatie in zich gekregen had, wel, iemand, de een of andere grote bisschop of grote hogepriester, zou hebben gezegd: 'Nu, kijk hier, Johannes, wij weten dat je er bent om de Messias te introduceren, zoals door de engel werd verteld. Geloof je niet dat deze broeder Zo daar precies aan beantwoordt?' Hij zou er misschien aan toegegeven hebben. Maar, zie je, hij scheidde zich van alles af, zodat hij kon luisteren en zien wat God erover zei."

111 En ik geloof dat dat vanavond voor ons een goede les is. Dat we onszelf zullen afscheiden van al deze door mensen gemaakte dogma's en geloofsbelijdenissen en dergelijke, en in de Bijbel kijken en zien wat God erover zei. Hij behoort te weten wat juist is. Het is Zijn Woord, Zijn Boek. Dat is de reden waarom ik van het volle Evangelie houd, niet de helft ervan, alles ervan, het volle Evangelie.

112 Nu, en toen zei hij: "Het eerste, weet je, hier kwam Andréas binnen rennen en zei dat deze prediker zei dat hij het Messiaanse teken boven een Man zag. Het was een licht zoals een duif die neerkwam en de prediker zag het. En er waren daar velen, en niemand anders zag het behalve de prediker. Dus kon ik het nauwelijks geloven. Ik hoor zoveel van dat spul, dus vergat ik het gewoon, weet je. En op een avond kwam hij naar me toe en zei: 'Je moet er gewoon eens heengaan en naar Hem luisteren. Hij zal hier morgenochtend aan de oever zijn en je moet er heengaan.'

113 " Wel, ik dacht: 'Arme oude Andréas.' Hij en ik hebben deze boot gedurende een lange tijd getrokken.

114 " En ik herinner mij dat ik op een dag een gesprek had met mijn vader. En hij was een goede, oude Farizeeër. Hij leefde gewoon in die kerk, was er een pilaar in. En zijn grijze haar! Op een avond na het vissen...

115 " We waren arm. We moesten gewoon zo schraal leven als we maar konden. En dikwijls, toen moeder en vader nog leefden, was zij gewoon ons 's morgens allen bij elkaar te roepen voordat we weggingen om onze netten in het water uit te zetten. We hadden schulden en we hadden wat vis nodig. En dan baden we tot Jehova om onze netten die dag te vullen. En wat was papa blij als we een grote vangst van vissen hadden binnengehaald; dan gingen we er mee naar de oever en stapten op de oever uit en gingen zitten en dankten God dat Hij ons de vis voor die dag gegeven had. Hoe we nu onze schulden konden gaan betalen en iets te eten hadden voor de avond en konden uitzien naar de volgende morgen!

116 " En op een avond nadat we klaar waren met de Here te danken, herinner ik mij dat papa op de zijkant van het getouw ging zitten. En hij riep mij en hij zei: 'Simon, weet je, ik heb heel mijn leven verlangd naar de dag dat ik de Messias zou zien. En Hij is ons gedurende vele jaren beloofd. Heel ons volk heeft naar Hem uitgezien. Mozes vertelde ons dat Hij zou komen. Alle profeten hebben over Hem gesproken. Maar, Simon, zoon, we hebben gedurende honderden jaren geen profeet onder ons gehad. En de kerk is in een koude, vormelijke toestand terecht gekomen, maar ik geloof dat de tijd nadert. Als je mijn grijze haar ziet... Ik veronderstel niet dat ik zal leven om het te zien. Ik ben nu oud.'

117 " 'Maar, Simon, voordat de Messias komt, zal Satan eerst heel wat vals spul zenden, en er zullen valse messiassen komen. Maar ik wil dat je altijd bedenkt, Simon, dat je nooit deze Schrift verlaat. In deze Bijbel werd ons volk verteld dat "het Woord van God tot een profeet komt, een profeet alleen". En dan, ten eerste moet die profeet door God bevestigd zijn. Hij moet het Woord meedelen en het Woord moet keer op keer komen te geschieden.'"

118 Zij worden zo geboren. Ze zijn niet zo, dat iemand hun de handen oplegt en hen een profeet maakt. Ze worden zo geboren. Er is een gave van profetie die kan komen, maar een profeet wordt als profeet geboren. Jeremia was er één. Wel, God zei: "Voordat je ooit werd geformeerd in de schoot van je moeder, verordineerde Ik je om een profeet voor de naties te zijn." Van Johannes de Doper, zevenhonderdtwaalf jaar voordat hij werd geboren, zei Jesaja: "Hij is de stem van één die roept in de woestijn." Jezus Christus was de Zoon van God vóór de grondlegging der wereld. Hij was het Zaad van de vrouw dat de kop van de slang moest vermorzelen. Zeker.

119 God is... God plaatst deze dingen. "God heeft in de gemeente gesteld apostelen, profeten, leraars, herders, evangelisten." Al deze dingen heeft God in de gemeente geplaatst. Dan zijn er negen verschillende gaven die in die gemeente opereren. Maar deze zijn bedieningen die in de gemeente werken.

120 "En weet je, hij vertelde mij: 'Zoon, we hebben Mozes en zijn wet gevolgd. Nu, Mozes vertelde ons dat deze Messias, als Hij kwam, een profeet zou zijn.'

121 " Dus dacht ik gewoon dat ik erheen zou gaan en zien Wie deze jonge Persoon was, Die hier al deze emotie teweeg bracht. En, zei ik, mensen worden door Hem genezen. Dus was ik van plan om erheen te gaan. En op een dag toen wij allen de netten uitgespoeld en op de oever uitgelegd hadden, kwam Hij daar om te prediken. En ik had een blok genomen en zat op een stuk drijfhout op de oever. En toen Hij begon te spreken wist ik dat er iets anders met deze Man was, omdat Hij sprak als een Man Die wist waarover Hij sprak.

122 " En toen ik dichtbij Hem kwam, keek Hij mij recht in mijn gezicht en zei: 'Uw naam is Simon en u bent de zoon van Jonas.'" Hij zei: "Dat nam... Dat was genoeg voor mij. Niet alleen bewees Hij de Profeet te zijn, Hij kende mij voordat Hij mij ooit gezien had. Hij kende mij en Hij kende ook die godvruchtige oude vader van mij, die mij verteld had dat dat het teken van de Messias zou zijn. Dat stelde het voor mij vast." O my! Wat werd ook hij helemaal opgewonden!

123 En het moet Filippus zijn geweest die omtrent die tijd opsprong en zei: "Laat mij getuigen. Wacht een ogenblik. Laat mij iets zeggen." Hij zei: "Nu, broeder Nathánaël, bloos niet." Hij zei: "Ik stond daar op die tijd, broeders, en jullie kunnen het je allemaal herinneren. Ik zag dat gedaan worden. En ik wist dat dat het teken van de Messias was. En weet je, het was nog niet zo lang geleden dat Nathánaël en ik dat daar in de Schrift bestudeerd hadden. Ik rende om de berg heen, daar ongeveer vierentwintig kilometer vandaan, en vertelde... vond Filippus [Broeder Branham bedoelt Nathánaël – Vert] onder de boom aan het bidden en ik zei: 'Filippus, kom en zie Wie Wij hebben gevonden, de Messias, Degene waar Mozes van sprak, en Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef.' En, Nathánaël, herinner jij je wat je zei?" "Ja, zeker herinner ik het mij."

124 "Je zei: 'Zou er nu iets goeds uit Názareth kunnen komen?' En ik zei: 'Kom en zie.' En herinner jij je ons gesprek toen wij daar omheen wandelden? En ik vertelde je over Hem, Die Simon dat vertelde, en vertelde je dat Hij misschien zou vertellen wie jij was. En je liep ernaar toe en zei: 'Nu, dat zal ik moeten zien om het te geloven.' En herinner jij je hoe je erheen liep met je handen op je rug? En zodra je in Zijn tegenwoordigheid kwam, weet je wat er gebeurde?"

     "Zeker weet ik dat. Hij zei: 'Kijk daar, een Israëliet in wie geen bedrog is.'"

125 "En ik herinner me hoe dat jou de adem benam. En je zei: 'Rabbi, wanneer kende U mij ooit? En hier ben ik. Ik ben net naar deze samenkomst gebracht. En hoe kende U mij ooit? U hebt mij nog nooit in Uw leven gezien. Hoe zou U ooit weten wie ik ben?' Hij zei: 'Wel, voordat Filippus u riep, toen u onder de boom zat, zag Ik u.' O, ik herinner me nog wat je zei. Je liep naar Hem toe en zei: 'Rabbi, Gij zijt de Zoon van God! Gij zijt de Koning van Israël.'"

126 Het moet Andréas zijn geweest die zei: "Nu is het mijn tijd om te getuigen. Herinneren jullie je die keer dat wij dachten dat we naar Jericho zouden gaan? En we weten hoe daar die dag in Jericho die oude, blinde man aankwam. En was... We konden hem zelfs niet horen schreeuwen. Hij schreeuwde al maar door. En zijn geloof stopte onze Here en hij kreeg zijn gezicht terug.

127 " En herinneren jullie je daarginds in Samaria toen we daar halt hielden en wat voedsel gingen halen? En terwijl wij weg waren... We wilden dat Hij met ons mee zou gaan om iets te eten te halen en Hij wilde gewoon niet gaan. Hij zei: 'Ik heb voedsel om te eten waar jullie niets over weten.' En toen wij allen terugkwamen, zagen wij Hem praten met een slecht bekendstaande vrouw. Ze was getekend. En wij dachten: 'Wat doet onze Meester daar bij die bron door met die slecht bekendstaande vrouw te spreken?' Jullie herinneren het je wel dat wij er omheen slopen achter de struiken en luisterden naar wat ze zeiden. En Hij zei tegen haar: 'Vrouw, geef Mij wat te drinken.' En we waren verbaasd, te bedenken dat onze Meester tot een dergelijke vrouw sprak." Zie?

128 Ze waren nog niet volledig bekeerd. We hebben dat type vandaag nog, dat denkt dat een Christen niet tot de dronkaard of publieke vrouw behoort te spreken. Dat is de persoon tot wie ze behoorden te spreken. Dat is de persoon tot wie ze het moesten doen. Dat is de man die diep gezonken is. Dat is de persoon om er bovenop te helpen. Dat is degene die God nodig heeft.

129 "Dus luisterden we naar Hem en het gesprek ging door. En tenslotte zei Hij tegen haar: 'Ga uw man halen en kom hier.' En ze zei: 'Ik heb helemaal geen man.'"

130 En Andréas zei: "Herinneren jullie je nog hoe wij elkaar aankeken? My, nu had Hij een keer ongelijk! Er is ergens een vergissing, omdat Hij hier zegt: 'Ga uw man halen' en zij zegt terug: 'Ik heb helemaal geen man.' En Hij antwoordt haar: 'U hebt de waarheid gesproken.' En toen waren we allen verbaasd. Wat moesten we nu zeggen? Nu heeft Hij de vrouw verteld dat ze een man heeft en zij draait het om en zegt dat ze geen man heeft. En hier is onze Meester, en hier is dat Messiaanse teken waar wij naar moesten uitzien, en hier heeft het gefaald. En wij keken elkaar verbaasd aan.

131 " En toen zei Hij: 'U hebt de waarheid verteld omdat u vijf mannen hebt, en degene die u nu hebt en waarmee u leeft is uw man niet.' En herinneren jullie het zich hoe die vrouw naar Hem keek en zei: 'Meneer, ik bemerk dat U een profeet bent'?"

132 Nu, de grote wereldraad van kerken van die dag zei, toen zij ernaar keken: "Deze Man is een waarzegger. Deze Man heeft een duivel. Hij is Beëlzebub." Zou u denken dat godsdienstige leiders zich dergelijke voorstellingen zouden kunnen maken in het aangezicht van de tijd dat het verondersteld werd te gebeuren, en overeenkomstig de Schriften? Maar zij deden het. En ze doen het nog steeds. Nu, zij zeiden: "O, het is een boze geest op de Man. Dat doet Hij. Hij is Beëlzebub. Dat is het."

133 Maar deze slecht bekendstaande vrouw zei: "Meneer, ik bemerk dat U een profeet bent."

134 Hoe zou zij weten dat Hij een profeet was? Omdat Hij haar iets vertelde van haar leven, daarom zei ze: "U bent een profeet."

135 En ze zei: "Nu, wij weten, wij Samaritanen, wij weten dat als de Messias komt, Hij deze dingen moet doen. Hij vertelt ons alle dingen."

     En Jezus keek haar in haar gelaat en zei: "Ik ben het."

136 En dat stelde het vast. Er was geen twijfel meer. Het teken was gegeven. Zij had het ontvangen. Zij wist het. Ze zette haar waterkruik neer en ging de stad in.

137 Nu, volgens de traditie... en ieder die gereisd heeft weet dit. Zij werd niet verondersteld dat te doen. Dat is niet ethisch voor een vrouw van dergelijke faam, dat type vrouw, om iets tegen een man op straat te zeggen. Beslist niet.

138 Maar wat? Zij had iets gevonden. Zij was als een huis dat in brand staat op een winderige dag. Je zou haar niet kunnen uitblussen. Ze had iets echts gevonden. Ze rende door de straten, zeggende: "Kom, zie een Man Die mij de dingen verteld heeft die ik gedaan heb. Is dit niet de Messias Zelf?" Amen. God geve ons meer van dergelijke bekeerlingen. "U weet dat wij naar een Messias uitzien", zei ze. "We zien naar Hem uit. En daar zit nu een Man bij de bron, Die mij de dingen vertelde die ik gedaan heb. Is dat niet het Messiaanse teken waar wij naar uit zouden moeten zien?"

139 En ze brachten Hem in de stad. Hij deed het daarna geen enkele keer meer. Maar de Bijbel zei dat de mensen van de stad in Hem geloofden vanwege het getuigenis van de vrouw. Amen. Hoe God dingen kan doen! Zij geloofden het. En deze Man was nooit tevoren in die stad geweest, en stond daar en vertelde die vrouw dat ze vijf mannen had. En het was de waarheid. En het was het uur en de tijd, en zij geloofden het.

140 Waarom kunnen wij het niet geloven? Waarom kan Tucson het niet geloven? Waarom kan de kerkwereld het niet geloven? Waarom kan Amerika het niet geloven? Waarom kan de wereld het niet geloven? Hier is de Schrift die zegt dat het hier op deze tijd verondersteld wordt te zijn, en hier is het bij ons.

141 Weet u, ik ben bang dat de gemeente haar ziel door teveel liefdesromannetjes heeft getrokken in plaats van door Gods Woord. Dat is er aan de hand. Ze kunnen u meer vertellen over wie de volgende opkomende filmster is, dan over de werken van de Heilige Geest. Zo is het. Als we meer tijd besteden door op dinsdagavond en woensdagavond naar de gebedssamenkomst te gaan, in plaats van thuis te blijven en naar de televisie te kijken naar "Wie houdt van Suzie" of iets dergelijks, en wegblijven uit de gemeente, dan zouden we meer over onze Bijbel weten en weten wat we in deze dag verondersteld worden te hebben. Juist. Dat is juist. Maar ziet u, we zijn weggegaan. God heeft ons gemeenten gegeven en fijne herders en met de Geest vervulde mensen. En wij... gewoon... We zijn zo dik in onze zielen en gevoed en vetgemest, dat we er gewoon geen zorg meer voor hebben. O my! We hebben een schudding nodig. We hebben nodig dat er iets met ons gebeurt. Wel, misschien gaan we ons schamen.

142 Nu, ik kwam wat laat bij deze Pinkstermensen. Ik ben een ontijdig geborene. Maar ik herinner mij de geschiedenis ervan, de 'Azusa Street', gelezen te hebben. En ik herinner mij dat toen zij deze grote samenkomsten hadden, zij de hele avond baden. En uw vaders, de oudgedienden in het werk, zij baden dan de hele avond. En ze zouden dagen vasten, en op God wachten totdat God antwoordde. Vandaag kunnen we geen vijf minuten bij het altaar blijven. Er is iets verkeerd. Wat is er aan de hand?

143 Ik was gewoon om met een oude rondtrekkende Methodistenprediker mee te gaan. Hij zong een klein lied voor mij.

We haalden de barrières neer,
We haalden de barrières neer.
We sloten een compromis met de zonde,
We haalden de barrières neer.
De schapen gingen eruit,
Maar hoe kwamen de geiten erin?

144 We haalden de barrières neer. Dat gebeurde er. We sloten een compromis. En we zijn weggegaan van de oude 'Azusa Street' samenkomst, de ouderwetse Pinkstergodsdienst uit de binnenlanden, een hemelsblauwe, rechtuit als een geweerloop, zonde dodende godsdienst. Broeder, zij wasten niets wit. Het waste wit. Het deed iets aan de mensen. En vandaag, als we daarvan weglopen, worden we slap. We worden als de rest van de wereld. Het is te erg.

145 En vandaag willen de meeste mensen geen man die zal staan en de waarheid erover vertelt. Ze willen de een of andere kleine Ricky met een Hollywood haarstijl en helemaal geparfumeerd, die hier naartoe loopt en over wat theologie praat die hij op de een of andere begraafplaats of... of seminarie leerde. Excuseer mij. Het is allemaal dezelfde plaats, het tehuis van lijken; wij vinden dat dus overal. Zij willen zoiets dergelijks. Zij willen het ouderwetse Evangelie niet meer, dat hun wordt aangereikt in de kracht en demonstratie van de Heilige Geest. Er is iets verkeerd.

146 We hebben een getuigenissamenkomst nodig, dat er iets groots zal gebeuren. We hebben een gebedssamenkomst nodig. We hebben een diep graven, een uitroeien met wortel en tak nodig. Dat is waar. We hebben nodig om Christus weer in ons midden terug te hebben, de Bijbel te kennen. We drijven gewoon steeds verder en verder af. We hebben nodig om terug te komen tot het oorspronkelijke fundament, terug te komen tot de plaats, tot de rots waaruit wij gehouwen werden, en weer opnieuw te beginnen.

147 Nu, deze kleine oude vrouw, zij wist waar zij stond. Er was niets dat haar kon stoppen. Ja zeker. Zij had het getuigenis. Zij had het gezien en ze had ernaar uitgezien. En zij kende de Schrift en ze wist dat dat het was. En zodra het gebeurde, over haar pad flitste, vlogen haar ogen open en zij wist het. Niets zou haar stoppen. Of het nu tradities waren of iets, niets kon haar stoppen. Dat is juist. Ze zou het hoe dan ook zeggen.

148 O my, zulke mensen! Geef ons een half dozijn van zulke die in brand staan, ik vertel u dat Tucson binnen een paar dagen een andere plaats zou zijn. Ieder van u wil dat in uw samenkomst, is het niet? Zou u het niet willen? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Ja zeker. O my! Zeker, dat is wat wij willen, iemand die in brand staat. We zijn ons er een beetje voor gaan schamen. We zijn tot een plaats gekomen dat we zijn weggaan van het ouderwetse Geestvervulde leven dat ons werkelijk rein hield.

149 Nu, Andréas begon te getuigen. Het eerste was, weet u, dat de boot weer begon te schommelen. Maar ze kwamen deze keer tot de ontdekking, weet u, dat de zon was ondergegaan.

150 Weet u, als de zon ondergaat, is het de tijd dat het boze begint. Op de een of andere manier... Ik las een artikel, ik geloof dat het niet lang geleden in het tijdschrift 'Life' of zo, stond. En een bepaalde filmster maakte de volgende opmerking: "De nacht werd gemaakt om in te leven. Het leven begint als de zon ondergaat." De dóód begint als de zon ondergaat! Dat is wanneer de duivels rondsluipen. Let op de hagedissen, slangen, schorpioenen, kakkerlakken en al het andere. Zij komen alleen in het donker. Het is in de duisternis.

151 U bent niet van de duisternis. U bent van het licht. "Wandel in het licht."

152 Het doet mij eraan denken dat als je een oud klokhuis van een appel neemt en het op de vloer legt, niets zich op de dag daar druk over zal maken. Laat het echter avond worden en dan zullen de kakkerlakken, alles rond die plaats, er naartoe kruipen. En als je dan wilt zien hoe ze zich verspreiden, steek dan alleen maar het licht aan. Ze zullen er zeker vandoor gaan.

153 Dat doet me denken zoals aan het prediken van het Evangelie. Steek slechts het licht aan. Het zal niet lang duren of het kwaad gaat er vandoor. De gemeente heeft een goede opwekking nodig, een echt goede, door God gezonden, Heilige Geest opwekking.

154 Toen ik een kleine jongen was, waren mijn broer en ik – degene die dood is – op een dag bij de kreek die achter de plaats loopt en we zagen een oude schildpad. Ik weet niet of u weet wat een schildpad, een landschildpad, is. Ze hebben een schild, weet je. Het is schild aan de buitenkant en schildpad aan de binnenkant. En we letten op zijn lopen, en hoe grappig hij liep. En als we bij hem kwamen, deed hij "shh", en trok zich op in zijn...

155 Net als heel wat zogenaamde gelovigen als je hun vertelt over de doop van de Heilige Geest of zoiets. "O, die dagen zijn voorbij, shh, niet zoiets als dat."

156 Een knaap zei onlangs tegen mij: "Het maakt mij niet uit wat u naar voren brengt." Hij zei: "Het maakt mij niet uit van hoeveel dode mensen u kunt bewijzen dat ze werden opgewekt, hoeveel ook, ik geloof er niet in."

157 En ik zei: "Zeker niet. Het was niet voor ongelovigen. Het was alleen voor gelovigen. U bent een ongelovige." Zie?

158 Nu, we wilden hem zien lopen, omdat we dachten dat het er grappig uit zou zien hoe hij zijn poten neer zette. Dus zei ik: "Ga weg! Schiet op!" Hij bleef gewoon in zijn schild. "Wel," zei ik, "ik zal hem wel krijgen, broer." En ik ging heen en maakte een roe. En ik bestookte hem er werkelijk mee. Je kunt het niet uit ze slaan. Hij lag daar gewoon.

159 En ik zei: "Wel, ik vertel je wat ik zal doen. Ik zal hem laten lopen." En ik bracht hem naar de kreek. Ik zei: "Ik zal... Hij zal òf lopen òf ik zal hem verdrinken." Dus zette ik hem in het water en hield hem vast met mijn handen. Er kwamen slechts een paar luchtbellen omhoog en hij bleef in zijn schild.

160 Waterdoop doet het niet, broeder. Je kunt ze dopen op elke wijze die je maar wilt. Dat doet het niet. Nee, nee. Zo is het. Je mag een paar luchtbellen krijgen, maar dat is ongeveer alles.

161 Toen zag ik een stuk papier in een hoek liggen. Ik maakte een vuurtje en zette hem daarop. Broeder, toen bewoog hij.

162 Dat is wat de gemeente vanavond nodig heeft, ze heeft de Heilige Geest en vuur nodig om een gemeente te krijgen die voor het Koninkrijk van God beweegt. Ze zal dan lopen. Een opwekking, Christus aannemen, het Woord! Geloof het, laat het neerzinken onder de vijfde rib aan uw linkerkant, tot het ankert in de bodem van uw hart. Dan zullen stromen van blijdschap opwellen, en onuitsprekelijke vreugde vol van heerlijkheid. En de Heilige Geest zal u doen zingen: "Vul mijn weg elke dag met liefde, als ik wandel met de hemelse Duif." Het zal iets aan u doen. Het zal er energie in plaatsen, wat wij nodig hebben. Het zal iets voor u doen.

163 Omtrent de tijd dat de zon onderging, begon voor deze broeders de duisternis in te zetten. Satan moet uit zijn folterende putten zijn opgekomen en hij keek over de heuvel. "Ha!" Hij had zich die dag rustig moeten houden omdat er grote dingen hadden plaats gevonden. Dus hij... Het werd donker en hij keek over de heuvel. En de discipelen waren weggegaan zonder Jezus. Dat was precies wat hij wilde. Hij overviel hen zonder Jezus.

164 En dat is precies waar hij u wil vangen. "Geloof toch niet dat het knippen van uw haar verkeerd is, vrouwen." Kom gewoon terug naar de Bijbel en ontdek of het juist is of niet. "Denk toch niet dat deze dingen verkeerd zijn." Hij neemt u weg van Jezus. Dat is alles. Leef een goed, godvruchtig leven, en let op wat er plaats vindt. Sommige mensen zeggen...

165 Onlangs zei een vrouw tegen mij: "Broeder Branham, ik wil u iets vertellen. U sprak over onze jurken, de wijze waarop wij ze dragen, zo strak dat de huid aan de buitenkant zit."

     En ik zei: "Wel, ik wil u iets vertellen."

     Ze zei: "Dat is de enige soort jurk die ze nu maken."

166 Ik zei: "Dat is geen excuus. Ze hebben nog steeds stof en ze hebben naaimachines. U kunt er geen... Er is helemaal geen excuus voor. Beslist niet." Ik zei: "Ga zo door en op zekere dag zult u zich moeten verantwoorden voor het plegen van overspel."

167 Het maakt me niet uit hoe rein u bent, hoe zuiver u bent voor uw man, uw vriend. U kleedt uzelf helemaal sexy en loopt zo over straat; de een of andere zondaar kijkt naar u op de verkeerde manier en op de dag van het oordeel zal hij zich ervoor moeten verantwoorden. En wie deed het? U. Jezus zei: "Wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds overspel met haar begaan." En u bood uzelf op die wijze aan.

168 God, zend ons een opwekking voordat we omkomen. Zo is het. We hebben een ouderwetse, door God gezonden, zielopwekkende herleving nodig, ja; om Christus onder ons terug te vinden, Christus te vinden bij de ouderwetse altaren en samenkomsten die we jaren geleden plachten te hebben.

169 Nu, Satan zei: "Ze zijn weggegaan zonder Hem en ik heb ze erbij vandaan. Ik denk..."

170 Gelooft u ook niet, broeder? We weten dat hier allemaal verschillende denominaties zijn en ik hoor bij allemaal. Maar denk niet dat deze tijd van voorspoed... We hebben nieuwe gebouwen gebouwd. We hebben alles nieuw gekocht en heel de samenkomst heeft overvloed aan geld, en kleedt zich beter. Ik denk dat we met zoiets als een slecht humeur zijn vertrokken en Christus ergens hebben verlaten. Zie?

     En nu ziet Hij ons hier zo zitten.

171 De opwekking is voorbij. En wij hier, wel, niet lang geleden brandde de opwekking, en nu lijkt het of het tamelijk moeilijk is om de kerk gevuld te krijgen. De herders vertellen mij dat het heden ten dage moeilijk is. En de mensen willen niet naar de gemeente gaan. Ze blijven liever thuis en kijken naar de televisie of zoiets. De liefde is uit hun hart weggegaan.

172 En Satan heeft ons zien weggaan in deze driftige bui zonder Jezus, en hij denkt dat dat zijn gelegenheid is.

173 Zei: "Nu zal ik hen laten zinken. Als ik hen heb weg gekregen zal ik hen doen zinken. Dat is gewoon de zaak die ik zal doen. Ik heb hen nu te pakken zonder Christus. Zij lieten Hem achter."

174 En kijk, ze waren zo bezig en hadden zoveel te doen, en zwaaiden naar de mensen, ze hadden zoveel sociale verhoudingen en alles, dat ze vergaten Hem mee te nemen.

175 Ik geloof dat dat is wat wij hebben, zoveel van onze programma's, dat we Jezus erbuiten hebben gelaten. De dingen waar onze vader en moeder zo hard voor vochten, getuigden langs de spoorlijnen, en ze aten maïs en tarwe en wat ze maar konden krijgen om dit Evangelie te prediken, en vandaag bazelen we maar wat. Zie? Dat is niet goed. We moeten in brand staan.

176 En Satan ziet dit en hij is precies als destijds. Hij zei: "Ik zal hen vanavond daarbuiten laten zinken, omdat Jezus bij hen weg is." Nu, de winden beginnen te blazen. Er begon moeite op te komen. En het scheen of niemand het antwoord had.

177 Nu, we hebben waterstofbommen en astronauten en al het andere, maar het schijnt of niemand het antwoord heeft. Ze hebben allerlei soorten conferenties en samenkomsten om te proberen uit te denken of ze niet iemand naar de maan kunnen zenden. Ik maak me geen zorgen om naar de maan te gaan. Ik wil voorbij de maan gaan als ik omhoog begin te gaan.

178 En ze hebben hier geschreeuwd, Rusland deed dat niet lang geleden, over het hebben van een man in de ruimte, dat zij de eerste man in de ruimte hadden. O, hoe ver zijn zij achter! Wij hebben er Eén in de ruimte gehad gedurende tweeduizend jaar. My! Glorie! We zullen een dezer dagen met Hem omhoog gaan. Zeker!

179 Maar ziet u, het is als een genadeloze concurrentiestrijd. En hier zijn ze bezig door te gaan, en toen begon Satan zijn oude vergiftige adem op hen te blazen. "De dagen van wonderen zijn voorbij. Er is niet zoiets als Goddelijke genezing. Waar is nu uw Meester? Hier is iemand in uw samenkomst die ziek is en het ziet ernaar uit dat u niets voor hem kunt doen." Kijk, gewoon het afvuren van raketten. "Weet u wat? Ze hadden onlangs een samenkomst en we begrijpen dat ze nu in onze notulen of in onze kerk ertoe over zullen gaan Goddelijke genezing eruit te halen." Heel wat kerken doen dat, geloven het niet meer. Veel herders geloven het niet.

180 Hoe gelukkig bent u mensen, die Pinksterpredikers hebben die willen staan voor de zaak waar Christus voor stond.

181 Een van onze grote Pinksterdenominaties beweerde onlangs dat, voordat ze hun zendelingen uitzenden, zij naar een psychiater moeten om te zien of hun IQ nog hoog genoeg is. O, als dat geen Pinksteren is!

182 Ik vraag mij af hoeveel scholing Petrus zou hebben gehad, als ze hem daar hadden getest? Dat werd niet... Dat werd zelfs niet in ogenschouw genomen. Het was niet hoeveel IQ ze hadden, het was hoeveel kracht van de Heilige Geest zij hadden, om de kracht te demonstreren, wat voor soort leven ze leefden. Zeker.

     Nu, we ontdekken dat de vergiftige winden begonnen te blazen. Het deed het kleine schip ergens in terecht komen.

183 En bedenk nu, dat ik alles waardeer wat God voor ons doet. Ik waardeer dat we nieuwe auto's hebben. Ik waardeer dat we vanuit lompen in goede kleding zijn gekomen. Ik waardeer dat. Maar, ziet u, als we beginnen die dingen... We hebben heel grote kerken.

184 Eens was het zo, dat uw vaders, onze vaders, onze voorvaders, hier buiten op straat stonden en de rest van de nacht in de gevangenis lagen voor het houden van een getuigenissamenkomst. Ze hadden daar een oud pakhuis, door ongedierte bijna ondermijnd, een door ratten geteisterd hol. Ze lieten het hun voor twee dollar per week hebben. Dan moest hij daarheen gaan, beginnen, en dan zou de sheriff [het hoofd van de politie – Vert] de hele groep arresteren voordat de avond voorbij was. Dat is de wijze hoe ze er voor moesten strijden.

185 En nu hebben we de grootste kerken in de stad, de best geklede menigten en iedereen komt. Maar waar is die ouderwetse, door God gezonden kracht van de Heilige Geest die ze daar in het verleden hadden? Er is ergens iets verkeerd. Ergens is er iets verkeerd. Wij leven te... We zijn te week.

186 De mens wordt week. Ze worden bastaarden. Zo is het. Neemt u vijftig jaar geleden het honkbalspel, u hoorde nooit van een ongeval. Nu doden zij er een dozijn per jaar. Raak er één, hij is net als een cavia, als je hem een klap geeft, is hij dood.

187 Kijk naar Bob Fitzsimmons en Corbett, John L. Sullivan, en die mannen die op een middag ruim honderdvijfentwintig ronden vochten. En een ronde was niet twee of drie minuten, het was een knock-out. Sloegen elkaar vijfentwintig keer op een middag neer, steeds maar door. Ze hadden geen bokshandschoenen aan zoals de boksers het vandaag hebben. Ze hadden blote vuisten. Ze konden een stoot van vier inch maken en een stomp van twee-bij-vier met hun handen. Ze konden het doorstaan. Ze waren mannen.

188 En nu deze kleine, zogenaamde, door vitamines gevoede rickies, ze hebben bokshandschoenen aan. En ze zullen het hele boksen moeten stoppen. Het is te week geworden. De mens is week geworden. Er is niets meer in hem. Hij is een ding dat er reusachtig groot uitziet, maar wat is het? Eén hoop blubber. Gewoon precies wat de Bijbel zegt: "Ze worden weker maar wijzer." Het is waar. Bastaard!

189 Als er iets is dat ik veracht is het een bastaard. Ik zag een stuk in 'Reader's Digest'. Als zij doorgaan met de vrouwen zo te voeden met bastaardvoedsel, dan zal in twintig jaar vanaf nu de hele generatie van mensen zijn uitgestorven. De vrouwen krijgen brede schouders en smalle heupen. Ze kunnen hun baby's niet meer krijgen, enzovoort. Bastaard!

190 Over bastaardmaïs gesproken. Er zit niets in. Wat is het? Een prachtig grote maïskorrel, maar er zit niets in. Neem dat bastaardmaïs, plant het opnieuw, je krijg niets. Het is waardeloos geworden door het met iets te kruisen.

191 En dat is precies wat de gemeente is geworden, een troep bastaarden. Het is de waarheid. Ze hebben de doop van de Heilige Geest gekruist met kerklidmaatschap, en ze kregen een troep weekhartige, zogenaamd belijdende Christenen, die niets meer over God weten dan een konijn over sneeuwschoenen. U weet dat dat de waarheid is. Wat we vandaag nodig hebben is een door God gezonden teruggaan naar de wedergeboren ervaring van de Bijbel. Bastaard! Ze zeggen dat het er beter uitziet. Dat is wat ze hebben gekregen. We hebben grotere gebouwen, beter geklede menigten. Maar wat hebben we gekregen? We hebben een grotere maïskorrel, maar er zit geen leven in. We hebben een grotere kerk en een beter geschoolde klasse mensen, maar waar bevindt zich het leven? Ze kunnen zichzelf niet meer voortplanten.

192 Zoals een muilezel. Ik heb altijd medelijden gehad met een muilezel. Een muilezel kent zelfs niet... Hij heeft geen stamboom. Zijn mama was een merrie en zijn papa was een ezel. Hij kan zelfs geen kinderen krijgen. Ze kunnen zich niet meer voortplanten. U kunt hem niet terug telen.

193 Dat slaat de wetenschap van de evolutie neer, die zei dat we van een aap afstammen. Hoe zouden we het kunnen? Als u hem één keer kruist kan hij niet terug geteeld worden. Dat slaat hun argument knock-out. Dat is juist. Het gaat niet.

194 Let op. En deze oude muilezel weet niets. Echt niet. Hij weet niets. En alles wat hij weet is dat hij gewoon een muilezel is. Hij kijkt altijd... Hij staat daar met zijn grote oude oren omhoog gestoken, weet je. En als je met hem gaat praten, kun je hem niets leren. Je kunt hem geen enkel ding leren. Hij kijkt gewoon naar je en begint te balken: "Honk! Honk!" Dat is alles wat hij doet.

195 Doet me denken aan een stel mensen die daar zitten als enigen van deze muilezels, met zo'n bastaardgodsdienst: "De dagen van wonderen zijn voorbij. Honk! Honk! Honk!" Wat weet hij ervan? Dat is waar. Hij weet het niet. Hij weet niet wie zijn papa was. Het enige wat hij weet is dat ze tot de een of andere denominatie behoren.

196 Maar ik houd van een echt, volbloed, rasecht paard. Het weet wie zijn papa was, wie zijn mama was, wie zijn overgrootvader, overgrootmoeder was. Hij weet wie zij waren, omdat hij een stamboek heeft.

197 En ik houd van een echte stamboek Christen. Hij weet waar hij vandaan komt vanwege de oorspronkelijke doop van de Heilige Geest op de dag van Pinksteren. Glorie voor God! Hij is rasecht en verzegeld door het Koninkrijk van God.

198 Zeg, is Jezus Christus Dezelfde gisteren, vandaag en voor immer? De oude muilezel zal balken: "O, in zekere zin, in een bepaalde zin."

199 Maar een rasechte zal zeggen: "Amen." ...?... Gelooft u in Goddelijke genezing? "Amen." Een echte ervaring van God zal aan elke belofte van God kracht bijzetten met een "amen". Glorie!

200 Ik bedoelde dat niet te doen. Laten we de draad weer oppakken. Waar was ik gebleven? In een getuigenissamenkomst. Let op. Ik zal dat aan uw herders overlaten. Goed.

201 Let op, er begint een grote storm op te steken. Er begint twijfel binnen te komen. Er begint verwarring binnen te komen. Dat gebeurde er, zie, opnieuw verbastering. Weet u wat? Een oorspronkelijke plant hoef je niet te besproeien. Beslist niet. De luizen komen er zelfs niet op. Het is die kasplant die je besproeien moet.

202 Dat is er aan de hand. U moet de zogenaamde Christenen besproeien en liefkozen als een baby en vertroetelend omgaan met zogenaamde Christenen. Vertel ze eens dat ze dit niet kunnen doen. "O goed, ik zal u even vertellen dat ik een recht heb." Daar hebt u het. Zie? Dat is een kasplant. Zij kunnen al om mee te beginnen niets doorstaan, ziet u. Wat u nodig hebt is een oorspronkelijk uitgraven en afbreken. Zoals ik gisteravond zei, het nest schoon maken en weer opnieuw beginnen. Zo is het. U kunt diakenen uit hen maken en al het andere, maar het zal nooit goed doen. Hen op de rug kloppen en hem broeder noemen, maar tenzij zij uit de Geest van God wederom geboren zijn, zijn ze alleen maar een nest vol rotte eieren. Dat is alles. Ze zullen nooit uitkomen. We hebben de doop van de Heilige Geest nodig. Ik bedoel niet de een of andere droge handschudding.

     Bijvoorbeeld: "Hebt u, ontving u de Heilige Geest?"

203 "Ja, toen ik de herder de hand schudde, toen ik Jezus als mijn Redder aannam." Broeder, dat is geen Bijbelse leer.

204 Paulus vond een groep goede rasechte Baptisten daarginds en hij zei: "Hebben jullie de Heilige Geest ontvangen sinds jullie geloofden?" Niet toen jullie geloofden. Maar: "Nadat jullie geloofden, hebben jullie toen de Heilige Geest ontvangen?" Het is een persoonlijke ervaring die komt. En als die grote onveranderlijke God Zijn boodschap neerzendt, verandert Hij nooit. Amen.

205 Nu, we ontdekken dat er moeite is. Wat is er aan de hand? Er heeft iets plaats gevonden. Het schip schudt. De wind blaast. Satan beukt op het schip, vlaag na vlaag, golf na golf. En alle hoop is vergaan om nog eens een opwekking te hebben.

206 De getuigenissen houden op. Ze willen liever thuis blijven en televisie kijken. Zie? Geen woensdagavond getuigenisdiensten en dergelijke meer, geen gebedssamenkomst meer. Zie?

207 De roeispanen braken. De mast viel en de helmstok. Alles is helemaal weg. Alle winden hebben alle zeilen omlaag gehaald.

208 En de zorgen van deze wereld zullen spoedig ook alle getuigenissen uit u slaan. U voelt u beschaamd om op te staan. Waarom? U weet het. U weet hoe u leeft. U weet dat u niet op dat niveau leeft. Dan vertel ik u dat we een opwekking nodig hebben.

209 Daar waren zij, net zoals wij vandaag. Maar weet u wat? Hij had hen niet echt verlaten. Weet u, de Bijbel zei dat Hij een van de hoogste heuvels die er in het land waren, was opgeklommen, zodat Hij hen kon gadeslaan. En dat is wat Hij deed toen Hij ons op Golgotha verliet. Hij... Hij... Hij... Toen zij Hem kruisigden, verliet Hij ons nooit. Hij beklom niet de hoogste heuvel, maar Hij beklom Golgotha en bleef maar klimmen voorbij de maan en sterren, regelrecht de hemel der hemelen in. Hoe hoger u gaat, hoe verder u kunt zien. En Hij ging zo hoog dat "Hij op de hemel neer moest zien", zei de Bijbel. Ja. "Hij voer op in de hemel der hemelen, steeg op in de hoogte."

210 Zijn oog is op het musje en ik weet dat Hij ons vanavond gadeslaat. Dat is waar. Hij ziet neer op deze samenkomst. Hij ziet onze moeite. Hij kent onze verwarringen. Hij weet hoe ziek u bent. Hij weet waar u doorheen bent gegaan. Hij weet wat u probeert te doen. Zie? Zijn oog waakt over u.

211 En Hij stond boven op die berg op te letten, wakend. Hij zag hun moeite. Hij zag dat de roeispanen gebroken waren. Hij zag dat de samenkomst was weggaan. Hij zag alles gebeuren. Hij zag hoe Satan om hen heen begon te blazen, hen in de rondte draaide, elke kant op, zodat ze nauwelijks wisten wat ze moesten doen. En wat gebeurde er toen? Toen alle hoop vervlogen was, dat ze ooit nog zouden kunnen worden gered, wat gebeurde er? Toen zagen zij Hem aan komen lopen op het water. Hij kwam naar hen toe lopen.

212 Nu, als Hij met hen in het schip was geweest en eruit was gelopen, hadden ze het kunnen accepteren. Maar ziet u, Hij was weg van hen en moest op het water naar hen toe komen lopen. En de Bijbel zei dat "zij bevreesd waren. Ze waren verschrikt." Ze zeiden: "Het is een geest." En het enige dat hen zou kunnen redden, daar waren ze bang voor, omdat het er spookachtig uitzag. Ze waren er bang voor.

213 Als dat niet het beeld van vandaag is, heb ik het nooit verteld. Het enige dat de mensen kan redden, daar zijn ze bang voor: Jezus Christus. In dit tragische uur waarin we ons bevinden, waarin de kerk zo ongeveer gereed is om in de federatie van kerken te gaan en naar de Wereldraad van Kerken en al deze dingen; en al onze denominaties komen en zijn opgedroogd. En u weet het. Wij allen weten dat.

214 Onze Baptisten en onze Pinkstermensen gaan dezelfde weg. We hebben onze broeders lief, en overal, waar ze ook maar zijn. Maar nooit was er een denominatie die een kerkgenootschap werd en viel, die ooit weer opstond. Nu, onderzoek de geschiedenis maar. Als ze dat doen is het afgelopen. En onze Pinksterdenominaties! Nu, het systeem, niet de broeders, maar het is het denominatiesysteem. Het wordt warm. Het wordt gewoon... het wordt lauw, en het begint ijskoud te worden. Zie, het is bezig weg te gaan. En de mensen worden koud en vormelijk en hebben een hang naar de dingen van de wereld. En we hebben alles heel fijn, weet u, en gewoon alles naar onze hand gezet.

215 God vertelde Israël: "Toen jullie niets hadden, vond Ik jullie bebloed in het veld en waste jullie af." Hij waardeerde God. "Maar toen jullie groot werden en overvloed begonnen te krijgen, toen vergaten zij God."

216 En dat is precies de wijze hoe het begint te worden. Zie? En nu, zie, als het erop lijkt dat alle dingen, dat onze... We zijn begonnen om ons heen te kijken: "Hoeveel meer leden kunnen we krijgen? Hoeveel meer in de samenkomst? Kunnen we een iets grotere kerk dan die andere broeder aan de andere kant van de stad krijgen? Hoeveel meer kunnen we de zondagsschool in halen? En geef hun een gouden speld voor het doen van zekere dingen, als ze er zoveel naar de zondagsschool brengen." De Baptisten hadden daar in 1944 een klein gezegde: "Een miljoen meer in 1944", een slagzin. Wat hebt u gekregen toen u daar binnen kwam?

217 Ik zat niet lang geleden bij Billy Graham, hij deed zijn... stond daar op en hield de Bijbel omhoog. Hij zei: "Dit is Gods voorbeeld." Ik was op zijn ontbijt. Hij zei: "Ik... Paulus nam dit Woord van God en ging een stad in en predikte en had één bekeerling. Hij ging een jaar later terug en hij had er een derde... dertig van die ene. Die ene bekeerling won er dertig." En hij zei: "Hij had toen dertig kleinkinderen, zie, van dat ene kind." Hij zei: "Ik ga een stad in en ik zal dertigduizend belijdenissen hebben. En ik kom binnen een jaar terug en ik kan er geen dertig vinden." En hij zei: "Nu, wat is er aan de hand?"

218 Ik waardeer die evangelist. Ik geloof dat God hem gebruikt daarbuiten, waar hij zich bevindt. Er moet iemand naar Sodom gaan, weet u. Ze kunnen niet allen bij Abraham en zijn groep blijven, degenen die eruit getrokken zijn, uitverkorenen. Maar er was Eén Die daar bleef, een zeker teken toonde en hen gereed maakte om weg te gaan. Merk op.

219 En Billy zei: "Weet je wat er aan de hand is?" Hij draaide er nooit omheen. Hij zei: "Jullie luie predikers zijn het." Hij zei: "Ik heb u deze beslissingskaarten gegeven en u gaat daar zitten met uw voeten op de lessenaar en bekommert u zelfs niet om hen, om hun misschien een brief schrijven en hun te vertellen dat u hen graag als lid van uw gemeente zou willen hebben. U behoorde erop uit te trekken en hen over te halen om hen in de gemeente te krijgen."

220 Wel, ik zat daar en sloeg het een poosje gade, weet u. Ik dacht: "Dat klinkt erg goed." Ik dacht: "O, broeder Graham, ik zou u nu graag een vraag willen stellen. Maar ik ben gewoon een beetje dom, weet je, en u bent een groot man. Daarom zal ik het niet doen. Maar ik zou willen zeggen: 'Broeder Graham...'" Hier is wat ik hem had kunnen vragen.

221 Nu bedenk, geen blaam op hem, omdat ik hem liefheb. En hij is een groot man. Ik bid steeds voor hem, en dat moeten we doen.

222 En nu, ik had dit willen zeggen: "Broeder Graham, wie... wat deed deze persoon met deze ene bekeerling, die Paulus won, welke prediker was er die naar hem toeging? Want hij had geen herder die bij hem kon blijven." Zie?

223 Wat was er aan de hand? Paulus stopte niet slechts bij de belijdenis. Hij bleef bij hem tot hij de doop met de Heilige Geest ontving. Hij stond in brand en hij zou graag de hele stad in brand hebben gezet. Dat is er aan de hand.

224 Dat is er vandaag aan de hand. We brengen hen binnen op een belijdenis, in plaats van hen verder te brengen om Christus te ontvangen, totdat ze uit de Geest van God geboren zijn. Dat hebben we vandaag nodig, die samenkomsten die de hele nacht duren. Niet slechts blijven... Ik geloof in al deze dingen die we doen. Ik geloof in juichen. Ik geloof in spreken in tongen. Ik geloof in uitlegging van tongen. Ik geloof in Goddelijke genezing. Ik geloof in al die dingen. Maar toch is er iets beters dan dat. Het is de geboorte zelf. Het is de Heilige Geest Zelf Die in ons komt. Deze dingen zijn fijn, maar u... Dat is goed. Maar het is als de gekleurde man die watermeloen at: "Er is meer van." Je moet doorgaan totdat liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, geduld, de opstandingskracht van Jezus Christus in ons leven brandt, dan konden we een getuigenissamenkomst hebben over wat God in ons midden doet. Dat is juist.

225 Jezus kwam wandelend over het water naar hen toe en zij werden verschrikt. Ze zeiden: " O, het is spookachtig. We kunnen maar beter niet meer naar die samenkomst gaan. Het is eigenaardig."

226 Ze zagen Hem weer terugkeren in Zijn kracht; net zoals Hij beloofde door de bladzijden van deze Bijbel, van deze bladzijden in deze Bijbel, liever gezegd, dat Hij dit zou doen in de laatste dagen. En Hij komt binnen en veel mensen zeggen: "Ach, dat is slechts gedachten lezen. Dat is spiritisme. Dat is de een of andere soort..." Zie? Dat is hetzelfde. En het enige wat zal redden, wat ons hieruit zal helpen, is Jezus Christus aan te nemen. Zo is het. Let op. Toen Hij was...

227 Ze waren allen bevreesd en ze riepen uit: "O, wat is dit? Wij weten het niet." Het zag er schrikaanjagend uit. Het zag er spookachtig uit. Wat gebeurde er?

228 Precies op dat cruciale ogenblik kwam er een stem: "Vrees niet. Ik ben het. Wees niet bevreesd."

229 Vanavond, als ik dit zou willen zeggen, terwijl we hier ons klein getuigenis afsluiten. Ik zal het snel moeten doen. En ik sluit hun getuigenis af bij het beëindigen van dit deel van de opwekking. Vrienden, als u Jezus iets ziet doen zoals Hij hier deed, is onze samenkomst van vier avonden te kort. Ik zou hier willen staan en deze Bijbel nemen van Genesis tot Openbaring en u bewijzen dat dit precies het uur is waarin wij leven. Dit wordt verondersteld plaats te vinden. Volgens de Bijbel is dit het laatste uur.

230 Toen Billy en ik pas geleden naar India vlogen, hadden zij een stukje in de krant. Het is een tweetalig land. En ze zeiden: "De aardbevingen moeten over zijn. De vogels keren terug."

231 Nu hebben ze in India niet deze mooi gevlochten schuttingen, zoals wij ze hebben. Het merendeel neemt rotsblokken en ze maken er hun omheiningen en bouwen er hun huizen van. En gedurende een dag of twee vlogen al de vogeltjes die tussen deze rotsblokken woonden weg en gingen naar buiten. Ze wilden niet terugkeren naar hun rotsen en naar hun nesten. En wat gebeurde er toen? Al het vee dat gewoon was in de avond te komen – als de zon heet was en ze in de schaduw van deze muren zouden staan om koel te blijven; de schapen – ze deden het niet. Ze bleven daarbuiten in het midden van het veld en stonden tegen elkaar aan.

     Ze dachten: "Dat is vreemd. Wat is er met hen gebeurd?"

232 En toen, plotseling, trof een aardbeving het land. Alle muren vielen om. En door de aardbevingen lagen ze daar gedurende twee of drie dagen omver. En toen begonnen opeens alle kleine vogels weer binnen te komen, terug te komen naar wat er nog was blijven staan. Ze zeiden: "De aardbevingen moeten nu voorbij zijn."

233 Ziet u het niet, vrienden? Dezelfde God die in de dagen van Noach de vogels en dieren kon nemen en ze in de ark der veiligheid brengen, weg van de ondergang, diezelfde God kan nog steeds de vogel waarschuwen. En de vogel heeft alleen een instinct om door te leven. Als de vogel door God wordt gewaarschuwd, door instinct, om van de grote vallende muren weg te gaan, kunnen wij zeker door de doop met de Heilige Geest wegkomen van deze grote oude muren, die tradities zijn en die om ons heen zijn gebouwd, en eruit komen, al moet de één tegen de ander aan staan en in de schaduw van de Bijbel blijven. Dat is juist. Hij...

234 Wees niet bevreesd. Hij beloofde het. Hij komt rechtstreeks bij ons binnenrijden en doet Zijn werken. En laten we vanavond niet bevreesd zijn. Als we onze harten slechts zouden kunnen openen en zeggen: "Here Jezus!"

235 Kijk naar de avonden. Kijk slechts naar onze korte avonden, terwijl we hier nooit tevoren in een samenkomst zijn geweest. En dit is pas de vierde avond. Er zijn drie avonden voorbij gegaan. En zie hoe de Heilige Geest niet één keer faalde. Ik krijg brieven terug met getuigenissen uit plaatsen, en waar verteld was hoe het zou zijn als ze thuiskwamen, enzovoort. Ze zeiden dat het gewoon precies op die wijze was. Wel, zeker. Het zal altijd op die wijze zijn. Zie?

236 Let op wat het zegt. Als u het hoort spreken, zie wat het u vertelt. Zie? Ik zeg dan waar ik naar kijk. Wacht dan en zie wat Hij u vertelt om te doen. Wat Hij u ook vertelt om te doen, ga en doe het. Het maakt mij niet uit wat het is. Ga het doen. Het is niet uw broeder hier, het is Jezus Christus. Zie? Het is Christus. Jezus zei toen Hij hier was: "Ik ben het niet; het is de Vader." Zie? De Vader werkte door Hem heen. Nu werkt de Vader door Zijn gemeente, zie, de Heilige Geest.

237 En als u het ziet, wees er niet bang voor. Omarm het en zeg: "Here Jezus, ik heb U lief. U bent hier. Misschien heb ik U nooit aangenomen als mijn Redder. Vanavond zal ik het doen. Ik wil U als mijn Redder. Ik wil niet dat deze samenkomst sluit tenzij ik gered ben. Ik wil dat U mij vanavond redt, Here." Hij zal het doen. Hij zal het doen. Dat bewijst gewoon dat Hij hier is. Wij zijn in de laatste dagen. Deze dingen worden er verondersteld te zijn.

238 En bedenk het laatste teken dat aan Abraham werd gegeven, die een type was van hen die in de opname zullen gaan. Zie? Zij waren al uit Sodom. Het laatste teken dat hem werd gegeven, was dat ware teken: God gemanifesteerd in menselijk vlees, Die Abraham vertelde wat Sara in de tent achter Hem dacht. En Jezus keert Zich om en zegt: "Zoals het was in de dagen van Lot, zo zal het zijn bij het komen van de Zoon des mensen."

239 Ik veronderstel dat u mensen geestelijk bent. Probeer het alstublieft te begrijpen. Zie? Dit is misschien uw laatste gelegenheid. Zie? Misschien werd dit u niet geleerd in uw kerken, uw grote mooie kerken. Die mannen zijn... Nu, niets tegen uw herder... [Leeg gedeelde op de band – Vert] .".. niet bevreesd. Ik ben het. Wees niet bevreesd."

240 Nu, hemelse Vader, deze ruwe, kleine, verscheurde getuigenissamenkomst die ik probeerde te verklaren om de mensen te laten zien dat wij zondag hetzelfde getuigenis zouden kunnen hebben in elk van deze gemeenten. Van deze fijne gemeenten hier, die vuurtorens zijn, zouden er op zondagmorgen mensen kunnen opstaan die hetzelfde getuigenis kunnen geven als waar zij die avond op zee over getuigden. "O, brandden onze harten niet toen wij Hem dit zagen doen en wij Hem dat zagen doen?" God, zend alstublieft een grote opwekking, Vader. Grijp ons, Here. We hebben een grote opwekking nodig. Openbaar Uzelf vanavond aan ons, op een echte wijze.

241 Misschien komt er vanavond, na deze getuigenissamenkomst waar ik over gesproken heb, misschien komt er zo'n honger in de harten van de mensen als U Uzelf vanavond weer verklaart onder de mensen. Dan zullen zij van hier weggaan en op zondagmorgen die gemeenten vullen en getuigen. Ze zullen hier vandaan gaan, naar hun buren gaan en beginnen zielen te winnen, en proberen hun buren te bezoeken en met hen te bidden en de ziekenhuizen te bezoeken, de zieken en aangevochtenen, en hun te vertellen dat Jezus Christus voor immer leeft. Sta het toe, Here. Hoor ons gebed.

242 Dit is onze bedoeling van hier te zijn, Here. En U kent de beweegreden in ons hart. En wij bidden dat U het zult ontvangen, Vader, daar wij deze zegen vragen in Jezus Christus' Naam. Amen.

243 Nu, echt rustig. We hebben geen klok. Wie van u, broeders? Ik heb mijn horloge gebroken. En hoe laat is het? Vertel het me. [Een broeder zegt: "Zeven over tien." – Vert] O, ik ben later dan ooit. Morgen is het zaterdag. Het spijt me. Ik zag er twee of drie opstaan om naar buiten te gaan, en ik weet dat ik te lang gebleven ben. Dat was... My, u bent zulke fijne mensen! Ik haat het gewoon eraan te denken dat ik u vanavond zal moeten verlaten. Dat is waar, uit mijn hart. Als ik een huichelaar ben, weet ik het niet. Maar ik houd van mensen.

244 Toen ik nog een kleine jongen was, opgroeide, bekommerde niemand zich om mij. Niemand hield van mij. En ik sloot mij aan bij de kerk, werd geordineerd in de Zendingsbaptisten kerk. Ik had altijd een idee dat God God was. En ik was daar zo'n beetje een zwart schaap, om zo te zeggen.

245 Dr. Davis vertelde mij gewoonlijk: "Billy, het zal erop uitdraaien dat je een heilige roller wordt", en zo meer.

246 Maar toch geloofde ik dat als God ooit God was, Hij nog steeds God is. En ik... Mijn overtuigingen leidden mij op die wijze, omdat ik dat gezien had toen ik een kleine jongen was. En velen van u hebben mijn boek gelezen, mijn levensgeschiedenis en zo. En God in de hemel weet dat het waar is. En ik wist dat daar iets was. Ik kon het zien, dat licht. Het sprak tot mij, en sinds ik een kleuter was wist ik dat het waar was.

     En hij zei tegen mij: "O, je had maar een droom."

247 Ik zei: "Als het er zo voor staat, zal ik mijn lidmaatschapskaart teruggeven."

248 Hij zei: "O, denk niet zo. Maar", zei hij, "je zult het te boven komen, Billy."

249 Maar ik ben het nog niet en ik hoop dat ik het nooit te boven kom. Dit is het. En Petrus zei op de dag van Pinksteren: "Dit is dat." Als dit dat niet is, laat mij dan dit houden totdat dat komt, omdat ik van dit houd. En ik bid dat God het elk persoon op die wijze zal laten voelen.

250 En vrienden, ik vertel u wat de waarheid is. Voor zover... Hier ligt deze Bijbel, die ik tot nu toe niet gesloten heb. Zo helpe mij, met deze Bijbel op mijn hart, dat ik u de eerlijke waarheid vertel.

251 En ik geloof dat het Jezus Christus is in de vorm van de Heilige Geest, zie, God de Heilige Geest Die neerkomt in de Naam van Jezus Christus, om te betuigen dat we in de laatste dagen zijn; en dat Zijn Geest op aarde is onder Zijn volk. En ik geloof met mijn hele hart, dat dat Licht daarboven dezelfde Vuurkolom is Die de kinderen van Israël door de woestijn leidde. Ik geloof dat het Dezelfde was Die op Jezus Christus was, Dezelfde als toen Hij wegging. En dat is Dezelfde die de ogen van Saulus uitdoofde op de weg naar Damaskus, toen hij riep: "Here, Wie bent U?" En Hij zei: "Ik ben Jezus." Zie? Ik geloof dat het dezelfde zaak is. Hij doet dezelfde werken.

252 Dus kon ik het niet zijn. Bedenk slechts, ik ben... Ik heb zelfs geen zeven jaar schoolopleiding gehad. Ik weet niets over, wel, over enig onderwijs, niet meer dan dat ik amper de Bijbel kan lezen. Maar ik ken Hem.

253 Niet lang geleden zei iemand: "Broeder Branham, u kent uw Bijbel niet."

254 Ik zei: "Maar ik ken de Auteur heel goed. En Hij zal mij Zijn Boek laten kennen, zoals Hij het aan mij wil openbaren."

255 En niet één keer heeft die Engel des Heren als Hij daar staat, mij ooit één keer iets verteld dan wat precies terug te vinden was in de Bijbel, en bewees het door de Bijbel. Als het mij ooit iets had verteld in tegenspraak met de Bijbel, zou ik het niet geloven. Deze Bijbel komt op de eerste plaats. Elke soort engel of iets anders die iets tegengestelds zou getuigen, tegen dit Woord, luister er niet naar; het maakt me niet uit hoe echt het schijnt. Dit is juist. Het is altijd juist.

256 Joseph Smith zag een engel. Nu, ik betwijfel het woord van die man helemaal niet. Maar de zaak was dat het tegengesteld was aan het Woord. Zie? Ik... ik... Het moet het Woord zijn. Ik geloof dat de man een goede man was, zeker, en oprecht. Maar ik...

257 Degene die hier spreekt moet... Het moet niet iets tegen dit Woord zijn. Het moet juist zijn met het Woord.

258 En zo helpe mij, ik heb geen tijd om het hier avond na avond te blijven vertellen. Maar de dingen die u gedaan ziet worden kan ik door de Schriften bewijzen. Als u de banden neemt weet u dat het telkens weer juist is, van Genesis tot Openbaring. Het wijst precies naar deze bruidboom, dit uur, dezelfde Geest om weer terug te keren, en om die vrucht van de Heilige Geest te manifesteren, "om het geloof van de kinderen weer te herstellen tot het geloof van de vaderen". Het is gewoon precies hetzelfde door de hele Bijbel heen, voorspeld om hier te zijn. En hier zijn we. Onmiddellijk nadat de doop valt en dingen zoals dat, wordt er verondersteld een herstel te zijn in de laatste dagen.

259 En mensen, stel het niet uit, kijk niet ver weg van hier in de toekomst. Het gaat gewoonlijk rechtstreeks over uw hoofd heen en u mist het. Wees gereed. Als het de Schrift is, houd eraan vast. Als het de Schrift niet is, laat het varen. Zie? Maar zo helpe mij, het ìs de Schrift. Kijk, dat is wat Hij deed in de andere dagen. Als Hij Dezelfde vandaag is, zal Hij hetzelfde doen.

260 Nu, ik geloof dat Billy Paul gebedskaarten uitgaf. Is dat zo? Wat gaf je vandaag uit? We hadden die bijna allemaal. Hè? B, één tot honderd. Wel, laten we beginnen. Waar waren we gebleven? We waren bij de eerste en de laatste van de andere en zo verder door. Was dat niet juist? Laten we vanavond teruggaan naar de eerste van de B, B, gebedskaarten met een B. En laten we beginnen, wel, laten we gewoon beginnen bij nummer 1, omdat we ze in ieder geval vanavond allemaal zullen nemen. In orde.

261 Nummer 1. Wie heeft B, nummer 1, steek uw hand op. Deze dame? Kom nu hier naartoe. Als u... het is...

262 Ik zie daar een dame in een rolstoel. En als zij, als haar kaart wordt afgeroepen, als zij er een heeft, bedenk, breng haar regelrecht het podium op. Zie? Het is in orde.

263 B, nummer 1. Nummer 2? Nummer 2? Wie heeft B, nummer 2? Is haar nummer 2? Nu, in orde, even een ogenblik. Even een minuut. We zetten het in lijn zodra wij ze oproepen. In orde. Nummer 2, wie heeft het? [Een broeder zegt: "Hier beneden, broeder Branham." – Vert] Goed. Het spijt me. Het spijt me. Hij is achter de microfoon. Hier, dame. Nummer 2. Nummer 3? In orde, dame.

264 Nummer 4? Gebedskaart nummer 4. Wie heeft het? Misschien... Wat is dat in het Spaans? [Verscheidene personen zeggen: "Quatro." – Vert] Quatro. Ik weet dat ik het niet juist zei. Er is maar één manier waarop ik... Het enige woord dat ik in het Spaans kan zeggen is "Oiga". Ik herinner me dat dove mensen gewoon waren te zeggen "Oiga" en u zegt: "Si." In orde.

     Nummer 4. Is er al, 4.

265 5, gebedskaart nummer 5. [Een broeder zegt: "Achterin." – Vert] Helemaal achterin. Goed, een dame daar achterin.

266 De jongen brengt deze kaarten hierheen en deelt ze uit. Hij gaat vóór de samenkomst staan, schudt ze allemaal door elkaar en geeft u een gebedskaart. Het maakt niet uit waar of wie u bent, u krijgt hem. Dan krijgt misschien de een nummer 1 en de ander 15. Weer een ander... En dan weten ze nog niet vanaf waar we zullen oproepen. Zie? En ik kom hier, en zal ergens vandaan oproepen.

267 Dat is 5, 6, 7. 6, houd uw hand omhoog als u 6 hebt. 6. Fijn, 7, nummer 7? Goed. 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14. 14?

268 Nu, wacht een ogenblik. Ik zag er twee. Ik heb me vergist. Het zijn een man en een vrouw die de andere kant opgingen. Ik dacht dat ze opstonden om naar boven te komen.

269 Laten we zien, 12. 11, 12, 13, 14, 15. 15? 15? 15.

270 Wel, laten we met dezen beginnen, omdat we ze allemaal zullen nemen. We nemen elk van hen, zo de Here wil, over een poosje. Maar laten we even een paar minuten wachten tot we zien of we het kunnen halen of niet. Goed. Voelt iedereen zich goed?

271 Nu, hoeveel hier binnen hebben geen gebedskaarten? Laat me uw handen zien. Goed. Wees nu eerbiedig. Kijk naar deze kant. Bid. Nu, bedenk dat dit onze laatste samenkomst is. Laten we nu echt eerbiedig zijn. Kijk naar deze kant.

272 Nu, terwijl zij daar die gebedsrij gereed maken, laten we dit zeggen. Laten we een paar jaar teruggaan. Laten we zien hoe de Here Jezus eens op een morgen, nadat Hij de zee was overgestoken, aan de oever landde, de boot uitging en landinwaarts ging. En een kleine vrouw die een bloedvloeiing had, had geen gebedskaart.

273 Zeg, ik geloof dat we zijn... Iemand heeft de lichten uitgedraaid. Is dat met een zekere bedoeling, of waarvoor? Of gaat het automatisch uit? Doen zij... Is dat voor ons om te vertrekken? [Een broeder zegt: "Nee. Er gebeurde hier iets." – Vert] O, enige, de een of andere... O, ze doen het weer. Iemand maakte buiten een vergissing en draaide de schakelaar om. In orde.

274 Let nu op onze Here Jezus. Nu, hoevelen begrijpen dit? We proberen niet te zeggen dat wij de Here Jezus zijn. Iedereen begrijpt dat. Goed. We zijn uw broeders. Zie? We zijn Zijn dienstknechten. Maar het is gewoon een gave om jezelf te onderwerpen.

275 Let nu hierop. Hier zijn mannen die theologen zijn, geoefende mannen in het Woord. Nu, broeders, als u allen een boodschap begint te prediken en als u het zelf in elkaar probeert te zetten, doet het geen enkel goed. Is het wel? Maar wanneer u geïnspireerd wordt, u... u... het komt op de een of andere wijze neer. U weet niet wat u zult gaan zeggen. Is dat juist? [De predikers zeggen: "Amen." – Vert] Dat is prediken door inspiratie, ziet u. Dat is de Heilige Geest. Nu, ik ben niet welsprekend genoeg om dat op die manier te doen. Zie?

276 Maar nu, het mijne is slechts een gave om te weten hoe – zoals aan een hefboom trekken – om jezelf uit de weg te krijgen. En het is gewoon een volledige overgave. Ik kan het niet verklaren. Niemand kan God verklaren. Ik kan het u niet vertellen hoe, wat er gebeurt, en hoe het gaat. Ik weet alleen dat het een kleine gave is. En ik heb eenvoudig een wijze om mezelf uit de weg te krijgen. En dan begin ik plotseling iets vreemds te voelen, lieflijk, nederig. En kijk, ik zie dat licht rondcirkelen. Dan weet ik dat het in orde is. Dat is de reden waarom ik wacht. En dan, wanneer iemand gaat spreken...

277 Dat is de reden waarom ik iemand hier boven heb, meer als een lokmiddel om er één uit te pikken, zie, zodat ik tot hem kan spreken. En als dan de Heilige Geest Zich begint te bewegen op deze persoon, dan begint het greep te krijgen op het gehoor. En dan begint het gehoor zich te verbazen; dan beginnen ze geloof te krijgen. Dan begin je het gewoon te voelen wie geloof heeft hier, daar, en overal. Zie? Dan net... Daar is het, het bewijst zich gewoon.

278 Nu bedenk dat het een zeer zware, uitputtende zaak is. Als Jezus de hele dag predikte hinderde het Hem niet. Maar toen die kleine vrouw Zijn kleed aanraakte en terugging en ging zitten, nam het kracht uit Hem. Is dat juist? Wel, iedereen weet dat deugd kracht is. Wel, als het dat zal doen bij de maagdelijk geboren Zoon van God, wat zal het dan doen bij ons, zondaars, gered door Zijn genade. Zie? Zie?

279 Je kunt de hele avond prediken, het zal je niet hinderen. Maar laat er slechts één visioen plaats vinden, zie, het is iets uit een andere wereld. Je ziet misschien mensen toen ze heel kleine kinderen waren of zoiets. En je moet snel spreken omdat je weet dat je hier staat maar toch ergens anders bent, ver weg ergens anders, pratend. En dan, als je eruit komt, weet je niet wat je zei, totdat je er naar luistert op de band. Zie? En het is niet menselijk. Het is geen persoon. Dat is alles. Het is God. Het is altijd juist. En Hij beloofde dat. Zie? "Kennende hun gedachten", de Bijbel zei dat Hij dat deed. Noem het wat u maar wilt, maar de Bijbel zei: "Jezus kende hun gedachten."

280 Nu, ik wil dat u gelooft. Nu, ten eerste wil ik dat u dat nu ziet, zie, net als genezing. Wij weten dat de Heilige Geest hier is. En ik geloof in oplegging van handen.

281 Iemand viel mij vanmorgen daar nogal ruw op aan. Hij zei: "Er bestaat niet zoiets als mensen die handen leggen op elkaar. Het behoorde niet gedaan te worden."

282 Ik zei: "U hebt gewoon niet de Bijbel gelezen, broeder. Dat is alles." Ik zei: "De laatste opdracht die van de lippen van de Here Jezus Christus kwam, was: 'Leg handen op de zieken en zij zullen genezen', de laatste woorden die Hij zei toen Hij de aarde verliet."

283 Zijn eerste opdracht die Hij aan Zijn discipelen gaf, was: "Geneest de zieken, reinigt de melaatsen, wekt de doden op, werpt duivelen uit", de eerste groep die Hij uitzond, Matthéüs 10.

284 En de laatste groep die Hij uitzond: "Deze tekenen zullen hen volgen die geloven. Zij zullen duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen spreken; slangen opnemen; iets dodelijks drinken. Als zij hun handen op de zieken leggen zullen zij gezond worden." Dat waren de laatste woorden die Hij zei, en toen werd Hij opgenomen in de heerlijkheid. Zeker. Dat is de grote opdracht. Hoe het werkt, weet ik niet. Het is eenvoudig uitvoeren wat Hij zei.

285 Maar hier zijn allen, vermoed ik, negentig procent van u of meer, gelovigen. U bent gelovigen en u hebt net zoveel recht om handen op de zieken te leggen als ik, of uw herders, iedereen. "Leg handen", de gelovigen, "deze tekenen zullen volgen." Niet "de predikers", maar iedereen die gelooft. U, iedereen heeft een recht.

286 Zoals ik zei: er zijn geen grote mannen en heilige mannen. Die zijn er niet. Wij, en niemand van ons, is heilig. We hebben een Heilige Geest in ons, maar we zijn niet heilig. Hij is het Die heilig is. Zie? Het is Zijn heiligheid, niet de mijne, niet de uwe. De Zijne!

287 Maar hier, laten we nu even onze gedachten voor alles afsluiten gedurende de volgende vijftien minuten. En nu, deze mannen zitten hier en kijken rond.

288 Hier staat een vrouw voor mij. Ik heb haar nog nooit in mijn leven gezien. Zover... Zijn wij vreemden voor elkander, dame? [De zuster spreekt met broeder Branham – Vert] Hebt u gehoord wat ze zei? Zij is verschillende keren in mijn samenkomsten geweest, maar ze had zelfs nooit de gelegenheid om "Hoe maakt u het?" tegen mij te zeggen. Zie? Daarom ken ik de vrouw niet. Zij staat daar. Ze is hier om een bepaalde reden. Laten we nu even nadenken. Neem het Evangelie van Johannes het vierde hoofdstuk, toen Jezus een vrouw ontmoette.

289 Nu bedenk, dat Hij zei: "De werken die Ik doe, zult gij ook doen."

290 Nu, hier zijn een vrouw en een man die elkaar voor de eerste keer in hun leven ontmoeten. Nu, dat is waar. Hier zijn wij. Hier is Gods Bijbel. Daar staat een vrouw. Hier sta ik. Ik kende of zag de vrouw nooit in mijn leven, zover ik weet. Alles wat ik weet is dat zij daar staat. Vandaag was zij hier ergens en iemand gaf haar een gebedskaart en haar nummer werd genoemd en hier staat zij. Dat is alles.

291 Er zijn er veel in de zaal... Gisteravond namen wij hen die geen gebedskaarten hadden. Hoeveel waren hier om dat te zien? Kijk, de gebedskaart heeft er niets mee te maken. Zie? Het is uw geloof wat ermee te maken heeft.

292 Nu, u zegt: "Broeder Branham, kunt u de zieken genezen?" Er is geen mens op aarde die de zieken kan genezen. Ze zijn al genezen. U moet het hun slechts laten zien, hen laten geloven.

293 Nu, als Jezus Christus op het toneel zal komen en werken door die vrouw en mij! Nu, als het werkt door mij en niet door haar, zal het niet werken. Het moet door ons beiden tezamen komen. Zie?

294 Het is hetzelfde met u. Als u geloof hebt – u gelooft het – dan, zie, zal het tussen ons werken. Zie? Het is uw geloof en mijn geloof. Ik geloofde het. Als u het slechts met mij gelooft, dan zullen we de woorden en beloften van Christus vervuld zien.

295 Nu, als iemand gelooft dat het verkeerd is, en u gelooft dat u hetzelfde kunt doen, dan nodig ik u uit op het podium. Zie? Dus zeg er dan niets over.

296 Nu kom hier, dame, sta even hier. Nu, ik wil u naar voren brengen, omdat er behoorlijk wat geloof is. En ik wil even een ogenblik tot u spreken zoals onze Here tot die vrouw sprak. Nu, terwijl ik u niet ken en nooit in mijn leven zag en u een totale vreemde voor mij bent. Nu, als de Here Jezus hier iets zal doen zoals Hij deed in de Bijbel, de Bijbeltijd, zouden we ons daar gelukkig door voelen, zodat we naar huis kunnen gaan?

297 Zoals degenen die op een dag, dat Hij op... Na Zijn dood, begrafenis en opstanding was Hij op... Enkele discipelen waren op weg naar Emmaüs. Herinnert u het zich, broeder? Op de weg naar Emmaüs ontmoetten zij de Here Jezus en zij spraken de hele dag met Hem, en zij herkenden Hem niet. Maar toen Hij met hen die avond naar binnen ging en de deuren sloot, deed Hij iets wat precies leek op wat Hij deed vóór Zijn kruisiging en zij wisten dat Hij het was. Hoeveel herinneren zich het verhaal? Zeker. Ze wisten dat Hij het was, omdat niemand anders het op die wijze deed. En hun ogen werden geopend en Hij verdween uit hun midden.

298 Nu, Hij leeft vanavond. Nu, als Hij levend is, dan zal Hij vandaag hetzelfde doen als wat Hij vóór Zijn kruisiging deed, bewijzend dat Hij is opgestaan. Is dat juist ?

299 Nu, Hij heeft vanavond geen handen dan mijn handen en uw handen. Hij heeft ogen in de mijne en de uwe. Die gebruikt Hij. Hij is de Wijnstok. Wij zijn de ranken. Klopt dat, broeders? [De predikers zeggen: "Amen." – Vert] En de Wijnstok draagt geen vrucht. De rank draagt vrucht, geactiveerd door de Wijnstok. Is dat juist? En als die eerste rank, die uit de Pinksterwijnstok kwam, een boek der Handelingen schreef, als die boom ooit nog een rank voortbrengt, zal hij nog een boek der Handelingen schrijven. Omdat hij niet een pompoen en dan een watermeloen en dan een granaatappel zal voortbrengen. Hij zal iedere keer dezelfde vrucht voortbrengen omdat het hetzelfde leven is dat door de Wijnstok gaat. Begrijpt u het nu? ["Amen."]

300 Nu, in de Naam van Jezus Christus, van deze Bijbel, neem ik elke geest hierbinnen onder mijn controle voor de eer en heerlijkheid van God.

301 Nu, als u een criticus bent, blijf niet langer. Het is uw tijd om te gaan, omdat, onthoud, boze geesten van de een naar de ander gaan. En velen hier die in de samenkomsten zijn geweest, weten wat er gebeurde. Als u bent... Zit gewoon stil. Als u het niet doet en als er iets gebeurt, zal ik verantwoordelijk zijn.

302 Nu dame, er is nu iets gebeurd. Het is Zijn tegenwoordigheid. Nu, als de Here Jezus iets aan mij zal openbaren wat u deed, iets wat u wilt doen, iets wat u hebt of niet hebt gedaan, of had moeten doen of iets over u, dan zult u het weten.

303 Precies zoals Hij tegen Simon zei: "Uw naam is Simon. U bent de zoon van Jonas." Hij vertelde hem zijn naam. Hij geloofde het. Hij vertelde de vrouw: "U hebt een bloedvloeiing." Het stopte. En Hij had de... of zoals de... Wel, iets wat Hij aan iemand zou vertellen wat er verkeerd met hen was, zoals de vrouw die vijf mannen had.

304 Het een of ander, iets dergelijks, dan weet u dat het Jezus Christus is. Gelooft u het? [De zuster zegt: "Amen." – Vert] Het moet van een bovennatuurlijke kracht komen. ["Zeker weet ik dat."] U, u weet dat. ["Ik weet dat."] In orde.

305 Nu, nu, als iemand het kan zien, het licht staat tussen mij en de vrouw. Zij is er zich van bewust. [De zuster zegt: "Dank U, Jezus." – Vert] Ik ken de vrouw niet. Maar vraag haar dit slechts. Luister hiernaar. Juist nu komt er iets als een lieflijk gevoel. Is dat juist? Steek dan uw hand op. Zie? Het is precies helemaal om haar heen. Kunt u dat niet zien? Het is een andere dimensie. Zie? Ik kijk er regelrecht naar. Nu, zoals ik u gadesla, bent u een gelovige. En u lijdt. Ja. Een van uw grote problemen is dat u echt nerveus bent. ["Ja."] En door deze nervositeit hebt u een hoge bloeddruk gekregen. ["Ja."] Dat is precies juist. ["Dank U, Jezus."] Zie? Ja.

306 Gelooft u nu? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Nu, alleen maar om te zien dat het niet... Kijk, ik kan slechts die ene vrouw nemen en hier staan en doorgaan met erover te spreken. Maar kijk, er zijn anderen in de rij die wachten. Zie? Anderen moeten komen. Dus u ziet dat het niet alles op één persoon zal zijn. Je moet nog iemand anders nemen.

307 Maar nu, zou u graag willen zien of de Heilige Geest haar nog iets anders zou willen vertellen? Zou u dat graag willen? Steek gewoon uw handen omhoog en zeg: "Het zou mij zeer helpen." [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

308 Zou het u helpen? Goed. Laten we zien. Ik weet niet wat Hij u vertelde. Het enige wat ik weet is dat het op de band zal staan. Nu, even een ogenblik.

309 Kijk slechts naar mij en geloof. Net als Petrus en Johannes zeiden: "Zie op ons", met andere woorden, "schenk ons uw aandacht." Zie? "En toen hij bemerkte dat zij geloof hadden..." En ik bemerk dat u geloof hebt.

310 En nu, ja, ik zie dat het iets om uw arm is. O, het is de hoge bloeddruk. Een dokter doet iets om uw arm. Dat is waar. Ja zeker. Dat is juist. Uh-huh. En hij zei dat u hoge bloeddruk hebt. En er is iets anders. O, ik zie hen. Ze gaan iets klaarzetten om te maken... O, het is een operatie. [De zuster zegt: "Ja." – Vert] U staat op het punt geopereerd te worden. ["Dat is zo."] En dat is voor een vrouwenkwaal. En dat zal in de volgende paar dagen vanaf nu moeten gebeuren. Dat is juist. ["Deze aanstaande week."] Dat is juist.

311 Nu, ziet u wat ik bedoel? Zie? Als ik haar blijf vertellen, met haar blijf spreken, gebeurt er meer. Ziet u wat ik bedoel? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Zie?

312 Nu, dat ben ik niet. Vraag de vrouw of het juist is of niet. Vraag het haar, ieder die haar kent. Zie?

313 Kijk weer naar deze kant. Gelooft u dat God mij kan vertellen wie u bent? [De zuster zegt: "Ja." – Vert] Zou het u helpen? ["Ik weet dat Hij het kan."] Mevrouw Dorns, u kunt nu naar huis gaan en geloof met heel uw hart. Ja. Zie?

314 Gelooft u Jezus Christus nu? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Misschien kunnen we dan gewoon onze handen opheffen en Hem aanbidden. Hij is God.

315 Hemelse Vader, wij danken U hiervoor. We bidden nu dat U de mensen wilt laten zien dat we een getuigenis kunnen hebben, dat dit dezelfde Jezus is waarvan wij morgen kunnen getuigen dat wij Hem zagen. Hij was hier vanavond met ons in de vorm van de Heilige Geest. We hebben U lief, Here Jezus. Maak dat alle mensen het zien en geloven. Wij bidden, Here, in Jezus' Naam. Amen.

     Wees nu eerbaar, eerbiedig en heb respect.

316 Nu, deze dame die hier nu staat. Nu, zijn we... Wij kennen... kennen elkaar niet, veronderstel ik, is het wel, dame, de dame die hier voor mij staat? Nee. U kent mij niet. Ik ken u niet. [De zuster zegt: "Zo is het." – Vert] Ze zag mij nooit in haar leven. Goed. Nu, zijn...

317 Gelooft iedereen nog steeds? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Wees gewoon eerbiedig, echt eerbiedig. "Als gij kunt geloven, zijn alle dingen mogelijk." Amen.

318 Ik zag iets gebeuren. Ik zal een ogenblik wachten. Goed. Nu, kijk nu even een ogenblik naar deze kant, zuster, u, die hier op het podium staat. Al ken ik u niet, God kent u; als Hij mij iets over u zal laten weten waarvan u weet. Als ik niets over u weet, bent u gewoon een vreemde voor mij. Maar als Hij mij iets zal openbaren waarvan u weet of het juist is of niet, kunt u daarvan getuigen of het goed of fout is.

319 Maar u bent... één van uw voornaamste kwalen is... en uw voornaamste kwaal is een nerveuze toestand. U maakt zich zorgen, en dat heeft u een maagkwaal bezorgd. U hebt een maagkwaal en een nerveuze toestand. En de nerveuze toestand geeft u de maagkwaal welke zuur op de maagbodem veroorzaakt. Het is een maagzweer op de maagbodem. Vet en zo maken dat u spul opboert. En dan zie ik dat u zich van veel voedsel op tafel afkeert. Dat is precies waar.

320 En u hebt een grote schok gehad die u pas overkwam. U had een droefheid. Het betreft een dode. Het is uw man die pas heenging. Het heeft u nerveus gemaakt. Dat is waar, is het niet? [De zuster zegt: "Ja." – Vert] Ik geloof dat u nu in orde zult zijn. Ga en eet uw avondmaal. Jezus Christus heeft u genezen.

321 Gelooft u? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Heb slechts geloof in God. Dat is alles. Zie?

322 Nu, deze dame hier, zou u even een ogenblik deze kant op willen kijken? Wij zijn vreemden voor elkaar. We kennen elkaar niet, maar Jezus Christus kent ons beiden. Welnu, als de Here Jezus iets zal openbaren, bijvoorbeeld zoals Hij gedaan heeft toen Hij tot de vrouw zei: "U hebt vijf mannen en u bent... of, u hebt een tumor, zweer, kanker; u hebt huiselijke problemen", of wat het ook is, dan weet u dat het van God moet komen, is het niet? [De zuster zegt: "Ja." – Vert] Kijk, Hij vertelde die vrouw maar één ding en de hele stad bekeerde zich.

323 En hier is Hij nu meer aan het doen, want Hij zei: "De werken die Ik doe zult gij ook doen, en meer dan deze zult gij doen." Ik weet dat de 'King James' zegt "grotere", maar de 'Emphatic Diaglott' zegt "meerdere". Hij kon niets groters doen; Hij stopte de natuur, wekte de doden op. U zou er slechts meer kunnen doen, zie, de hoeveelheid in plaats van de kwaliteit.

324 U lijdt ook aan een nerveuze toestand. U hebt een vrouwenkwaal, een onregelmatige cyclus. U hebt ook een maagkwaal die u zorgen baart. Zo is het. Gelooft u dat Hij u kan genezen? Gelooft u dat Hij het zal? U hebt iemand op uw hart, is het niet? Uw man. Hij is hier niet. Gelooft u dat ik u kan vertellen wat? Als Jezus zal openbaren wat er verkeerd is met uw man, zult u dan geloven dat ik Zijn profeet ben, of Zijn dienstknecht? Hij is echt nerveus en het heeft hem een prostaatkwaal bezorgd. Dat is juist. Is het niet? Heb geloof. Twijfel niet. Geloof slechts met heel uw hart.

325 Hier, even een ogenblik. Er is iets gaande. Ja, hier is het. Het is uw moeder. [De zuster zegt: "Ja." – Vert] Dat is zij die daar achterin zit, aan het einde van de rij. Zij heeft de ziekte van Parkinson. En u bidt voor haar. Is dat niet waar? Mevrouw Harris, dat is uw naam. Geloof met heel uw hart en ga terug. Leg uw handen op uw man, uw moeder, en word gezond, in de Naam van de Here Jezus Christus.

326 Heb geloof in God. Gelooft u God? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Nu, ik geloof dat wij Hem echt moeten aanbidden. Gelooft u ook niet? ["Amen."] Laten we Hem prijzen en zeggen: "Dank U, dierbare Here."

327 Hemelse Vader, hoe danken wij U, prijzen U! Gezegend zij de Naam van de Here Jezus Christus. Wij geven U heerlijkheid, eer, dankzegging en lofprijzing en macht, in Jezus' Naam. Amen.

328 Heb geloof. Twijfel niet. Geloof slechts dat wat God heeft gezegd de waarheid is. Dat is alles wat u moet doen. Nu, wees echt eerbiedig en kijk deze kant uit.

329 Nu, hier is een man. Wij zijn vreemden voor elkaar, maar Jezus Christus kent ons beiden. Gelooft u Hem? Gelooft u dat ik Zijn dienstknecht ben? Dat doet u.

330 Nu, toen Jezus een man ontmoette waar wij Hem een wonder bij zagen doen, was dat Simon, nietwaar? Dat was de eerste man die Hij ontmoette. Goed. Hij vertelde Simon wat zijn naam was.

331 Nu, moge de Here mij helpen om iets te weten wat er verkeerd met u is Ja, ik zie het nu, een darmkwaal: de dikke darm. Het is een opgeblazen dikke darm. U bent ook niet van hier. U komt uit het westen, van deze kant. U bent van Californië.

332 Er is iemand bij u. Hij heeft een gebedskaart om vanavond voor gebeden te worden. Hij zit daar nu. Het is uw vriend. En hij lijdt aan een nerveuze toestand, zoiets als een zenuwinzinking. Gelooft u dat hij genezen zal worden? [De broeder zegt: "Halleluja!" – Vert] Ik ook. Gelooft u nu dat Jezus mij kan vertellen wat uw naam is? Meneer Hamby. Ga dan terug en leg uw handen op uw vriend. En geloof met heel uw hart en u kunt beiden teruggaan en gezond zijn, in de Naam van de Here Jezus Christus.

333 Gelooft u? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Bid nu. Het heeft me gewoon verzwakt. En het komt nu weer in orde, zie. Bid. En we zullen nu voor de zieken beginnen te bidden.

334 Hoe maakt u het? Spreekt u Engels? [De zuster zegt: "Ja." – Vert] Gelooft u dat ik Gods dienstknecht ben? ["Ik geloof het."] Dat is wat de engel tegen mij zei: "Als u de mensen ertoe kunt krijgen u te geloven", niet mij geloven als Hem, maar geloven dat Hij mij zond. ["Ja."] Het is voor uw kleine jongen. ["Ja, dat is zo."] Dat is juist. Gelooft u dat God mij kan vertellen wat zijn kwaal is? ["Ja."] Gelooft u het? ["Ja, dat zal ik."] Hij is nerveus. ["Ja."] Het is veroorzaakt door een grote schrik. ["Ja."] Een hond liet hem schrikken. ["Ja."] Dat is juist. Het zal met hem in orde komen. Neem hem mee terug. Geloof met heel uw hart, hij zal in orde zijn. Het is een shock. Ik zal mijn handen op u leggen, in Jezus' Naam. Vrees niet. Vrees niet en hij zal er overheen komen en in orde zijn. Zie? Wees dankbaar.

335 Gelooft u met heel uw hart? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] "Als gij kunt geloven."

336 Deze dame die hier zit en met de andere dame spreekt, daar met die voorhoofdsholteontsteking. Een poosje geleden, toen er iets met u gebeurde, werd uw voorhoofdsholteontsteking genezen. Amen. U gelooft het, en ga nu naar huis en wees gezond. Uh-huh!

337 Gelooft u? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] U daar in het gehoor, gelooft u? ["Amen."]

338 Wat denkt u, die daarginds met uw hand omhoog zit? Gelooft u dat ik Gods profeet ben? Dan zal die hernia u niet meer hinderen. Uw vrouw is vreselijk ziek. Dokters weten zelfs niet wat er verkeerd met haar is. Leg gewoon uw hand op haar, geloof met heel uw hart. Hij weet wat er verkeerd met haar is. Ze zal gezond worden als u het zult geloven.

339 Gelooft u die daar staat, dat God uw hartkwaal genas? Ga dan naar huis terug en word gezond.

     Nu, als dit niet Jezus Christus onder ons is!

340 Wat denkt u ervan, kleine dame, die daar in de tweede rij zit en rechtstreeks naar mij kijkt? U hebt een borstkwaal. Gelooft u dat Jezus Christus u gezond maakt? Sta op uw voeten en aanvaard het dan. Amen.

     Heb geloof in God. Twijfel niet.

341 De dame die naar haar kijkt en een bepaald medegevoel met haar heeft, met de rode trui aan. U hebt voorhoofdsholteontsteking. Gelooft u dat de Here Jezus u gezond maakt? Ja? Sta op uw voeten en neem het aan en word gezond. Amen. Dat is de wijze om het te doen. Uh-huh.

342 Wat denkt u ervan, broeder, die daar zit? Gelooft u dat ik Zijn profeet ben? Gelooft u dat God mij kan vertellen wat uw kwaal is? Uw allergie is weg. Jezus Christus maakt u gezond. Halleluja!

343 Gelooft u het met geheel uw hart? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Amen.

344 Nu? Waar stopten we, kaart 15? Was dat het, gebedskaart 15? Hoeveel meer hier binnen hebben gebedskaarten? Laten we ons ontdoen van deze gebedskaarten. Stelt uzelf hier aan de kant op.

345 Laat mij u iets tonen. Laat mij u slechts tonen dat genezing niet aan één man toebehoort. Laat mij u tonen wat God kan doen door Zijn nederige dienstknechten hier. Kom hier, broeders. Ik vraag mij af of u, broeders, hier met mij naar beneden wilt komen. Kom rechtstreeks het podium af en loop hier even naar beneden. Ja. In orde. Dat gaan we doen. We zullen hier voor hen bidden. Ik wil dat de mensen zien dat God Zijn dienstknechten gebruikt. Kom. Kom. U, u predikers, kom hier naar beneden. Ik ga met u naar beneden. Zie? Ik zal u laten zien dat God de zieken geneest door uw herders. [Een broeder zegt: "Naar beneden, het podium af?" – Vert] Het maakt niet uit, op wat voor wijze u wilt. Amen. Dat is in orde.

346 U allen die uw gebedskaart hebt, kom hierheen. Betwijfel het niet. Geloof het. Gelooft u het nu met geheel uw hart?

347 Nu, herders, enigen van u daar beneden. Ik wil ieder van u. Terwijl ik bid, wil ik dat u allemaal, enigen van u naar beneden gaan, en er zeker van zijn dat uw hand iedereen in deze rij aanraakt. Zie? Ik kan niet bij ieder van hen komen, maar u wel. Dat is het. Kom daarheen, recht onder hen.

348 Al de mensen in de zaal, geloof nu. We zullen binnen een ogenblik bij u komen. Geloof nu met ons.

349 Ieder van u allen hier, bedenk dat Jezus Christus u kent. Hij weet precies wat u denkt. Dat weet u. Er is er niet één of Hij zou het u juist nu kunnen vertellen. U ziet dat. Dan is Hij hier. Hij is het. Ik ben het niet. Ik ben slechts uw broeder.

350 Nu, gelooft u terwijl ik bid. Ik zal voor u bidden, en deze herders.

351 Kijk, ik wil de stad niet verlaten en dat de mensen denken: "Wel, de evangelist was hier. Hij deed dit." Ik wil dat u weet dat uw herder dezelfde autoriteit heeft. Hij mag dan geen visioenen zien, dat is er misschien maar één in een generatie. Maar hij heeft hetzelfde gezag van God om zijn handen op u te leggen. Het is gewoon precies hetzelfde.

352 Laten we nu allen bidden. Houd nu uw hoofd gebogen. En ieder, als u voelt dat de handen van die herder u raken, onthoud, laat uw gebedskaart vallen, steek uw handen omhoog en dank God voor uw genezing en loop terug en zie wat er gebeurt.

353 Onze hemelse Vader, we zijn hier nu vergaderd temidden van deze mensen in de tegenwoordigheid van de almachtige God, o, grote eeuwige Jehova, Die Jezus Christus, Uw Zoon, voortbracht. Ik bid nu, evenals deze predikers, de handen van God. En als ik hier mijn handen op deze zuster leg, bid ik U dat U hen zult ontmoeten, Here, iedereen. Moge de kracht van Jezus Christus nu op dit gehoor neerkomen als deze herders deze mensen aanraken. En moge ieder van hen genezen worden, in de Naam van Jezus Christus.

354 Satan, je hebt de overwinning verloren. Jezus Christus is tegenwoordig om deze zakdoeken te zalven, om de zieken te genezen, om het werk te doen dat Hij beloofde te doen. En wij, als Zijn dienstknechten, dagen je uit door ons eigen geloof in Zijn opstanding – nu in Zijn tegenwoordigheid na tweeduizend jaar – hetgeen op geestelijke wijze door Zijn gemeente werkt. Kom uit deze mensen, in de Naam van Jezus Christus, laat hen gaan. Kom eruit, door de Naam van Jezus Christus.

355 Nu, terwijl zij handen op de zieken leggen, als er een zondaar of een persoon is die gered wil worden, die nu vervolgens rondom het altaar wil komen staan, sta op en kom nu naar voren. We zijn hier om te dienen. Als de persoonlijke werkers met hen willen meekomen met hen die opstaan en komen.

356 Iedereen die hier nu voor gebed wil komen, kom naar voren. Of u nu een gebedskaart hebt of niet, u bent welkom om hier nu te komen en handen op u te laten leggen. Kom nu terwijl wij wachten.

357 Als er iemand van u de Heilige Geest nodig heeft, of redding, of Goddelijke genezing nodig heeft, wij zijn hier, als dienaars van Christus om u te dienen in de hoedanigheid van oplegging der handen om u vervuld te zien met de Geest.

358 Iedereen die graag deze Jezus zou hebben Die het geheim van uw hart kent! U mensen die Hem niet kent, als u dat kleine vreemde gevoel om uw hart voelt; ik weet dat ze hier zijn. De Heilige Geest vertelt mij dat. Kom nu hierheen. Kom hier naartoe. Als u van uw zitplaats wilt opstaan en hierheen lopen en zeggen: "Here Jezus, ik kom omdat ik U nodig heb en ik kom om U te ontvangen." God zal u uw verzoek toestaan, als u niet zult twijfelen. En geloof met uw hele hart dat de dingen die u nu ziet de werken van Jezus Christus zijn! Als u Methodist bent, kom. Als u Baptist, Nazarener, Pelgrim Heiligheid, Rooms-katholiek, orthodoxe Jood, een grove zondaar, atheïst bent, het maakt niet uit wie u bent. Loop hier naartoe, God gelovend, en zie wat er nu gebeurt. Kom. Ik wil u hier vergaderd zien.

359 Ik geloof dat de Heilige Geest op dit grote beslissende ogenblik, dit grote uur waarin... terwijl we al over tijd zijn, maar toch geloof ik dat God ook nu uw verzoek zal inwilligen, als u mij slechts gelooft. U zag Hem nemen... Zeker, ik vertel u de waarheid.

     In orde, zuster, u kunt daar naar beneden gaan en gezond worden. Zie?

360 Nu, zeker zult u mij geloven. Daar staat nu iedereen van u die God nodig heeft. Kom, sta, of ga aan de zijkant staan. Waar ergens ook, sta op uw voeten, wees een getuige en zeg: "Ik getuig, Here", en dan als er iets verkeerds is, sta op waar u bent. Sta op als u God nodig hebt. Dat is juist. Als u niet kunt opstaan... Dat is het. "Ik heb U nodig, Christus."

361 Nu, geloof me alstublieft. Gelooft u mij? Gelooft u dat het God is Die tot mij spreekt? Zo ja, steek uw handen op, als u gelooft. Dank u. Nu, omdat u gelooft... Als ik u de waarheid verteld heb, is God Getuige dat ik u de waarheid verteld heb. God is hier als Getuige dat ik u de waarheid verteld heb.

362 Ik vertel u nu de waarheid. Als u naar God wilt opzien en door geloof zeggen: "Here Jezus." Als u een zondaar bent, zeg: "Ik belijd mijn zonden." Als u de Heilige Geest wilt, zeg: "Here, ik heb Uw zegeningen nodig om mij door het leven te helpen. Ik wil de Heilige Geest." Als u ziek bent, zeg: "Ik heb genezing nodig, Here, en ik aanvaard het nu van U. Ik geloof het." Als u het doet, zult u het ontvangen.

363 Laten we nu onze handen omhoog heffen, ieder op zijn eigen wijze. Het moet uw belijdenis zijn. En ik zal hier voor u bidden. Nu, geloof het en bid. Ik zal voor u bidden en bidt u voor uzelf. Bid gewoon. Belijd uw eigen fouten. Belijd uw zwakte. Doe uw belofte aan God dat u niet meer zwak bent; u bent sterk. U bent geen lafaard. U zult niet ziek worden. U zult de zonde niet langer dienen. U zult God gaan dienen. Doe uw belijdenis en geloof het. Het is uw ziel. Het is uw verantwoordelijkheid. Dat is waar. Iemand werd in vlam gezet. Dat is de wijze om het te doen. Het gewoon geloven.

364 Here Jezus, dit grote uur is hier, het grote beslissende ogenblik. De laatste dag van het feest is hier, de laatste keer, de laatste gelegenheid. Deze mensen zijn in nood. Laat de Heilige Geest vallen, Here. Mogen de mensen het zien, het voelen, weten dat dit God is, Christus, Die op dit moment probeert in hun leven binnen te komen, om hun de grote diepe verlangens van hun hart te geven. Sta het toe, Here. Vul de... hen met de Heilige Geest. Genees de zieken. Verkrijg glorie voor Uw Naam.

365 Nu, Satan, je hebt de strijd verloren. Je hebt de samenkomst verloren. Je verloor de overwinning. Ik eis de overwinning op in de Naam van Jezus Christus, voor iedereen hier binnen. Kom hier uit, Satan. Je kunt hen niet langer vasthouden. Ik eis hen op als trofeeën voor de Here Jezus Christus. Amen.

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
E-BookPrint
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
English (Engels)